ECLI:NL:TADRAMS:2026:29 Raad van Discipline Amsterdam 25-877/A/A 25-879/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:29
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 16-02-2026
Zaaknummer(s):
  • 25-877/A/A
  • 25-879/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaten van de wederpartij. Het toezicht op de naleving van de Wwft en de Voda wordt uitgeoefend door de deken. Aan klagers komt geen klachtrecht toe over schending van deze wet- en regelgeving. Klacht in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond. Niet gebleken van misbruik executierecht. Het inhoudelijke debat over de hoogte van de vordering en wie wel of niet gelijk heeft kan in deze tuchtrechtelijke procedure niet aan de orde komen.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 2 februari 2026 
in de zaken 25-877/A/A en 25-879/A/A 

naar aanleiding van de klacht van:

klagers  

over:

verweerders

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 18 december 2025 met kenmerken 2483219 en 2485948/EvR/AP, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 


1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 
1.1    Klaagster is bestuurder bij D&Z Investeringen B.V. (DZI). Tussen DZI en P GmbH (P), gevestigd in Duitsland, speelt een geschil van vermogensrechtelijke aard. P heeft uit hoofde van een in de Europese Unie executeerbare Duitse notariële akte van 4 augustus 2022 (Akte 1192/2022H) een opeisbare vordering op DZI en daarnaast een opeisbare vordering op de echtgenoot van klaagster, de heer H (H) (gezamenlijk DZI c.s.). Er zijn verschillende procedures aanhangig (geweest) in Duitsland en in Nederland. Verweerders staan P voor de procedures in de Nederland bij. P ontvangt daarnaast bijstand van een Duitse advocaat voor de procedures in Duitsland.  
1.2    Op 11 juni 2024 heeft een (eerste) executiegeschil plaatsgevonden. Tussen partijen is in een proces-verbaal een schikking vastgelegd, op grond waarvan DZI c.s. aan P een bedrag van € 2.750.000,- in drie maandelijkse termijnen zou betalen. 
1.3    Op 10 juli 2024 heeft verweerster het rekeningnummer van de lopende kantoorrekening doorgegeven aan DZI c.s. in plaats van het (juiste) rekeningnummer van de stichting derdengelden van het kantoor. 
1.4    Toen op 12 juli 2024 de administratieve fout was ontdekt, heeft verweerster deze fout hersteld en heeft zij alsnog de juiste bankgegevens doorgegeven. Bij e-mail van 19 juli 2024 is opnieuw verzocht om te betalen op de derdengeldenrekening van het kantoor.
1.5    De moedervennootschap van DZI, DZ Holding B.V., heeft namens DZI c.s. op 19 juli 2024 een eerste termijnbetaling van € 1.000.000,- overgemaakt op de lopende rekening van verweerders kantoor.
1.6    Verweerders hebben bij brief van 24 juli 2024 meegedeeld dat de gelden conform proces-verbaal doorgeboekt zouden worden via de derdengeldenrekening van verweerders naar hun cliënte (P). 
1.7    Op 20 augustus 2024 heeft DZI c.s. de tweede termijnbetaling opnieuw aan de lopende rekening overgemaakt. Verweerders hebben diezelfde avond laten weten dat de betaling abusievelijk weer op de betaalrekening van het kantoor is ontvangen en dat zij de betaling doorzetten naar de derdengeldenrekening en het bedrag van daaruit aan hun cliënte zouden overmaken. 
1.8    De derde termijnbetaling op 20 september 2024 is niet voldaan, zodat de schikking is komen te vervallen en de oorspronkelijk vordering van P op DZI c.s. herleefde. 
1.9    P heeft op 16 januari 2025 de deelgrosse voor die schuld aan H doen betekenen en op 29 januari 2025 de executoriale verkoop van de woning van H en klaagster aangezegd tegen 4 maart 2025. In het deurwaardersexploot van die datum is vermeld dat zij de verkoop kunnen voorkomen door betaling van een bedrag (inclusief betekeningskosten) van € 2.711.875,11.
1.10    Op 3 maart 2025 is in de ochtend een vonnis gewezen in een kortgedingprocedure. In dat vonnis is bepaald dat de partijen uit de schikking hoofdelijke medeschuldenaren zijn. In r.o. 4.7 is het volgende overwogen: 
“Vast staat dat DZI en H(…) hun verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst niet volledig zijn nagekomen en dat daardoor de regeling is komen te vervallen. Dat brengt volgens P(…) mee dat zij opnieuw aanspraak kan maken op de vorderingen waarover in die vaststellingsovereenkomst een regeling is getroffen. Zij erkent de ontvangst van een bedrag van € 2.000.000,- en van een deel van de proceskosten, maar betwist dat die betalingen rechtsgeldig zijn toegerekend aan de schuld van H(…). Zij stelt dat de omstandigheid dat de schikking is komen te vervallen en dat de oorspronkelijke rechtsverhoudingen en vorderingen herleven, niet meebrengt dat de rechtsgrond voor de reeds uitgevoerde betalingen (de schikking) daardoor is weggevallen of veranderd. In dat kader geldt dat de termijnbetalingen uit hoofde van een hoofdelijke schuld zijn verricht. Derhalve staat het P(…) op grond van artikel 6:7 lid I BW vrij om te kiezen op welke schuldenaar zij de hoofdelijke schuld verhaalt, zonder dat P(…) daarbij de verplichting heeft om de hoofdelijke schuld proportioneel te verdelen over alle schuldenaren. Aangezien (…) de moedervennootschap van DZI, beide termijn betalingen heeft voldaan, heeft P(…) de termijnbetalingen logischerwijs toegewezen aan de vordering van P(…) op DZI. Het voorgaande brengt mee dat de vordering op DZI per 25 februari 2025 € 165.918,30 bedraagt en de vordering op H(…) per 25 februari 2025 € 3.767.392,76 bedraagt.”
1.11    Diezelfde dag (3 maart 2025) is er een bedrag van € 900.000,- zonder enige communicatie op de lopende rekening van het kantoor van verweerders voldaan. De voormalig advocaat van DZI heeft later die dag (3 maart 2025) bericht dat € 900.000,- is betaald door de aan DZI c.s. gelieerde onderneming SLW GmbH (SLW) en dat dit bedrag per ongeluk op de lopende rekening is overgemaakt. Hierop heeft het kantoor van verweerders laten weten dat het kantoor geen gelden op de lopende betaalrekening wenst te ontvangen maar op de derdengeldenrekening. Ook kon het bedrag direct aan de cliënte van verweerders (P) worden voldaan. Verweerders hebben het bedrag na ontvangst op de kantoorrekening gecorrigeerd en via de stichting derdengelden doorgestort aan hun cliënte P. 
1.12    Op 21 maart 2025 hebben SLW en H van verweerders terugbetaling van het bedrag van € 900.000,- gevorderd. 
1.13    Bij exploot van 28 maart 2025 heeft P opnieuw de executieverkoop aangezegd van de woning van klaagster en H. De executieverkoop was gepland op 6 mei 2025 te 13:30 uur. Hiertegen zijn DZI c.s. in kortgeding opgekomen. Op 11 april 2025 heeft in dit kort geding een zitting plaatsgevonden. 
1.14    Op 31 maart 2025 heeft klaagster onderhavige klacht ingediend tegen verweerders en zijn er nog meer gerechtelijke procedures tussen partijen over de achterliggende kwestie gevolgd. Later heeft klager, die de directeur is van SLW, zich voor een deel van de klacht gevoegd als mede-klager.
1.15    De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 23 mei 2025 de executie van de verkoop van de woning geschorst voor de duur van 12 maanden en bepaald dat H de rechtmatigheid van de executie en de omvang van het voor verhaal vatbare bedrag aan de bevoegde Duitse rechter kan voorleggen. 
1.16    In Nederland lopen inmiddels geen gerechtelijke procedures meer en de executie van de vordering(en) van P is gepauzeerd. P wacht de uitkomst van de procedure in Duitsland af. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers (klaagster en klager) verwijten verweerders: 
a)    geen kwitantie of bevestiging te geven van betaling van een bedrag van € 900.000,- dat op de dag van het vonnis, te weten op 3 maart 2025, is voldaan op de derdengeldrekening van het kantoor van verweerders. Dit bedrag is zonder machtiging of instemming van de derdengeldenrekening doorgestort aan de cliënte van verweerders zonder enige bevestiging daarvan aan betaler. Hiermee is sprake van schending van de Wwft-verplichtingen; 
Klaagster verwijt verweerders verder: 
b)    betalingen die zijn verricht met duidelijke betalingskenmerken te negeren of willekeurig toe te rekenen zonder communicatie of bezwaar aan te tekenen. Betalingen namens H worden niet geaccepteerd en tegelijkertijd wordt H voor de volledige som aangesproken. In het exploot van 28 maart 2025 een bedrag van € 982.939,19 is verdwenen terwijl in een exploot van eerder dat jaar deze betaling nog werd erkend; 
c)    bewust en herhaaldelijk aan te sturen op executie (uit paragraaf 6) van de notariële akte, terwijl deze bepaling geen vaststaande vordering betreft maar slechts een abstracte schuldbekentenis zonder onderliggende schadeberekening.

3    VERWEER
3.1    Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaten van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) 
4.2    Klagers hebben dit klachtonderdeel als volgt toegelicht. Op 3 maart 2025 is door een derde (SLW), waarvan klager de directeur is, een bedrag van € 900.000,- overgemaakt op de zakelijke rekening (en dus niet op de derdengeldenrekening) van het kantoor van verweerders. Voor dit bedrag heeft H (de echtgenoot van klaagster) een lening afgesloten met SLW die hij op enig moment zal moeten terugbetalen. Klagers verwijten verweerders dat zij dit bedrag zonder instemming van SLW hebben doorgestort aan hun cliënte P. SLW, noch H heeft een bevestiging of kwitantie ontvangen voor het overgemaakte bedrag. Verder hebben verweerders geen onderzoek gedaan naar de herkomst van het geld, dat dus afkomstig was van een derde (SLW). Evenmin hebben verweerders duidelijk gemaakt waarop dit bedrag in mindering is gebracht. Deze werkwijze is volgens klagers in strijd met de fundamentele transparantieplicht van advocaten inzake financiële transacties (zoals de Voda en de Wwft).
4.3    De voorzitter overweegt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.4    De voorzitter is van oordeel dat een rechtstreeks belang met betrekking tot deze verwijten bij klagers ontbreekt. Allereerst geldt dat - zoals door verweerders terecht is aangevoerd - het toezicht op de naleving van de Wwft en de Voda wordt uitgeoefend door de deken. Aan klagers komt in deze situatie geen klachtrecht toe over schending van deze wet- en regelgeving. Verder is het de voorzitter niet gebleken dat klaagster door het handelen van verweerders rechtstreeks in haar belang is getroffen. Klaagster heeft immers zelf gesteld dat niet zij, maar haar echtgenoot (H) een lening is aangegaan bij SLW voor het bedrag van € 900.000,-. Dat betekent dat de verwijten die zij verweerders in dit klachtonderdeel maakt - zoals het niet verstrekken van een kwitantie voor de ontvangst van het bedrag en het niet duidelijk maken waarop het bedrag in mindering is gebracht - haar niet rechtstreeks raken. Ook klager als directeur van SLW mist een rechtstreeks eigen belang bij dit klachtonderdeel. Erkend wordt dat SLW een geldlening is aangegaan met H. Dit betekent dat SLW een vordering heeft op H en niet op verweerders of op de cliënte van verweerders (P). De voorzitter komt dan ook tot de slotsom dat geen van beide klagers kan worden ontvangen in klachtonderdeel a) en dit klachtonderdeel derhalve niet-ontvankelijk is. 
Klachtonderdeel b) 
4.5    Klaagster licht toe dat in de notariële akte 1192/2022H duidelijk te onderscheiden is wie welke bedragen verschuldigd is. Vorderingen op naam van H kunnen uitsluitend voortvloeien uit paragrafen 6 en 7 van deze akte. H betaalt of laat uitsluitend betalen op zijn eigen persoonlijke verplichtingen. Toch worden betalingen op naam van H niet geaccepteerd hoewel hij krachtens Duits recht een recht op toerekening heeft voor vrijwillig gedane betalingen. Tegelijkertijd wordt tegen H ten volle geëxecuteerd. Betalingen van of namens H mogen niet toegerekend worden aan schulden van DZI. Klaagster wijst er bovendien op dat in het exploot van 28 maart 2025 een bedrag van € 982.030,19 ontbreekt, terwijl dat in het exploot van januari 2025 nog werd erkend. Tot op heden hebben verweerders namens P geen berekening overgelegd waaruit blijkt hoe de vermeende nog openstaande vordering tot stand gekomen is, daarbij rekening houdend met de reeds ontvangen bedragen. 
4.6    De voorzitter overweegt het volgende. Voorop gesteld wordt dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende geschil een oordeel te geven, maar dat in dit tuchtrechtelijk geschil uitsluitend beoordeeld wordt of verweerders zich in hun bijstand aan P ten opzichte van klaagster hebben gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelende advocaten. Daarbij is relevant dat aan verweerders een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van hun cliënte te behartigen op een wijze die hen passend voorkomt (zie het toetsingskader in r.o. 4.1). Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Het is de voorzitter onvoldoende gebleken dat die situatie zich hier voordoet.  
4.7    Verweerders hebben onderbouwd toegelicht dat de voorzieningenrechter bij vonnis van 3 maart 2025 heeft geoordeeld dat partijen hoofdelijk verbonden waren tot de betalingen onder de schikking, zoals verwoord in r.o. 4.7 van het vonnis en in het proces-verbaal van 11 juni 2024. Het stond (en staat) P dan ook vrij te kiezen aan wie zij betalingen mag toerekenen onder een regeling waarbij meerdere partijen (H en DZI) partij zijn. De betalingen van twee keer € 1.000.000,- waren betalingen aan P en bijkomende bedongen voorwaarden zijn nooit geaccepteerd. Daarom zijn deze gelden terecht doorgeboekt aan P. 
4.8    Onweersproken staat vast dat de derde betaaltermijn niet is nagekomen op 20 september 2024. Daarmee is de regeling onder het proces-verbaal komen te vervallen en herleefde de oorspronkelijke vordering (met aftrek van de reeds ontvangen bedragen). Verweerders hebben toereikend toegelicht dat betalingen - conform het civiele kader - zijn verrekend met de openstaande posten uit de onderliggende titels en kosten. Verweerders hebben de deurwaarder geïnstrueerd op basis van de op dat moment geldende titels, (voorlopige) rechterlijke oordelen en berekeningen van de Duitse advocaat. Voor de stelling van klaagster dat verweerders betalingen bewust zouden hebben verzwegen, bieden de stukken onvoldoende feitelijke grondslag. Dat de deurwaarder zou zijn gebruikt als drukmiddel is de voorzitter evenmin gebleken. 
4.9    Verweerders hebben verder terecht betoogd dat het inhoudelijke debat over de hoogte van de vordering en wie wel of niet gelijk heeft niet in deze tuchtrechtelijke procedure aan de orde kan komen. Een oordeel hierover is voorbehouden aan de (Duitse) rechter. Verweerders hebben daarbij toereikend toegelicht dat zij niet adviseren over de akten naar Duits recht en zij daarin slechts een summiere rol spelen, nu een Duitse advocaat daarmee belast is. Dat verweerders de grenzen van het betamelijke hebben overschreden is dan ook niet komen vast te staan. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel c) 
4.10    Klaagster verwijt verweerders in dit klachtonderdeel dat verweerders zonder specificatie of onderbouwing van schade de bepaling uit paragraaf 6 van de notariële akte hebben gebruikt als grondslag voor executie, terwijl deze bepaling geen vaststaande vordering betreft maar slechts een abstracte schuldbekentenis zonder onderliggende schadeberekening. Dit gaat volgens klaagster verder dan een civiel geschil. Het betreft een systematisch en juridisch onhoudbaar gebruik van een executoriale titel, terwijl op dat moment ook al substantiële betalingen waren gedaan die zelfs meer dekten dan de vermeende schadeclaim. Volgens klaagster was de hoofdelijke schuld van H van € 2.000.000,- op grond van paragraaf 7 volledig afgelost en verweerders wisten of hadden dat moeten weten. De vordering waarvan verweerders aangeven dat hiermee verrekend zou zijn was op dat tijdstip niet opeisbaar en kon onmogelijk van de beweerde omvang zijn. Verweerders hebben ten onrechte nieuwe titels laten uitbrengen en probeerden zo, zonder verrekening van € 2.000.000,- aan betalingen, driemaal te incasseren en bovendien op H in privé te verhalen door middel van executie.
4.11    Naar het oordeel van de voorzitter treft dit klachtonderdeel geen doel. Het is de voorzitter onvoldoende gebleken dat verweerders misbruik hebben gemaakt van executiemaatregelen. Verweerders hebben voldoende toegelicht dat zij hun cliënte hebben geadviseerd over de executiemogelijkheden in Nederland waarbij het doel van hun cliënte was om de vordering te innen. De notariële akte waarnaar klaagster verwijst betreft een rechtsfiguur naar Duits recht die voor grosse is uitgegeven en is gewaarmerkt als een Europese executoriale titel. Verweerders hebben zich over de reikwijdte en uitvoerbaarheid van (onder meer) paragraaf 6 van de notariële akte laten adviseren door een Duitse advocaat en na de zitting van 11 april 2025 een extra advies ingewonnen. Verweerders adviseren zelf namelijk niet over Duits recht. Verweerders hebben onbetwist aangevoerd dat zij juist hebben aangedrongen op uitstel van de executieveiling van de woning (die gepland stond op 6 mei 2025) in afwachting van het vonnis van de voorzieningenrechter van 23 mei 2025 (waarbij de executie van de woning met een jaar is geschorst). De voorzitter is in verband hiermee van oordeel dat verweerders bij de behartiging van de belangen van P de belangen van klaagster niet nodeloos en zonder redelijk doel hebben geschaad. Klachtonderdeel c) is gelet hierop tevens kennelijk ongegrond. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart in de zaken 25-877/A/A en 25-879/A/A:
-    klachtonderdeel a) van klagers, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk; 

-    klachtonderdelen b) en c) van klaagster, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.       N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026. 

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026