ECLI:NL:TADRAMS:2026:28 Raad van Discipline Amsterdam 25-880/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 16-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-880/A/A |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarop al eerder is beslist |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak gedeeltelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet vanwege een niet-verschoonbare termijnoverschrijding en gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk op grond van het ne bis in idem beginsel. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
2 februari 2026
in de zaak 25-880/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 18 december 2025 met kenmerk 2381079/EvR/MV, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 05.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager was getrouwd met mevrouw H. Uit dat huwelijk is op 31 oktober 2021
een dochter geboren. Klager en zijn ex-vrouw zijn verwikkeld (geweest) in verschillende
procedures die betrekking hebben op een (complexe) echtscheidingsprocedure en een
procedure over het gezag en de omgang met betrekking tot hun dochter. De ex-vrouw
van klager wordt in deze procedures bijgestaan door verweerder.
1.2 Op 3 oktober 2024 heeft klager voor de vierde keer bij de deken een klacht
ingediend over verweerder en zijn bijstand aan de ex-vrouw in deze procedures. Klager
heeft zijn klacht op 17 oktober 2024, 18 oktober 2024, 25 oktober 2024, 28 november
2024, 29 januari 2025, 19 februari 2025, 27 februari 2025 en 31 juli 2025 (deels op
verzoek van de deken) nader toegelicht en zelf aangevuld.
1.3 De drie eerder ingediende klachten hebben geresulteerd in de volgende procedures,
die zijn geëindigd in onherroepelijke beslissingen.
23-493/A/A
1.4 Op 28 februari 2023, aangevuld op april 2023 (23-493/A/A), heeft klager zijn
eerste klacht over verweerder ingediend. Deze klacht is bij de raad geregistreerd
onder het kenmerk 23-493/A/A. In deze klacht ging het over verweerders bijstand aan
klagers ex-vrouw in de echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen, die verweerder
namens zijn cliënte bij verzoekschrift van 23 september 2021 was gestart.
1.5 Bij beslissing van de raad van 22 december 2023 (ECLI:NL:TADRAMS:2023:246)
heeft de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan verweerder een waarschuwing
met kostenveroordeling opgelegd. Klager heeft op 27 december 2023 hoger beroep ingesteld
tegen deze beslissing, voor zover ongegrond verklaard. Op 29 juli 2024 heeft het Hof
van Discipline (ECLI:NL:TAHVD:2024:207) de beslissing van de raad bekrachtigd.
23-846/A/A
1.6 Op 8 juli 2023, aangevuld op 11 juli 2023 en 3 oktober 2023, heeft klager
zijn tweede klacht over verweerder ingediend. Deze klacht is bij de raad geregistreerd
onder het kenmerk 23-846/A/A en betrof verweerders bijstand aan klagers ex-vrouw in
de procedure over het gezag en de omgang met betrekking tot de dochter. Klager verweet
verweerder dat hij zich polariserend en niet de-escalerend had opgesteld door bepaalde
uitlatingen over klager te doen in zijn verweerschrift van 21 mei 2023. Daarnaast
verweet klager verweerder zonder toestemming van klager een e-mail van klagers toenmalige
advocaat van 28 januari 2022 in het geding te hebben gebracht en tot slot het uitlokken
van stalken door het geheim adres van de ex-vrouw aan klager bekend te maken.
1.7 Bij beslissing van 22 april 2024 (ECLI:NL:TADRAMS:2024:66) heeft de raad
de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en opnieuw aan verweerder een waarschuwing
met kostenverdeling opgelegd. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld.
24-709/A/A
1.8 Op 10 januari 2024 heeft klager zijn derde klacht over verweerder ingediend.
Deze klacht is bij de raad geregistreerd onder zaaknummer 24-709/A/A en betrof verweerders
bijstand aan klagers ex-vrouw met betrekking tot de omgangsregeling van klager met
zijn dochter. Bij beslissing van de voorzitter van 25 november 2024 (ECLI:NL:TADRAMS:2024:204)
is de klacht van klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van het ne
bis in idem-beginsel. Klager heeft zijn verzet hiertegen ingetrokken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft de rechter bewust verkeerd geïnformeerd en zich onnodig grievend
uitgelaten. Klager verwijst ter toelichting naar verschillende zinsneden in het verzoekschrift
tot echtscheiding dat verweerder namens zijn cliënte op 23 september 2021 had ingediend.
Zo heeft verweerder opgeschreven dat klager zijn ex-vrouw gedurende het huwelijk stelselmatig
heeft mishandeld en zijn er andere valse aantijgingen gedaan. De voorzieningenrechter
heeft in juni 2021 geoordeeld dat er geen sprake is geweest van mishandeling, de valse
aangiften van klagers ex-vrouw zijn in oktober 2021 door het OM geseponeerd en klagers
ex-vrouw heeft op 8 juni 2021 tegenover haar verloskundige verklaard dat geen sprake
is geweest van geweld.
b) Verweerder heeft de voortgang van het opstellen van het ouderschapsplan belemmerd.
Klager heeft toegelicht dat de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 17 november
2021 heeft bepaald dat partijen in onderling overleg een bezoekregeling moesten afspreken.
Ondanks herhaalde verzoeken van klagers advocaat, heeft verweerder dit advies van
de rechter niet gevolgd. Verweerder verdraaide alle feiten en wierp obstakels op zodat
hij geen ouderschapsplan hoefde te presenteren.
c) Verweerder steunt zijn cliënte bij het verspreiden van valse aantijgingen
ondanks dat verweerder wist of behoorde te weten dat die leugenachtig zijn. Ook doet
verweerder zelf valse aantijgingen zonder bewijs erover te leveren (bijvoorbeeld de
aantijging dat klager zijn ex-vrouw mishandelde);
d) Verweerder heeft op 8 augustus 2023 een beweerdelijk volledig en correct ingevuld
‘Formulier toestemming reizen met minderjarig kind naar het buitenland’ toegezonden,
terwijl uit het document duidelijk beek dat informatie ontbrak. In het document was
niet ingevuld de recesperiode, het jaartal, informatie over het reisdocument van de
dochter, het vluchtnummer en het telefoonnummer in het land van bestemming. Na het
verzoek om het formulier te corrigeren heeft klager een tweede versie ontvangen met
een nieuwe vertrekdatum en ingevulde vluchtnummers.
e) Verweerder heeft op 27 september 2023 een verkeerde naam van het kinderdagverblijf
doorgegeven. Klagers ex-vrouw heeft de dochter zonder overleg bij een kinderdagverblijf
ingeschreven. Klager wilde weten waar zijn dochter zat. Zijn advocaat moest verweerder
hier een paar keer om vragen. Uiteindelijk stuurde verweerder bij e-mail van 27 september
2023 een verkeerde naam van de instelling, namelijk “De Tinteltuin” terwijl, de naam
van het kinderdagverblijf volgens een e-mail van de gemeente Amsterdam “Vijf sterren”
is.
f) Verweerder heeft zich stelselmatig op een aangifte van huiselijk geweld beroepen
(bijvoorbeeld in zijn verweerschrift van 25 januari 2022), terwijl het OM de zaak
bij brief van 15 oktober 2021 al had geseponeerd. Daarmee beschuldigt verweerder klager
ten onrechte van een strafbaar feit.
g) Verweerder heeft meerdere malen onjuiste informatie te verschaft. Klager geeft
als voorbeelden dat verweerder in de Blijf-groep (blijkens een notitie van 7 december
2021) heeft aangegeven dat de scheiding binnen 2 à 4 maanden zal worden uitgesproken,
terwijl hij wist dat dit niet haalbaar was en dat zijn cliënte slechts een informatieplicht
tegenover klager had, terwijl klager het recht had om zijn kind te bezoeken. Daarnaast
heeft verweerder (in een tweetal procedures die naar de voorzitter begrijpt zijn geëindigd
met de beschikkingen van 17 november 2021 en 14 december 2022) tegenover de rechter
verklaard dat hij een bepaalde e-mail van het OKT (Ouder- en Kindteam) niet had ontvangen,
terwijl dat dat niet waar was. Daarnaast had verweerder tegenover de rechter verklaard
dat zijn cliënte volledig meewerkte aan het vrijwillige traject, terwijl ook dat niet
juist was.
h) Verweerder werkt bewust mee aan het vertragen en saboteren van het OKT-traject,
dat gestart is op 12 januari 2023 en blijkens het klachtdossier is geëindigd in januari
2024. Klagers ex-vrouw weigerde tijdens gesprekken met het OKT mee te werken aan het
vrijwillige traject. Verweerder was hierbij aanwezig en heeft in plaats van bij te
sturen, de tegenwerking gefaciliteerd.
i) Verweerder heeft het onderhavige klachtonderzoek vertraagd door zich niet
te houden aan de termijnen die aan verweerder namens de deken waren gesteld.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid – tijdigheid klachtonderdelen a) – h)
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders in het geval klager pas na de driejaarstermijn beschikt over
informatie die gaat over de gevolgen van het verweten handelen of nalaten, en over
die informatie niet eerder kon beschikken. In dat geval vervalt het recht om te klagen
één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van
dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden.
4.2 Onderhavige klacht heeft - zoals gezegd - betrekking op verweerders bijstand
aan de ex-vrouw in de echtscheidingsprocedure en de procedures over het gezag en de
omgang met betrekking tot de dochter. Voor zover geklaagd wordt over verweerders bijstand
in de periode voor 4 oktober 2021 geldt dat die bijstand langer dan drie jaar voor
indiening van de klacht van 4 oktober 2024 heeft plaatsgevonden. Waar klager in zijn
algemeenheid stelt dat hij pas na 11 oktober 2021 op de hoogte is geraakt van de misdragingen
van verweerder, heeft klager dat op geen enkele manier toegelicht of aannemelijk gemaakt.
Gelet hierop is de klacht over verweerders bijstand in de periode voor 4 oktober 2021
te laat ingediend. Van redenen voor verlenging van de vervaltermijn op grond van artikel
46g lid 2 is de voorzitter niet gebleken. Evenmin is de voorzitter gebleken van bijzondere
omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar)
is.
4.3 Het voorgaande betekent dat de klacht, voor zover deze gaat over verweerders
bijstand in de periode voor 4 oktober 2021, op grond van artikel 46g lid 1 onder a
Advocatenwet niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Zelfde feitencomplex - klachtonderdelen a) – h)
4.4 Het tuchtrecht kent geen (wettelijke) verplichting op grond waarvan een klager
gehouden is zijn klachten tegen een advocaat te concentreren en deze tegelijkertijd
in één tuchtprocedure aanhangig te maken. Hoewel het wenselijk is dat een klager zijn
klachten zo veel mogelijk bundelt, bestaat daartoe geen verplichting. Het vorenstaande
laat echter onverlet dat in een concreet geval het indienen van opvolgende klachten
in strijd kan komen met de beginselen van een behoorlijk tuchtprocesrecht (vergelijk
Hof van Discipline 10 juli 2023; ECLI:NL:TAHVD:2023:116). De voorzitter overweegt
tegen deze achtergrond het volgende.
4.5 Zoals volgt uit de in r.o. 1.4 tot en met 1.8 weergegeven feiten heeft klager
al drie keer eerder een klacht over verweerder ingediend. Deze klachten hebben net
als onderhavige klachtonderdelen a) tot en met h) betrekking op verweerders bijstand
aan de ex-vrouw in een doorlopend feitencomplex, namelijk (eerst) de echtscheidingsprocedure
en (vervolgens) het gezag en de omgang met betrekking tot de dochter. Op de eerdere
klachten heeft de tuchtrechter inmiddels onherroepelijk beslist. Niet gesteld of gebleken
is dat de verwijten die klager in klachtonderdelen a) - h) heeft geuit over verweerder
niet eerder dan (uiterlijk) 10 januari 2024 naar voren gebracht hadden kunnen worden.
Voor zover klager opmerkt dat (bepaalde) gedragingen van verweerder tot op de dag
van vandaag voortduren, heeft hij zijn opmerking niet geconcretiseerd. Nu het niet
de taak van de voorzitter is om in de stukken te zoeken naar gedragingen van verweerder
die mogelijk ook na 10 januari 2024 hebben plaatsgevonden, wordt deze opmerking buiten
beschouwing gelaten.
4.6 De voorzitter komt op grond van deze feiten en omstandigheden tot de slotsom
dat de beginselen van een behoorlijk tuchtprocesrecht aan een inhoudelijke beoordeling
van deze klachtonderdelen in de weg staan. Klachtonderdelen a) tot en met h) zijn
daarom - voor zover tijdig - kennelijk niet-ontvankelijk.
4.7 De voorzitter wijst er nadrukkelijk op dat het tuchtrecht er niet voor is
bedoeld om onbeperkt ruimte te geven aan klagers om hun onvrede over advocaten telkens
opnieuw, in iets andere vorm, maar met op hoofdlijnen dezelfde soort klachten, aan
de orde te stellen. Alleen als het gaat om (volledig) nieuwe feiten, wordt een volgende
klacht nog in behandeling genomen.
Klachtonderdeel i)
4.8 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij het klachtonderzoek
heeft vertraagd door zich niet te houden aan de termijnen die verweerder namens de
deken waren gesteld. Verweerder heeft hierover aangevoerd dat het geen schoonheidsprijs
verdient om eerst na rappél te reageren, maar dat na rappél wel steeds alsnog is gereageerd.
Hoewel het beter was geweest als verweerder het niet op rappéls had laten aankomen,
betekent dit niet dat verweerder hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel i) is dan ook kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdelen a) tot en met h), voor zover deze betrekking hebben op gedragingen
van voor 4 oktober 2021, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet,
niet-ontvankelijk;
- klachtonderdelen a) tot en met h) overigens met toepassing van artikel 46j
Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- klachtonderdeel i), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 februari 2026