ECLI:NL:TADRAMS:2026:27 Raad van Discipline Amsterdam 25-897/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:27
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 16-02-2026
Zaaknummer(s): 25-897/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak (ontbinding van een samenlevingsovereenkomst). Van het bewust vertragen of laten escaleren van het geschil is niet gebleken.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 2 februari 2026 
in de zaak 25-897/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

 
klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 23 december 2025 met kenmerk 2494408/EvR/JN, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster is verwikkeld in een geschil met haar ex-partner over de afwikkeling van hun samenlevingsovereenkomst van 20 oktober 2023. Verweerster staat hierin de ex-partner bij. Klaagster wordt bijgestaan door mr. L. 
1.2    De samenlevingsovereenkomst is beëindigd per 14 november 2024. Hierin staan afspraken over de afwikkeling in geval van ontbinding van de samenlevingsovereenkomst.
1.3    Bij brief van 11 december 2024 heeft mr. L namens klaagster een voorstel aan de ex-partner gestuurd voor de afwikkeling van de inboedel en persoonlijke eigendommen. 
1.4    Bij brief van 20 december 2024 heeft verweerster namens de ex-partner uitgebreid op dit voorstel gereageerd. 
1.5    Na een e-mailwisseling tussen mr. L en verweerster op 10, 17 en 23 januari 2025 en telefonisch contact op 24 januari 2025 zijn partijen erin geslaagd om het geschil omtrent de afwikkeling grotendeels op papier af te ronden en in het daarop aansluitende weekend heeft de ex-partner zijn spullen bij klaagster opgehaald.
1.6    Na drie maanden van geen contact, heeft mr. L namens klaagster op 11 april 2025 aan verweerster een sommatiebrief gestuurd met een voorstel ten aanzien van een aantal nog openstaande punten en het verzoek om uiterlijk woensdag 18 april 2025 om 12:00 een inhoudelijke reactie te sturen. Zij schrijft in dat verband, voor zover relevant: 
“Partijen hebben in opgemelde kwestie nog geen volledige overeenstemming bereikt. Het is voor beiden van belang dat de afwikkeling van de samenleving nu definitief wordt afgerond. Cliënte heeft voorstellen gedaan om tot afronding te komen, tot op heden is hier geen inhoudelijke reactie op gekomen van uw cliënt.
In dat kader verzoek ik u de navolgende punten onder de aandacht van uw cliënt te brengen, zodat partijen nu op zeer korte termijn tot afronding van deze civiele kwestie komen. (…)
Graag ontvang ik uiterlijk woensdag 18 april om 12:00 uur van u de bevestiging dat uw cliënt zijn medewerking zal verlenen, dan wel een inhoudelijke reactie op het voorstel van cliënte.”
1.7    Verweerster heeft het voorstel met haar cliënt gedeeld en op 16 juni 2025 een inhoudelijke reactie gestuurd. Daarin schrijft verweerster, voor zover relevant: “Allereerst schrijft u dat uw cliënte meerdere malen voorstellen heeft gedaan om tot een afronding te komen. Tot op heden zou hier geen reactie op zijn gekomen van cliënt. Dit wordt uitdrukkelijk betwist en is aantoonbaar onjuist. Door cliënt is wel degelijk inhoudelijk gereageerd op de voorstellen. Partijen konden ten aanzien van de inboedel nader tot elkaar komen. Maar ten aanzien van de overige onderdelen helaas niet.” Verder komt de reactie inhoudelijk overeen met het eerdere voorstel bij brief van 20 december 2024.
1.8    In juni 2025 hebben partijen alsnog volledig overeenstemming bereikt over de ontbinding van de samenlevingsovereenkomst en vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die op respectievelijk 25 en 26 juni 2025 door partijen is ondertekend.
1.9    Op 22 mei 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland een klacht ingediend over verweerster. Omdat verweerster een kantoorgenoot is van de deken Noord-Holland is de klacht ter behandeling doorverwezen naar de deken van de Orde van Advocaten Amsterdam.  

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: 
a)    verweerster heeft geen inhoudelijke reactie gestuurd op de sommatiebrief van haar advocaat (mr. L) van 11 april 2025 en eerdere correspondentie, en daarmee de civiele afwikkeling van de zaak met haar ex-partner belemmerd en laten escaleren;  
b)    verweerster heeft tijdens een mondeling overleg met klaagsters advocaat, verklaard dat klaagster een crimineel is. Deze uitlating is feitelijk onjuist, grievend en schadelijk voor de reputatie van klaagster. 

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
-    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
-    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
-    het verloop van het geschil tot dan toe en
-    de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a) 
4.3    Klaagster stelt dat verweerster ondanks herhaalde pogingen van haar advocaat om tot een volledige en definitieve afwikkeling te komen, heeft nagelaten een inhoudelijke reactie te sturen. Het gebrek aan medewerking van verweerster heeft geleid tot een onhoudbare situatie en heeft volgens klaagster de definitieve beëindiging van de samenleving met haar ex-partner verhinderd. Waar verweerster aangeeft dat zij tussen 11 april 2025 en het moment van indiening van de klacht geen rappél heeft ontvangen, lijkt verweerster te suggereren dat het initiatief voor een reactie bij klaagster lag. Dat verweerster en haar cliënt een andere kijk hebben op de afwikkeling is volgens klaagster niet relevant, de ex-partner had zich te houden aan de door hem ondertekende samenlevingsovereenkomst. 
4.4    Dit klachtonderdeel treft geen doel. Uit de onderliggende gedingstukken en het verweer van verweerster blijkt niet dat verweerster de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst door een gebrek aan medewerking onnodig heeft vertraagd of geschil heeft laten escaleren. Verweerster heeft onderbouwd toegelicht dat zij naar aanleiding van de (sommatie)brief van 11 april 2025, met hierin een afwikkelingsvoorstel, half april 2025 nog telefonisch contact heeft gehad met mr. L (de advocaat van klaagster). In dit telefoongesprek heeft verweerster laten weten dat zij alsnog met een reactie zou komen, maar dat zij tussendoor ook met vakantie ging en nog wachtte op input van haar cliënt. Vanwege deze omstandigheden heeft verweerster (pas) twee maanden later op 16 juni 2025 schriftelijk op het voorstel van mr. L gereageerd. Hoewel begrijpelijk is dat klaagster liever had gezien dat verweerster sneller had gereageerd op de brief van 11 april 2025, heeft verweerster duidelijk gemaakt waarom haar reactie langer op zich had laten wachten en heeft zij de advocaat van klaagster hierover tijdig geïnformeerd. Als klaagster eerder een reactie had willen hebben, dan had zij haar advocaat kunnen verzoeken om een rappél te sturen. Niet gebleken is dat dat is gebeurd. 
4.5    Voor zover klaagster stelt dat haar ex-partner zich aan de afspraken over de afwikkeling van de samenleving in de samenlevingsovereenkomst moet houden, heeft verweerster onderbouwd toegelicht dat over de uitleg van de samenlevingsovereenkomst en de bedoeling van partijen daarbij een juridische discussie bestond en terecht betoogd dat het haar cliënt vrijstond om niet in te stemmen met het voorstel van klaagster nu hij een andere uitleg gaf aan de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst. De voorzitter kan daaraan niet de gevolgtrekking verbinden dat verweerster de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst heeft verhinderd dan wel heeft vertraagd. Ook anderszins is de voorzitter van dergelijk handelen niet gebleken. Daarmee is klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond.     
Klachtonderdeel b) 
4.6    Klaagster stelt dat verweerster haar tijdens een telefonisch overleg met haar advocaat, een crimineel heeft genoemd. Deze uitlating is feitelijk onjuist, grievend en schaadt haar reputatie. Verweerster heeft zich hiermee bovendien niet onafhankelijk en professioneel opgesteld en zich te met haar cliënt vereenzelvigd. Ook als het gaat om een beschuldiging van haar ex-partner, door verweerster verwoord, had verweerster de beschuldiging niet op deze manier mogen uiten. 
4.7    De voorzitter overweegt als volgt. Verweerster betwist uitdrukkelijk dat zij klaagster tijdens een telefonisch overleg met de advocaat van klaagster crimineel zou hebben genoemd. Nu ook in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van dit verwijt, kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerster deze uitlating heeft gedaan. Voor zover klaagster stelt dat verweerster tijdens het gesprek deze beschuldiging namens haar cliënt heeft verwoord en zich hiermee te veel met haar cliënt heeft vereenzelvigd, kan de voorzitter dat evenmin vaststellen. Klachtonderdeel b) is dan ook eveneens kennelijk ongegrond. 
4.8    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026. 

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026