ECLI:NL:TADRAMS:2026:26 Raad van Discipline Amsterdam 25-899/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:26
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 16-02-2026
Zaaknummer(s): 25-899/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij. Van het bewust verschaffen van onjuiste informatie of van grievende uitlatingen is geen sprake.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 2 februari 2026
in de zaak 25-899/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 23 december 2025 met kenmerk 2492557/JS/MV, door de raad ontvangen op 23 december 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    International Card Services B.V. (ICS) geeft creditcards uit. Klager heeft op 4 maart 2025 bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) een klacht over ICS ingediend. De klacht betreft de afwijzing van een door klager bij ICS aangevraagde chargeback (restitutie van een aankoopbedrag). 
1.2    Verweerster heeft ICS in deze klachtprocedure als advocaat bijgestaan en heeft op 8 mei 2025 namens haar cliënte (ICS) een verweerschrift ingediend. Hierin is in de inleidende- en de slotparagraaf het volgende opgenomen: 
“1. INLEIDING
(. ..)
3. Ik zal de relevante feiten en het verweer tegen de klacht hieronder nader toelichten. De verzoeken uit de brief van uw Commissie van 25 maart 2025 worden tevens beantwoord. Nu reeds verwijs ik naar paragraaf 4.3. Hieronder volgt weliswaar het verweer op de specifieke klacht, maar onderzoek van ICS heeft uitgewezen dat deze zaak niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar moet worden bezien in een bredere context waarin ICS onmiskenbaar een patroon van grootschalige fraude herkent. (…).
TOT BESLUIT
31. [Naam webshop] heeft ICS overtuigend bewijs getoond dat de MacBook is geleverd. Daarmee resteert een geschil tussen [klager] en [naam webshop], waar ICS buiten staat. [Naam webshop] heeft [klager] aangeboden het aankoopbedrag terug te betalen door storting op de bankrekening (die tevens gekoppeld is aan de creditcard) waarmee volgens [naam webshop] is betaald. Omdat [klager] dat weigerde, is ICS nu in deze procedure terecht gekomen. Onderzoek van ICS heeft uitgewezen dat deze transactie past in een patroon van (wat ICS betreft) grootschalig frauduleus handelen.”
1.3    Op 11 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
1.4    In juni 2025 heeft ICS naar aanleiding van een onderzoek tegen klager aangifte gedaan van chargebackfraude.  

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij hem in de bij het Kifid aanhangige klachtprocedure heeft beschuldigd van grootschalig frauduleus handelen, terwijl deze kwalificatie feitelijk onjuist en volstrekt ongegrond is.

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2    Klager heeft aan zijn klacht ten grondslag gelegd dat verweerster hem in het verweerschrift ondubbelzinnig beschuldigt van ‘grootschalig frauduleus handelen’. Volgens klager is deze kwalificatie niet alleen feitelijk onjuist en volstrekt ongegrond, maar tevens nodeloos grievend en een flagrante overschrijding van de grenzen van zorgvuldigheid, professionaliteit en integriteit die van een advocaat verwacht mogen worden. De beschuldiging is niet gebaseerd op concrete feiten of enig objectief bewijs, maar berust louter op suggestieve framing en een eigen interpretatie van het feitencomplex. Volgens klager is van enig serieus of objectief onderzoek naar de gestelde fraude nauwelijks sprake geweest. Klager stelt dat ICS stellingen presenteert als vaststaande feiten zonder ook maar de geringste onderbouwing te geven.
4.3    De voorzitter overweegt het volgende. Anders dan klager stelt, beschuldigt verweerster klager niet zelf van grootschalig frauduleus handelen; zij geeft in haar verweerschrift slechts het partijdig standpunt van haar cliënte weer en dat is ook haar taak als advocaat van ICS. Verweerster beschrijft in het verweerschrift dat onderzoek van haar cliënte heeft uitgewezen dat de transactie (van klager) past in een patroon van (wat ICS betreft) grootschalig frauduleus handelen. Zoals volgt uit het in r.o. 4.1 weergegeven toetsingskader mocht verweerster zich hierbij baseren op het door haar cliënte verschafte feitenmateriaal. Verweerster heeft daarbij voldoende gemotiveerd dat zij geen reden had om de bevindingen van ICS in twijfel te trekken, omdat ICS haar gehele klantenbestand had onderzocht en klager daarbij was opgevallen, zodat van het bewust verschaffen van onjuiste informatie door verweerster geen sprake is geweest. Ook heeft ICS haar aangifte in juni 2025 op dezelfde feiten uit het onderzoek gebaseerd, waarbij het patroon van handelen van klager ook bij andere partijen/bedrijven is opgevallen. Van een beschuldiging van klager zonder enig objectief bewijs is de voorzitter, anders dan klager stelt, niet gebleken. Daarbij merkt de voorzitter nog op dat de vraag of het standpunt van ICS inhoudelijk juist is in onderhavige klachtprocedure niet ter toetsing voorligt. Die vraag moet in het onderliggende geschil beantwoord worden.   
4.4    Hoewel klager wellicht onaangenaam getroffen is door het standpunt dat namens ICS is ingenomen en waarbij klager in verband wordt gebracht met grootschalig frauduleus handelen, kwalificeert deze stelling binnen de context van het onderliggende geschil niet als onnodig grievend. Daarvan is pas sprake als de grievende bewoordingen (bijvoorbeeld) in redelijkheid geen bijdrage kunnen leveren aan het debat waarbinnen de bewoordingen zijn gebruikt (zie onder meer Hof van Discipline, 19 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:91). Dat is de voorzitter niet gebleken. Verweerster heeft onderbouwd toegelicht dat het in het belang van haar cliënte (ICS) was om in het verweerschrift de context te schetsen waarbinnen de klacht specifiek moest worden bezien om tot een juist oordeel over de klacht te komen. Deze handelwijze stond verweerster vrij en daarmee heeft verweerster de belangen van klager niet nodeloos of op ontoelaatbare wijze geschaad. 
4.5    Ook verder is het de voorzitter niet gebleken dat verweerster de grenzen van het betamelijke heeft overschreden, zodat de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond zal verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026. 

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026