ECLI:NL:TADRAMS:2026:24 Raad van Discipline Amsterdam 25-901/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:24
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 16-02-2026
Zaaknummer(s): 25-901/A/A
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g, eerste lid en onder a, van de Advocatenwet vanwege een niet verschoonbare termijnoverschrijding van drie jaar.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 2 februari 2026
in de zaak 25-901/A/A 
naar aanleiding van de klacht van:


klager

over:

verweerder 


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 23 december 2025 met kenmerk 2485037/ER/KV, door de raad ontvangen op 23 december 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Het kantoor van verweerder staat al geruime tijd een notaris (hierna: de notaris) bij in een geschil over de verkoop van 1.600.000 certificaten van aandelen in 2014 tussen bedrijf I en bedrijf II. Deze transactie werd begeleid door de notaris. Klager is een familielid van de aandeelhouders van bedrijf I.   
1.2    Op 5 januari 2022 heeft mr. I (een kantoorgenoot van verweerder) een e-mail gestuurd aan klager, met verweerder in kopie, waarin hij onder meer schrijft: 
“Tot mij wendde zich [de notaris] die door mijn kantoor wordt bijgestaan in de onderhavige zaak. Wij zijn gevraagd het contact met u over te nemen en ik verzoek u zodoende verdere correspondentie in dit dossier voortaan (uitsluitend) aan [verweerder] en mij te richten. 
Naar aanleiding van uw onderstaande bericht kan ik u bevestigen dat u morgen per e-mail een rekeningafschrift van ons zult ontvangen. Een ongenodigd bezoek aan het kantooradres van de notaris zal niet nodig zijn en wordt bovendien niet op prijs gesteld.” 
1.3    Op 6 januari 2022 heeft mr. I een e-mail gestuurd aan klager, met verweerder in kopie, met twee bijlagen en onder meer de volgende inhoud: 
“Zoals aangekondigd gaat hierbij het meest recente rekeningafschrift van 10 november 2021 tot heden.”
1.4    Op 13 januari 2022 heeft mr. I een e-mailbericht gestuurd aan klager, met verweerder in kopie, met twee bijlagen en de volgende inhoud, voor zover relevant: 
“In navolging van het bericht van 11 november 2021 van [de notaris] wordt voor de volledigheid bevestigd dat de op 8 juli en 4 november jl. gelegde executoriale beslagen beide conform wettelijk voorschrift zijn afgewikkeld doordat de verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder zijn afgegeven (art. 477 Wetboek van Rechtsvordering).
Hierdoor resteert thans nog één conservatoir beslag dat aan uitbetaling van de koopsom in de weg staat, te weten het beslag van [naam van een bedrijf] van 17 december 2020. U wordt hiermee bekend verondersteld, waarbij ik voor de volledigheid de relevante stukken (nogmaals) aanhecht. Het is mogelijk dat deze beslaglegger andersoortige zekerheid zal accepteren en daarbij vrijwillig tot opheffing van dit conservatoire beslag zal overgaan. In dat geval is de weg vrij om tot uitbetaling van de gelden over te gaan. U kunt zich daarover met hem verstaan. 
Voor de goede orde wijs ik u erop dat langer verblijf van de gelden onder de notaris ertoe leidt dat langer negatieve rente in rekening gebracht zal (moeten) worden.”
1.5    Op 4 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij in januari 2022 vertrouwelijke notariële documenten en tevens een rekeningafschrift van een Rabo derdengeldenrekening aan klager heeft doen toekomen. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Maatstaf 
4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 
Beoordeling klacht
4.2    De klacht van klager heeft betrekking op e-mails die hij in januari 2022 heeft ontvangen. Niet gesteld of gebleken is dat klager pas op een later moment kennis heeft kunnen nemen van deze e-mails. Klager heeft hierover in het dekenonderzoek zelf op 19 april 2025 geschreven dat mr. V (een kantoorgenoot van verweerder) eind februari 2025 een pakket stuurde naar zijn zwager en dat hij zich toen de e-mails herinnerde van januari 2022 waarin verweerder, volgens klager, geheime notariële documenten aan hem had gestuurd. Wat er ook zij van de juistheid van dit verwijt - de e-mails in kwestie zijn niet door verweerder, maar door zijn kantoorgenoot mr. I gestuurd - geldt, dat door hierover pas in april 2025 te klagen, de driejaarstermijn uit artikel 46g, eerste lid en onder a, van de Advocatenwet is overschreden. De uitzondering uit het tweede lid is niet van toepassing. Daarmee is de klacht niet-ontvankelijk.   

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46g, eerste lid en onder a, van de Advocatenwet, niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026. 

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026