ECLI:NL:TADRAMS:2026:23 Raad van Discipline Amsterdam 25-528/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:23
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 16-02-2026
Zaaknummer(s): 25-528/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Artikel 60 ab Advocatenwet
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Hoewel verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klagers 2 tot en met 8 rechtstreeks aan te schrijven, terwijl hij redelijkerwijs had kunnen weten dat klagers 2 tot en met 8 werden bijgestaan door een advocaat, klager 1, ziet de raad in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. Verweerder heeft zowel in zijn schriftelijke verweer als ter zitting erkend dat hij de brief achteraf gezien eerst alleen aan klager 1 had moeten sturen om op dit punt navraag te doen. Verder weegt de raad mee dat beide partijen in hun geschillen over en weer stevige bewoordingen gebruiken en beschuldigingen uiten die de onderlinge verhoudingen alleen maar meer op scherp zetten. De beide advocaten, klager 1 en verweerder, lijken daarbij niet in staat om een professionelere en zakelijkere toon aan te slaan. Wanneer de een ervoor kiest om ferme taal te gebruiken, kan het de ander tuchtrechtelijk niet worden verweten wanneer hij dezelfde keuze maakt. De aard en ernst van de verwijtbaarheid van verweerder rechtvaardigen in dit geval dan ook geen maatregel. Gegrond zonder maatregel.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 2 februari 2026
in de zaak 25-528/A/A 
naar aanleiding van de klacht van:
 
1. klager 1
2. klaagster 2
3. klaagster 3
4. klaagster 4
5. klaagster 5 
6. klager 6
7. klager 7
8. klager 8
hierna samen ook: klagers
gemachtigde: klager 1

over

verweerder
gemachtigde: mr. L.H. Rammeloo
 
1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 3 oktober 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 6 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2381016/JS/KV van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is gelijktijdig behandeld met de klacht in zaak 25-527/A/A op de zitting van de raad van 1 december 2025. In klachtzaak 25-528/A/A waren klagers, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen van de namens verweerder op 21 augustus 2025 nagezonden stukken.
1.5    In zaak 25-527/A/A heeft de raad in een aparte beslissing van dezelfde datum op de klacht beslist.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster 2, onderdeel van klaagster 4, is een mediabureau. Bedrijf M is ook actief in de mediawereld. Enig aandeelhouder van bedrijf M. is X Holding. Mevrouw Y is enig aandeelhouder en bestuurder van X Holding.
2.3    Klaagster 2 heeft bedrijf M jarenlang diensten verleend op het gebied van mobiele applicaties. 
2.4    In 2023 hebben klaagster 2, klaagster 4 en bedrijf M een opdrachtovereenkomst met elkaar gesloten. Op 10 april 2024 heeft klaagster 2 deze overeenkomst beëindigd. In het geschil dat vervolgens is ontstaan, heeft mr. K. de belangen van bedrijf M en mevrouw Y behartigd. 
2.5    In juni 2024 is mr. K. namens bedrijf M en mevrouw Y bij de kantonrechter in Amsterdam een procedure gestart tegen klaagster 2 en klaagster 4 waarin het standpunt werd ingenomen dat geen sprake was van een opdrachtovereenkomst maar van een arbeidsovereenkomst en dat de beëindiging daarvan geen stand hield. Klager 1 staat in deze procedure klaagster 2 en klaagster 4 bij. Bedrijf M en mevrouw Y worden vanaf september 2024 in deze procedure bijgestaan door verweerder.
2.6    In zijn verweerschrift van juli 2024 heeft klager 1 onder meer vermeld:
‘Voor alle volledigheid stelt [klaagster 2 ] dat de onmiddellijke beëindiging op 15 mei 2024 gerechtvaardigd is nu [mevrouw Y] door haar handelen reden heeft gegeven om de relatie terstond te beëindigen aangezien zij:
-    Opzettelijk ondanks sommaties de bedrijfsvoering van [klaagster 2] ernstig in gevaar heeft gebracht
-    Ondanks herhaalde sommaties redelijke instructies heeft geweigerd op te volgen
-    Op grovelijke wijze de verplichtingen voortvloeiende uit de relatie heeft geschonden
(…)
[Mevrouw Y] heeft willens en wetens zelfs de bedrijfsvoering van [klaagster 2] ernstige schade toegebracht (…) waarbij ook gesteld dient te worden dat [mevrouw Y] er werkelijk alles aan heeft gedaan om de bedrijfsvoering van [klaagster 2] schade toe te brengen (…)’.
2.7    De kantonrechter heeft bij beschikking van 10 september 2024 geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat de beëindiging een aparte opzegging is, gebaseerd op een ander feitencomplex dan dat van 10 april 2024. 
2.8    Op 19 september 2024 heeft verweerder aan klagers 2 t/m 8 een brief gemaild met klager 1 in cc. De brief heeft als titel: “sommatiebrief aan [klaagster 2] – aangepast”. De onderwerpregel vermeldt “inzake: [X Holding]/[mevrouw Y]”. Verweerder vermeldt in deze brief op te treden voor bedrijf M, X Holding en mevrouw Y en stelt klaagster 2 en haar directe en indirecte bestuurders aansprakelijk. In deze brief heeft verweerder geschreven: 
‘52. Deze zaak is geen incident dat op zichzelf staat, maar één van de overnames door de [klaagster 4] waarbij vals spel wordt gespeeld. Andere gevallen waarin [klaagster 4] overnames doet en vervolgens probeert om aan haar betalingsverplichtingen te ontkomen zijn (…). Er is sprake van een malafide modus operandi.
53. Niet alleen de wijze waarop de [klaagster 4] overnames doet deugt niet, de vraag rijst of de [klaagster 4] geld dat zij zegt te besteden aan mediaexploitanten ook daadwerkelijk besteedt, of in eigen zak steekt.
54. [Klaagster 4] vraagt in de vakpers veel aandacht voor haar overnames. In die vakpers is tot op heden nog geen aandacht besteed aan de malafide wijze waarop [klaagster 4] overnames doet.
(…) 
Omdat deze brief een aansprakelijkstelling is, stuur ik deze brief rechtstreeks. Ik stuur gelijktijdig een kopie aan [klager 1], die [klaagster 2] in deze arbeidsrechtelijke zaak bijstaat.’
 
3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder in strijd heeft gehandeld met gedragsregels 7 (onnodig grievende uitlatingen) en 25 (rechtstreeks benaderen wederpartij). Verder heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende: 
a)    verweerder heeft klagers 2 tot en met 8 op 19 september 2024 rechtstreeks aangeschreven, terwijl hij wist dan wel had moeten weten dat klagers werden bijgestaan door een advocaat (klager 1); 
b)    verweerder heeft zich in zijn brief van 19 september 2024 onnodig grievend uitgelaten over klagers en zich schuldig gemaakt aan smaad en laster.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het verweer wordt hierna ingekort weergegeven.
Verweerder merkt op dat hij niet wist of klager 1 klaagster 2 ook bijstond in het ‘bredere geschil’ en evenmin of klager 1 haar (in)directe bestuurders eveneens bijstond. Volgens verweerder wilde hij in het belang van zijn cliënten geen tijd verspillen met het navragen of klager 1 ook in deze kwestie voor alle geadresseerden optrad. Daarbij voert verweerder aan dat hij meende dat de brief een aanzegging met rechtsgevolg betrof in de zin van gedragsregel 25, maar realiseert hij zich inmiddels dat zijn brief mogelijk niet in lijn is met de huidige uitleg van deze gedragsregel. Verweerder merkt op dat het beter zou zijn geweest wanneer hij de brief aan alleen klager 1 had gezonden met het verzoek aan te geven wanneer hij een of meer van de geadresseerden niet bijstond. Onder verwijzing naar de penibele situatie van zijn cliënten en de grote belangen die in die kwestie spelen meent verweerder evenwel dat zijn handelwijze niet gekwalificeerd kan worden als onbetamelijk in de zin van artikel 46 Advocatenwet.
Verder voert verweerder aan dat het namens zijn cliënten in zijn brief van 19 september 2024 verwoorde standpunt dat klaagster 2 c.s. op malafide wijze zaken doen gefundeerd is, waarbij hij is afgegaan op de informatie die zijn cliënten hebben verstrekt. Volgens verweerder stond het hem vrij om dat standpunt in zijn brief te verwoorden en heeft hij daarbij de grenzen van de hem toekomende vrijheid niet overschreden. Van onnodig grievende uitlatingen is volgens verweerder geen sprake, omdat de uitlatingen berustten op geverifieerde feitelijke stellingen van zijn cliënten en tot doel hadden om het standpunt van zijn cliënten onder woorden te brengen.
4.2    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetst aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.  
5.3    In gedragsregel 25 lid 1 is bepaald dat de advocaat zich met een partij betreffende een aangelegenheid, waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet anders in verbinding stelt dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. 
Op grond van lid 2 van deze gedragsregel mag de advocaat die een aanzegging met rechtsgevolg doet, dat rechtstreeks aan een partij doen, mits met gelijktijdige verzending van een afschrift aan diens advocaat en op voorwaarde dat de mededeling aan een partij beperkt blijft tot deze aanzegging met rechtsgevolg. Indien de advocaat het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door zijn brief alleen aan de advocaat van een partij te zenden, geldt voormelde uitzondering niet. 
Klachtonderdeel a) is gegrond
5.4    De raad is van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klagers 2 tot en met 8 rechtstreeks aan te schrijven, terwijl hij redelijkerwijs had kunnen weten dat klagers 2 tot en met 8 werden bijgestaan door een advocaat, klager 1. Voorafgaand aan de verzending van de brief van 19 september 2024 had verweerder bij klager 1 immers moeten informeren of hij klagers 2 tot en met 8 bijstond, zeker nu klagers 2 tot en met 8 in de procedure bij de kantonrechter ook door klager 1 werden bijgestaan.  Uit het verweer blijkt dat verweerder zich dit inmiddels, achteraf, ook realiseert. Het is de raad niet gebleken dat de situatie van de cliënten van verweerder aanleiding gaf voor zodanige spoed dat hij niet eerst contact met klager 1 had kunnen opnemen voordat hij zijn brief verstuurde. Klachtonderdeel a) is dan ook gegrond.

Klachtonderdeel b) is gedeeltelijk niet-ontvankelijk en verder ongegrond
5.5    De raad stelt voorop dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. De brief van 19 september 2024 is primair gericht aan klagers 2 tot en met 8 en daarin stelt verweerder klaagster 2 en haar directe en indirecte bestuurders aansprakelijk. Verder blijkt dat de uitlatingen die verweerder in zijn brief doet gaan over de handelwijze van klaagster 4. Dit betekent dat alleen klagers 2 tot en met 8 door de gedane uitlatingen een rechtstreeks eigen belang hebben om daarover te klagen. Klager 1 heeft, als advocaat van klagers 2 tot en met 8, geen rechtstreeks eigen belang bij het verwijt over de uitlatingen van verweerder. Klachtonderdeel b) is dan ook niet-ontvankelijk voor zover mede ingediend door klager 1.
5.6    De raad is van oordeel dat van onnodig grievende uitlatingen aan het adres van klagers 2 tot en met 8 geen sprake is. De woordkeuze van verweerder, zoals geciteerd in 2.8, had zakelijker en professioneler gekund, maar past binnen de context van het geschil tussen partijen en is een reactie op standpunten die klager 1 namens zijn cliënten heeft ingenomen over de handelwijze van de cliënten van verweerder. Daarbij zijn, voorafgaand aan de brief van 19 september 2024, in processtukken en correspondentie over en weer stevige bewoordingen gebruikt en beschuldigingen geuit. Zo heeft klager 1 zich in zijn verweerschrift van juli 2024 ook zeer stevig uitgelaten over een van de cliënten van verweerder. In dat licht bezien is de stevige toonzetting van de brief van 19 september 2024 begrijpelijk, ook vanwege het onderzoek dat verweerder daaraan voorafgaand heeft verricht. De raad heeft geen reden om eraan te twijfelen dat verweerder het door hem gestelde onderzoek heeft verricht naar aanleiding van de ernstige aantijgingen van zijn cliënten over de cliënten van klager 1. De raad begrijpt dat klagers 2 tot en met 8 aanstoot nemen aan de uitlatingen van verweerder in de brief van 19 september 2024, maar van klachtwaardige opmerkingen is in dit geval geen sprake. Klachtonderdeel b) is in zoverre dan ook ongegrond.

6    MAATREGEL
6.1    Hoewel verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klagers 2 tot en met 8 rechtstreeks aan te schrijven, terwijl hij redelijkerwijs had kunnen weten dat klagers 2 tot en met 8 werden bijgestaan door een advocaat, klager 1, ziet de raad in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. Verweerder heeft zowel in zijn schriftelijke verweer als ter zitting erkend dat hij de brief achteraf gezien eerst alleen aan klager 1 had moeten sturen om op dit punt navraag te doen. Verder weegt de raad mee dat beide partijen in hun geschillen over en weer stevige bewoordingen gebruiken en beschuldigingen uiten die de onderlinge verhoudingen alleen maar meer op scherp zetten. De beide advocaten, klager 1 en verweerder, lijken daarbij niet in staat om een professionelere en zakelijkere toon aan te slaan. Wanneer de een ervoor kiest om ferme taal te gebruiken, kan het de ander tuchtrechtelijk niet worden verweten wanneer hij dezelfde keuze maakt. De aard en ernst van de verwijtbaarheid van verweerder rechtvaardigen in dit geval dan ook geen maatregel. 

7    GRIFFIERECHT
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers dienen daartoe binnen twee weken na de datum van deze beslissing een rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven.

BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) voor zover mede ingediend door klager 1 niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd.
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en D.V.A. Brouwer, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 
 2 februari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026