ECLI:NL:TADRAMS:2026:22 Raad van Discipline Amsterdam 25-527/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:22 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 16-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-527/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Van onnodig grievende uitlatingen is geen sprake. De woordkeuze van verweerder past in de context van het geschil tussen partijen en is een reactie op standpunten die door en/of namens klaagster 2 zijn ingenomen over de cliënten van verweerder. Daarbij worden in processtukken en correspondentie over en weer stevige bewoordingen gebruikt en beschuldigingen geuit. Ook geen sprake van mededelingen over onderhandelingen. Aan de rechter mag worden meegedeeld dat schikkingsonderhandelingen zijn gevoerd zolang maar niets over de inhoud daarvan wordt gezegd. Klager 1 en verweerder hebben door hun opstelling ten opzichte van elkaar de toon gezet voor hun onderlinge verhoudingen en daarmee ook voor het geschil tussen hun cliënten. Geen van tweeën lijkt in staat te zijn daaroverheen te stappen. Klacht is in alle onderdelen ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 2 februari 2026
in de zaak 25-527/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
1. klager 1
2. klaagster 2
3. klaagster 3
hierna samen ook: klagers
gemachtigde: klager 1
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 11 december 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 6 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2394104/JS/KV
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is gelijktijdig behandeld met de klacht in zaak 25-528/A/A op de
zitting van de raad van 1 december 2025. In klachtzaak 25-527/A/A waren klagers en
verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
1.5 In zaak 25-528/A/A heeft de raad vandaag in een aparte beslissing op de klacht
beslist.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Bedrijf A, onderdeel van C. Group, is een mediabureau. Bedrijf M is ook actief
in de mediawereld. Enig aandeelhouder van bedrijf M. is klaagster 3. Klaagster 2 is
enig aandeelhouder en bestuurder van klaagster 3.
2.3 Bedrijf A heeft bedrijf M jarenlang diensten verleend op het gebied van mobiele
applicaties.
2.4 In 2023 hebben bedrijf A, C Group en klaagster 3 een opdrachtovereenkomst
met elkaar gesloten. Op 10 april 2024 heeft bedrijf A deze overeenkomst beëindigd.
In het geschil dat vervolgens is ontstaan, heeft mr. K. de belangen van klaagsters
2 en 3 behartigd.
2.5 In juni 2024 is mr. K. namens klaagsters 2 en 3 bij de kantonrechter in Amsterdam
een procedure gestart tegen bedrijf A en C Group waarin het standpunt werd ingenomen
dat geen sprake was van een opdrachtovereenkomst maar van een arbeidsovereenkomst
en dat de beëindiging daarvan geen stand hield. Verweerder staat in deze procedure
bedrijf A en de C. Group bij. Klaagsters 2 en 3 worden vanaf september 2024 in deze
procedure bijgestaan door klager 1.
2.6 In zijn verweerschrift van juli 2024 heeft verweerder onder meer vermeld:
‘Voor alle volledigheid stelt [bedrijf A] dat de onmiddellijke beëindiging op 15
mei 2024 gerechtvaardigd is nu [klaagster 2] door haar handelen reden heeft gegeven
om de relatie terstond te beëindigen aangezien zij:
- Opzettelijk ondanks sommaties de bedrijfsvoering van [bedrijf A] ernstig in
gevaar heeft gebracht
- Ondanks herhaalde sommaties redelijke instructies heeft geweigerd op te volgen
- Op grovelijke wijze de verplichtingen voortvloeiende uit de relatie heeft geschonden
(…)
[Klaagster 2] heeft willens en wetens zelfs de bedrijfsvoering van [bedrijf A] ernstige
schade toegebracht (…) waarbij ook gesteld dient te worden dat [klaagster 2] er werkelijk
alles aan heeft gedaan om de bedrijfsvoering van [bedrijf A] schade toe te brengen
(…)’
2.7 Op 10 september 2024 heeft de rechtbank een tussenbeschikking gewezen waarbij
is geoordeeld dat de overeenkomst tussen partijen een arbeidsovereenkomst is en dat
de beëindiging een aparte opzegging is gebaseerd op een ander feitencomplex dan dat
van 10 april 2024.
2.8 Op 19 september 2024 heeft klager 1 namens zijn cliënten een aansprakelijkstelling
aan de cliënten van verweerder gestuurd. Hierover heeft verweerder mede namens zijn
cliënten op 3 oktober 2024 een klacht ingediend over klager 1 (klachtzaak 25-528/A/A).
2.9 Op 1 november 2024 heeft klager 1 namens zijn cliënten een akte genomen.
2.10 Op 6 november 2024 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend,
waarin is vermeld:
‘4. [Bedrijf A] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat, nu [klaagster 2] wist
dat haar voorstelling van zaken tijdens de totstandkoming van de overeenkomst als
gedaan jegens [C Group]/[bedrijf A] en waarop de overeenkomst gebaseerd is, onjuist
was en door haar geprognotiseerde omzetten niet gehaald zouden worden, bewust op een
escalatie heeft aangestuurd om op die wijze alsnog gelden te verkrijgen.
5. In ieder geval is duidelijk in de visie van [bedrijf A] dat [klaagster 2] nietsontziend
te werk gaat waarbij zij haar acties overgiet met een gepretendeerde saus van onwetendheid,
welwillendheid en het beste voor hebben met [bedrijf A] waarbij zij echter niet schroomt
om een medewerker van [bedrijf A] die haar aanstuurt bewust in een kwaad daglicht
te stellen en valselijk te beschuldigen van onder meer racisme, het onderdeel dat
bij [bedrijf A] is onder gebracht bewust schade berokkent en pas na een vonnis en
de dreiging van dwangsommen dit wenst op te lossen, facturen onbetaald laat en recentelijk
na het valselijk beschuldigen van de medewerker ook [C Group]/[bedrijf A] zelf en
haar bestuurders in een kwaad daglicht stelt waarbij haar handelingen zelfs kenmerken
lijken te hebben van afdreiging (zie hierna).
(…)
33. Resumerend kan gesteld worden dat de intimiderende handelwijze van [klager 1]
waarbij zijn handelen zelfs kenmerken lijkt te hebben van afdreiging, een strafbaar
feit, volledig toegerekend kan worden aan [klaagster 2] als de client van [klager
1].
Blijkbaar heiligt in de visie van [bedrijf A] het doel voor [klaagster 2] alle middelen
waar zij gebruik van wenst te maken en kent zij geen enkele schroom om het door haar
beoogde doel te bereiken.”
2.11 Op 13 november 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. Verweerder heeft in
zijn pleitaantekeningen vermeld:
‘Het is nu dus duidelijk dat [klaagster 2] ook over de totstandkoming van de overeenkomst
niet schroomt de waarheid geweld aan te doen.
(…)
En op dat moment laat [klaagster 2] in optiek van [bedrijf A] haar ware gezicht
zien. (…) Dit nietsontziende gedrag heeft maar 1 doel: (…).
6. Het ware gezicht van [klaagster 2] wordt al getoond tijdens het gesprek, zie
de uitwerking daarvan. (…)
8. (…) Een en ander is volstrekt te kwader trouw. (…) Ook hier blijkt weer van de
kwade trouw en gedraai.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder in strijd heeft
gehandeld met gedragsregels 5 (minnelijke oplossing), 6 (doelmatigheid), 7 (onnodig
grievende uitlatingen), 8 (onjuiste informatie), 24 (onderlinge verhoudingen) en 27
(schikkingsonderhandelingen). Verder heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Daarbij noemen klagers ook de kernwaarde
integriteit als bedoeld in artikel 10a Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder
het volgende:
a) verweerder heeft het tuchtrecht op oneigenlijke gronden ingezet door klager
1 en klaagster 2 te intimideren, te pogen de rechtsbijstand door klager 1 aan klaagster
2 te bemoeilijken, klager 1 zwart te maken ten overstaan van de kantonrechter en klaagster
2 onderdeel te maken van de tuchtklacht tegen klager 1 door te stellen dat vermeend
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen aan klaagster 2 toegerekend zou moeten worden;
b) verweerder heeft zich in zijn verweerschrift, zijn aanvullend verweerschrift
en in zijn pleitnotities van de zitting van 13 november 2024 onnodig grievend uitgelaten
over klaagster 2 door haar te beschuldigen van een strafbaar feit;
c) verweerder heeft tijdens de zitting van 13 november 2024 aan de kantonrechter
mededelingen gedaan over schikkingsonderhandelingen die bovendien ook nog onjuist
waren. Verweerder heeft vermeld dat partijen er praktisch uit waren, totdat klager
1 ten tonele kwam en een schikking niet meer mogelijk bleek;
d) verweerder heeft de zaak laten escaleren, heeft zich onvoldoende ingezet om
tot een regeling in der minne te komen en heeft niet gestreefd naar een onderlinge
verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Het verweer wordt hierna ingekort weergegeven.
Verweerder merkt op dat hij het tuchtrecht vanwege het handelen van klager 1 volkomen
terecht heeft ingezet en dat klager 1 kritisch naar zijn eigen handelen moet kijken.
Volgens verweerder moeten de aansprakelijkstelling van 19 september 2024, de akte
van 1 november 2024 en de pleitaantekeningen ook aan klaagster 2 worden toegerekend,
omdat zij als cliënte van klager 1 op de hoogte zijn geweest van de inhoud van deze
stukken en zij hier geen afstand van heeft genomen. Verder merkt verweerder op dat
zijn opmerking over de aanwezigheid van klager 1 op de zitting van 13 november 2024
een puur persoonlijke constatering is.
Daarnaast merkt verweerder op zijn opmerkingen over klaagster 2 feitelijk juist
zijn en niet onnodig grievend. Daarbij wijst verweerder op de grote mate van vrijheid
die hij als advocaat heeft om de belangen van zijn cliënten te behartigen.
Verder voert verweerder aan hij tijdens de mondelinge behandeling het door klager
1 gecreëerde beeld heeft willen ontkrachten door te stellen dat partijen wel degelijk
hadden onderhandeld en zelfs een heel eind waren gekomen. Volgens verweerder heeft
hij over de inhoud van de onderhandelingen met mr. K. en over het aan klager 1 gedane
voorstel niets gezegd.
Tot slot merkt verweerder op dat de zaken zijn geëscaleerd doordat klaagster 2 de
bedrijfsvoering van bedrijf M heeft geblokkeerd en doordat klager 1 de aansprakelijkstelling
van 19 september 2024 heeft gestuurd.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over
een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetst
aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals
omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen wel van belang zijn, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.3 De raad merkt vooraf nog op dat uit de overgelegde stukken en de ter zitting
afgelegde verklaringen blijkt dat partijen en hun advocaten de onderlinge geschillen
via het tuchtrecht proberen uit te vechten door over en weer klachten over elkaar
en elkaars advocaten in te dienen, maar daar is het tuchtrecht niet voor bedoeld.
Klachtonderdeel a) is ongegrond
5.4 De raad is van oordeel dat van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid geen sprake
is. Door op de zitting bij de kantonrechter een opmerking te maken over de over klager
1 ingediende klacht heeft verweerder de grenzen van het betamelijke niet overschreden.
Deze opmerking past binnen de context van de verre van optimale verhoudingen tussen
partijen en hun advocaten als gevolg van het geschil dat na de beëindiging van de
overeenkomst is ontstaan. Ook de opmerkingen in het aanvullend verweerschrift van
verweerder over de handelwijze van klager 1 en klaagster 2 en 3 zijn naar objectieve
maatstaven niet klachtwaardig. De bewuste opmerkingen zijn weliswaar scherp geformuleerd
en, ten aanzien van de opmerking dat het handelen van verweerder kenmerken lijkt te
hebben van afdreiging, op het randje van hetgeen van een betamelijk handelende advocaat
mag worden verwacht, maar passend binnen het hoog opgelopen geschil tussen partijen
waarin van beide kanten ferme taal wordt gebruikt om standpunten naar voren te brengen.
Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b) is gedeeltelijk niet-ontvankelijk en verder ongegrond
5.5 De raad stelt voorop dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het
handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen,
het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet.
Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken
het recht om te klagen. De door verweerder gedane uitlatingen over klaagster 2 in
zijn verweerschrift, zijn aanvullend verweerschrift en in zijn pleitnotities gaan
over en zijn gericht aan klaagster 2. Dit betekent dat alleen klaagster 2 door de
gedane uitlatingen een rechtstreeks eigen belang heeft om daarover te klagen. Klager
1 en klaagster 3 hebben geen dan wel onvoldoende rechtstreeks belang bij het verwijt
over de uitlatingen van verweerder. Klachtonderdeel b) is dan ook niet-ontvankelijk
voor zover mede ingediend door klager 1 en klaagster 3.
5.6 De raad is van oordeel dat van onnodig grievende uitlatingen aan het adres
van klaagster 2 naar objectieve maatstaven geen sprake is. De woordkeuze van verweerder,
zoals geciteerd in 2.6, 2.10 en 2.11, past in de context van het geschil tussen partijen
en is een reactie op standpunten die door en/of namens klaagster 2 zijn ingenomen
over de cliënten van verweerder. Daarbij worden in processtukken en correspondentie
over en weer stevige bewoordingen gebruikt en beschuldigingen geuit. De raad begrijpt
dat klaagster 2 de uitlatingen van verweerder kwetsend vindt, maar van klachtwaardige
opmerkingen is in dit geval geen sprake. Klachtonderdeel b) is in zoverre dan ook
ongegrond.
Klachtonderdeel c) is ongegrond
5.7 De raad kan niet vaststellen of verweerder op de zitting van 13 november
2024 mededelingen heeft gedaan over de inhoud van de schikkingsonderhandelingen tussen
partijen, omdat het proces-verbaal van die zitting niet is overgelegd. De wel overgelegde
stukken, waaronder de verklaringen van klager 1 en zijn kantoorgenoot mr. H. die op
13 november 2024 ook op de zitting aanwezig was, bieden onvoldoende feitelijke onderbouwing
van het verwijt dat klagers verweerder maken, ook omdat verweerder dat verwijt gemotiveerd
heeft betwist. In zijn verweer heeft verweerder opgemerkt dat hij heeft gesteld dat
partijen hebben onderhandeld en daar een heel eind mee zijn gekomen, maar dat is niet
klachtwaardig. Aan de rechter mag immers worden meegedeeld dat schikkingsonderhandelingen
zijn gevoerd zolang maar niets over de inhoud daarvan wordt gezegd. Klachtonderdeel
c) is bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel d) is ongegrond
5.8 De raad stelt vast dat geen van partijen het proces-verbaal van de zitting
van
13 november 2024 heeft overgelegd, zodat een feitelijke vaststelling van de juistheid
van de verwijten die klagers verweerder met klachtonderdeel d) maken niet mogelijk
is. Uit de beschikbare stukken en de ter zitting afgelegde verklaringen komt het beeld
naar voren dat klager 1 en verweerder door hun opstelling ten opzichte van elkaar
de toon hebben gezet voor hun onderlinge verhoudingen en daarmee ook voor het geschil
tussen hun cliënten. Geen van tweeën lijkt in staat te zijn daaroverheen te stappen.
Daarbij merkt de raad op dat een minnelijke regeling veelal de voorkeur verdient boven
een proces maar dat dit geen absolute verplichting is en ter vrije beoordeling aan
de advocaat en zijn cliënt. Klachtonderdeel d) is dan ook ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a), c) en d) ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) niet-ontvankelijk voor zover mede ingediend door
klager 1 en klaagster 3 en voor het overige ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en D.V.A. Brouwer,
leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar
op
2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 februari 2026