ECLI:NL:TADRAMS:2026:21 Raad van Discipline Amsterdam 25-526/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:21 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 16-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-526/A/NH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over een advocaat in een strafzaak. De raad kan op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting door en namens klaagster afgelegde verklaring echter niet vaststellen dat sprake is van een evident en voorzienbaar (potentieel) tegenstrijdig belang of van de overdracht van vertrouwelijke informatie over klaagster door de kantoorgenoot van verweerder aan verweerder. De raad begrijpt dat klaagster dat wel zo heeft ervaren en dat zij er een probleem mee heeft dat de kantoorgenoot van verweerder behalve haar ook twee medeverdachten bijstand heeft verleend op het politiebureau, maar van concrete aanwijzingen dat informatie in het strafdossier terecht is gekomen door het delen daarvan door de kantoorgenoot met verweerder is niet gebleken. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 2 februari 2026
in de zaak 25-526/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. J.L. L’Homme
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
Op 19 januari 2025 en 10 maart 2025 is de klacht aangevuld.
1.2 Op 6 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-002/2439630
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij
was klaagster met haar gemachtigde aanwezig. Verweerder was, met bericht vooraf, niet
aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail van verweerder van 13 november 2025 met daarbij gevoegd een inhoudelijke
reactie op de klacht.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 2 maart 2024 is klaagster met twee andere personen aangehouden op verdenking
van poging tot doodslag in verband met een steekpartij in en rondom de woning van
klaagster. Een kantoorgenoot van verweerder, mr. V., heeft klaagster piketbijstand
verleend en haar bijgestaan bij het eerste verhoor op 3 maart 2024. Mr. V. heeft toen
ook piketbijstand verleend aan twee andere verdachten in dezelfde zaak.
2.3 Na de piketbijstand en het eerste verhoor is klaagster bijgestaan door een
andere advocaat.
2.4 Op 10 april 2024 heeft de politie ook de heer S. aangehouden. Verweerder
heeft de heer S. piketbijstand verleend en hem bijgestaan tijdens het eerste verhoor.
Tijdens dat eerste verhoor heeft de heer S. verklaard:
‘V: Waarom ben jij slachtoffer?
A: Omdat ik hier nu zit en geen ene flikker heb gedaan.
V: Nadat het slachtoffer op de grond viel ben jij op zijn borst gaan zitten en heb
jij een mes tegen de linkerzijde van zijn keel gehouden. Hoe zit dat?
A: Geen commentaar.
V: Wat heb jij toen met het mes gedaan?
A: Geen commentaar.
V: Ik toon je nu een foto van het gezichtsletsel van het slachtoffer, hij heet [naam
slachtoffer]. Wat gaat er nu door je heen?
A. Het komt me niet bekend voor, ik heb er niets mee te maken. Een gezicht bloed
sowieso wel snel. Ik ken die jongen niet. Bloed in het gezicht lijkt gauw ernstig.
0. Getoonde foto wordt als bijlage bij dit verhoor gevoegd.’
2.5 In de vordering tot inbewaringstelling van 11 april 2024 wordt de heer S.
verdacht van een poging om het slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven en/of
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Er is de heer S. op dat moment geen medeplegen
met klaagster ten laste gelegd.
2.6 Op 2 mei 2024 heeft de politie de heer S. opnieuw verhoord. De heer S. heeft
toen verklaard:
‘V. [Klaagster] heeft het volgende verklaard: “[…] is degene die het slachtoffer
heeft aangevallen. Wat is jou reactie hierop?”
A. Naar mijn weten was zij boven.
V. [Klaagster] kent jou dus, ze noemt je namelijk bij naam. Waar ken jij [klaagster]
van?
A. Ik was daar op visite met (…), hij had mij meegenomen. Ik ken haar niet, heb
haar een enkele keer gesproken.
V. Er wordt door o.a ook door [klaagster], de bewoonster van [adres klaagster] verklaard
dat jij boven op [het slachtoffer] zit en er veel bloed te zien is. Vertel eens?
A. Klopt niet.
V. Wat klopt er niet?
A. Dat er bloed is. Ik heb niet eens geslagen.
V. Verder heeft [klaagster] verklaard dat jij tegen het slachtoffer, […], hebt gezegd,
dat hij 50 gram van onbekende jongen had gestolen. Vertel eens?
A. Dat is de aanleiding dat we in worsteling zijn geraakt, en dat ik het huis niet
uit kon.’
2.7 Op 30 september 2024 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland
de voorlopige hechtenis van de heer S. geschorst.
2.8 In reactie op de door klaagster ingediende klacht heeft verweerder op 8 januari
2025 een verweerschrift bij de deken ingediend. Daarin heeft verweerder over klaagster
vermeld:
‘Zij heeft met een groot mes het slachtoffer […] in de borst gestoken.’
2.9 Op 9 januari 2025 heeft verweerder zich aan de zaak van de heer S. onttrokken.
2.10 Op 17 januari 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland de zaak inhoudelijk
behandeld. Voorafgaand aan deze zitting heeft de officier van justitie de tenlastelegging
ten aanzien van de heer S. gewijzigd in mededaderschap.
2.11 Op 31 januari 2025 heeft de rechtbank klaagster in de strafzaak volledig
vrijgesproken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder dat hij gedragsregels 7 en 15 en de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid,
partijdigheid en vertrouwelijkheid heeft geschonden, doordat hij:
a) zonder enig overleg met, dan wel enige vorm van goedkeuring van klaagster,
bijstand heeft verleend aan de medeverdachte van klaagster in een strafzaak (de heer
S.), terwijl zijn kantoorgenoot in dezelfde strafzaak bijstand verleende aan klaagster
en twee andere medeverdachten. Alle verdachten werden verdacht van hetzelfde strafbare
feit, te weten poging tot doodslag op één en dezelfde persoon. Er is gelet hierop
sprake van een tegenstrijdig belang;
b) zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten door in zijn verweer
van 8 januari 2025 in deze klachtzaak als vaststaand feit op te nemen dat klaagster
‘het slachtoffer met een groot mes in de borst heeft gestoken’, terwijl klaagster
dit feit ontkent (en zij inmiddels integraal is vrijgesproken door de rechtbank) en
de cliënt van verweerder dit evenmin heeft beweerd.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder voert verweer tegen de klachtonderdelen en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat hij klaagster
niet kent en haar nooit heeft gezien of gesproken en dat hij haar naam kent uit de
strafzaak van zijn cliënt de heer S. Volgens verweerder heeft zijn kantoorgenoot mr.
V. klaagster alleen op 2 maart 2024 bezocht naar aanleiding van een piketmelding en
dat zij sindsdien door andere advocaten is bijgestaan in het kader van de voorlopige
hechtenis. Volgens verweerder heeft mr. V. ook geen stukken of processen-verbaal in
de zaak van klaagster en is er op hun kantoor ook geen dossier van klaagster.
Verder voert verweerder aan dat geen sprake is van mededaderschap of gecoördineerd
handelen van klaagster en de heer S. Volgens verweerder heeft klaagster het slachtoffer
op 2 maart 2024 met een groot mes in de borst gestoken, maar heeft zijn cliënt daar
niets mee van doen. Van tegenstrijdige belangen is volgens verweerder dan ook geen
sprake. Het is voor verweerder onbegrijpelijk waarom de officier van justitie de dagvaarding
van de heer S. kort voor de behandeling van de zaak heeft gewijzigd in mededaderschap.
Tot slot merkt verweerder in zijn dupliek op dat zijn opmerking over klaagster dat
zij het slachtoffer met een groot mes in de borst heeft gestoken onzorgvuldig is geweest
en verweerder biedt daarvoor zijn excuses aan. Volgens verweerder moet die opmerking
worden verstaan als ‘zij wordt ervan verdacht dat zij het slachtoffer in de borst
heeft gestoken’ en is daar niets grievends mee bedoeld.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over
een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten moet
toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden
zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. Bij deze toetsing is de tuchtrechter
niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter
van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake
is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.2 Verder stelt de raad voorop dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden
tegen een (voormalig) cliënte van de advocaat of van een kantoorgenoot, zoals verwoord
in gedragsregel 15. De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin
zij de kans loopt ten koste van haar (voormalig) cliënte in een belangenconflict te
raken. Daarnaast moet de (voormalig) cliënte er volledig op kunnen vertrouwen dat
gegevens over haar zaak die de (voormalig) cliënte aan de advocaat of zijn kantoorgenoot
ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat
vloeit al voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat.
Ontvankelijkheid klachtonderdeel a)
5.3 Hoewel gedragsregel 15 in de gedragsregels is ingedeeld onder ‘De advocaat
in de verhouding tot de cliënt’ en klaagster op geen moment een cliënte van verweerder
is geweest, is de raad van oordeel dat klachtonderdeel a) toch ontvankelijk is. Klaagster
en de heer S., de cliënt van verweerder, waren immers beiden verdachten in dezelfde
strafzaak en verweerder heeft de heer S. bijgestaan terwijl zijn kantoorgenoot mr.
V. klaagster in de piketfase bijstand heeft verleend. In deze situatie zou eventueel
sprake kunnen zijn van een belangenconflict. De raad zal klachtonderdeel a) hierna
inhoudelijk beoordelen.
Klachtonderdeel a) is ongegrond
5.4 De raad stelt voorop dat advocaten van hetzelfde kantoor meerdere verdachten
in dezelfde strafzaak mogen bijstaan. Daarbij is niet vereist dat de belangen van
deze verdachten volstrekt parallel zijn. Bepalend is of geen sprake is van tegenstrijdige
belangen en van een situatie waarin een tegenstrijdig belang kan ontstaan (HvD 17
januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:14).
5.5 In dit geval is sprake van dezelfde strafzaak waarin verweerder medeverdachte
de heer S. heeft bijgestaan en de kantoorgenoot van verweerder in de piketfase bijstand
aan klaagster heeft verleend. De raad kan op grond van de overgelegde stukken en de
ter zitting door en namens klaagster afgelegde verklaring echter niet vaststellen
dat sprake is van een evident en voorzienbaar (potentieel) tegenstrijdig belang of
van de overdracht van vertrouwelijke informatie over klaagster door de kantoorgenoot
van verweerder aan verweerder. De raad begrijpt dat klaagster dat wel zo heeft ervaren
en dat zij er een probleem mee heeft dat de kantoorgenoot van verweerder behalve haar
ook twee medeverdachten bijstand heeft verleend op het politiebureau, maar van concrete
aanwijzingen dat informatie in het strafdossier terecht is gekomen door het delen
daarvan door de kantoorgenoot mr. V. met verweerder is niet gebleken. Uit de overgelegde
stukken blijkt immers dat zowel klaagster als de heer S. hebben ontkend het strafbare
feit waarvan zij werden verdacht te hebben gepleegd en uit de processen-verbaal van
de verhoren van de heer S. (zie 2.4 en 2.6) blijkt bovendien dat hij niet in het nadeel
van klaagster heeft verklaard en haar ook niet heeft beschuldigd. Het is verder ook
niet gebleken dat mr. V. tijdens de bijstand aan klaagster dossierstukken heeft ontvangen.
Door de heer S. bijstand te verlenen, terwijl zijn kantoorgenoot klaagster tot en
met het eerste verhoor op het politiebureau heeft bijgestaan, heeft verweerder dan
ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b) is ongegrond
5.6 De raad is van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden
gemaakt van zijn opmerking over klaagster in zijn verweer tegen de klacht. Hoewel
de betreffende opmerking van verweerder gelet op de strafzaak tegen klaagster en zijn
cliënt ongelukkig en onhandig is, heeft verweerder dit in zijn dupliek rechtgezet
en heeft hij in dat kader zijn excuses aangeboden. Van een onnodig grievende uitlating
over klaagster is gelet op deze omstandigheden geen sprake. Klachtonderdeel b) is
dan ook ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en D.V.A. Brouwer, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 februari 2026