ECLI:NL:TADRAMS:2026:20 Raad van Discipline Amsterdam 25-436/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:20
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 16-02-2026
Zaaknummer(s): 25-436/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Confraternele correspondentie/schikkingsonderhandelingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in familiekwestie. Hoewel verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de e-mail met daarin een voorstel tot beëindiging van de procedure zonder toestemming van de advocaat van klager aan de rechtbank over te leggen, ziet de raad in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. De raad kan volgen waarom verweerder dat heeft gedaan en waarom hij de inhoud van de e-mail verkeerd heeft ingeschat. De aard en ernst van de beperkte verwijtbaarheid van verweerder rechtvaardigen in dit geval dan ook geen maatregel. Gegrond zonder maatregel.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 2 februari 2026
in de zaak 25-436/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder
gemachtigde: mr. B.D.W. Martens

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 16 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 1 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2383550/JS/FS van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2015. Daarbij waren klager, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerder van 17 november 2025 en van de e-mail met bijlagen van klager van 18 november 2025.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager en zijn ex-partner zijn verwikkeld in een procedure over alimentatie en omgang. Verweerder staat de ex-partner hierin bij. Klager wordt bijgestaan door mr. S. 
2.3    Op 14 mei 2024 heeft mr. S. verweerder gemaild:
‘Afgelopen maandag ben ik na 5 weken weer uit Spanje teruggekeerd. Ik zie tot mijn schrik dat morgen de laatste dag is voor verweer in deze zaak.
Mag ik van u een extra 2 weken voor het verweer? Ik heb morgen met cliënt een overleg gepland.’
2.4    Op 15 mei 2024 om 14:35 uur heeft verweerder mr. S. gemaild: 
‘Cliënte kan niet instemmen met een tweede uitstelverzoek om de navolgende redenen.
In de eerste plaats wenst cliënte de spanningsperikelen rondom deze procedure beperkt te houden. Hoe langer de procedure zal gaan duren, hoe meer zij en de kinderen hieronder (emotioneel) gebukt raken.
In de tweede plaats hebt u reeds in uw eerste uitstelverzoek van 15 april jl. aangegeven op vakantie te gaan, zulks verkerend in de wetenschap dat uw verweertermijn op 15 april zal verstrijken. Het argument van vakantie kan niet telkens worden gebruikt ter rechtvaardiging van een uitstel.”
2.5    Op 15 mei 2024 om 16:02 uur heeft mr. S. verweerder gemaild:
‘Dank voor uw bericht. Uw inzet wordt gewaardeerd.
Overigens vroeg mijnheer mij vanochtend of de procedure ook stopgezet kan worden en alles blijft zoals het is. Omdat de termijn vandaag verstrijkt, hoewel tot de dag voor de zitting verweer kan worden gevoerd, maar ala, heb ik wel een verweerschrift opgesteld.
Als uw cliënte instemt met het stoppen van de procedure vanwege “het gebukt gaan” verneem ik het graag.’
2.6    Op 10 oktober 2024 heeft verweerder namens zijn cliënte aanvullende producties bij de rechtbank ingediend voor de mondelinge behandeling van 21 oktober 2024. Als productie 30 is overgelegd de e-mail van 15 mei 2024 om 16:02 uur van mr. S. aan verweerder. Verweerder heeft hier de volgende toelichting bij vermeld: 
‘Productie 30: E-mail d.d. 15 mei 2024 (16:02) van de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw. Hierin geeft [mr. S.] [verweerder] te kennen dat de man zich afvroeg of de procedure ook stopgezet kan worden en alles blijft zoals het is. In dit kader geeft [mr. S.] [verweerder] nog te kennen dat, indien de vrouw instemt met het stoppen van de procedure vanwege ‘het gebukt gaan’, hij dit graag verneemt. Kennelijk had de man er bij nader inzien en ná ontvangst van het Verweerschrift van de vrouw d.d. 19 maart 2024 geen fiducie (meer) in dat er voor hem enige slagingskans zou bestaan. De vrouw persisteert echter in haar standpunt dat de man nodeloos procedeert en heeft dan ook een proceskostenveroordeling gevorderd.’ 
Als productie 31 heeft verweerder een audiobestand overgelegd. Verweerder heeft hier de volgende toelichting bij vermeld:
‘Productie 31: Audiobestand (geluidsopname) t.a.v. een tussen partijen op 3 september 2024 gevoerd telefoongesprek. In het inleidende verzoekschrift stelt de man dat er zijnerzijds sprake zou zijn van een verslechterde gezondheidstoestand dat kan worden aangemerkt als een wijziging van omstandigheden. Echter, in het audiobestand vanaf 2 minuten 45 seconde vertelt de man aan de vrouw dat het goed gaat met zijn kanker. N.B. het audiobestand verwerkt in een WhatsApp-bericht wordt digitaal via Zivver ingediend, alsook op een USB-stick per gewone post.’
2.7    Op 12 oktober 2024 heeft mr. S. verweerder gemaild:
‘In uw laatste mail aan de rechtbank maakt u gewag van mijn mail aan u, dat niet alleen, u voegt hem bij de stukken.
Daarmee overtreedt u Gedragsregel 27. Mijn mail is immers niet anders te lezen dan een onderhandelingsvoorstel.
Ik sommeer u dan ook de rechtbank te verzoeken, uw brief en bijlage uit het procesdossier te verwijderen, bij gebreke waarvan ik niet zal aarzelen om onmiddellijk een klacht tegen u in te dienen.’
2.8    Op 15 oktober 2024 heeft verweerder mr. S. gemaild:
‘Uw ingenomen standpunt in dier voege dat Gedragsregel 27 zou zijn overtreden, kan ik geenszins volgen.
De tussen ons op 14 en 15 mei jl. gevoerde correspondentie ziet louter toe op het door u gevraagde uitstelverzoek ter indiening van uw Verweerschrift (zie bijlage). Hier heb ik op geantwoord dat cliënte hiermee niet kan instemmen.
Van een onderhandelingsvoorstel is derhalve geen sprake, evenmin van confraternele correspondentie.
Uw e-mail van 15 mei 2024 (16:02) die als productie 30 is ingediend zal op grond van het voorstaande dan ook niet worden ingetrokken.’
2.9    Op 16 oktober 2024 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
2.10    Op 17 oktober 2024 heeft mr. S. in een brief aan de rechtbank namens klager gereageerd op de brief van 10 oktober 2024 aan verweerder: 
‘Vervolgens presenteert de vrouw productie 30 (…).
Door de man wordt deze mail met betreffende tekst gezien als een schikkingsvoorstel en volgens gedragsregel 27 van de Nederlandse orde van Advocaten mag dit niet zonder toestemming als productie worden toegevoegd. Er is geen toestemming gegeven en de man verzoekt de rechtbank om deze productie buiten beschouwing te laten.
Vervolgens concludeert de vrouw dat de man bij nader inzien en ná ontvangst van het Verweerschrift van de vrouw d.d. 19 maart 2024 geen fiducie (meer) in heeft dat er voor hem enige slagingskans zou bestaan.
Deze stellingname is totaal bezijden[…] de waarheid en geeft, volgens de man een inkijkje in de houding van de vrouw ten aanzien van zijn verzoek omtrent actualisering van de kinderalimentatie en een passende zorgregeling voor de jongste twee kinderen.
De vrouw levert op 10-10 ook een geluidsopname aan (productie 31). Ze stelt dat dit een opname is van een telefoongesprek dat gevoerd is op 3 september 2024. Er is hier geen sprake van een telefoongesprek maar van een whatsapp-spraakbericht van de man aan de vrouw in het kader van overdracht van de door hem geleverde zorgperiode. Er is geen toestemming van de man gegeven aan de vrouw voor gebruik van deze informatie.
De uitgeschreven tekst is uitgebreider dan de conclusie van de vrouw dat het goed gaat met “zijn kanker”:
“Even een update: mijn kanker hebben ze gisteren onderzocht: dat is goed. De stem zal waarschijnlijk hetzelfde blijven tenzij ik gewoon veel rust neem. Nou, geur en smaak blijken een andere oorzaak te hebben.”
De vrouw concludeert uit bovenstaande tekst dat er nu geen sprake meer is van een verslechterende gezondheidstoestand van de man dat kan worden aangemerkt als een wijziging van omstandigheden.
In werkelijkheid is er dus aan de vrouw gemeld dat er geen sprake is van remissie van de kanker. Dat er heesheid is en dat deze door rust verminderd kan worden. En dat er sprake is van geur- en smaakproblematiek bij cliënt. De mededeling was bedoeld als achtergrondinformatie omdat de kinderen de dagelijkse extrarustmomenten van de man meemaken, zijn heesheid horen toenemen als de man moe wordt en er geur- en smaakproblematiek aanwezig is dat invloed heeft op o.a. maaltijdbereiding en veiligheid in huis. Het leek de man prettig voor de vrouw dat ze de verhalen van de kinderen over te pittig eten of over het afgaan van het brandalarm op deze manier beter kan plaatsen in verhouding tot de gezondheid van cliënt.
De man is op dit moment nog steeds onder behandeling van een oncoloog, KNO arts, logopedist en sinds 02-10-2024 in behandeling bij het gespecialiseerde geur- en smaakcentrum (ziekenhuis Gelderse Vallei) in Ede. (…) De chronische vermoeidheid als gevolg van het intensieve bestralingstraject is nog steeds actueel.’
2.11    Op 20 oktober 2024 heeft klager zijn klacht over verweerder aangevuld.
 
3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder heeft op 10 oktober 2024 in strijd met gedragsregel 27 de e-mail van 15 mei 2024 van 16:02 uur van mr. S. als productie in de procedure overgelegd. Deze e-mail betrof een onderhandelingsvoorstel en mr. S. is niet om toestemming gevraagd om de e-mail te mogen overleggen; 
b)    verweerder heeft, ondanks het verzoek van mr. S. daartoe op 12 oktober 2024, geweigerd om de e-mail van 15 mei 2024 terug te trekken;
c)    verweerder heeft op 10 oktober 2024 zonder goede reden en zonder toestemming van klager een audiobestand (WhatsApp-spraakbericht van 3 september 2024) met daarin medische informatie over klager in de procedure overgelegd. Verweerder handelt daarmee in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG);
d)    verweerder heeft het WhatsApp-spraakbericht van klager van 3 september 2024 onjuist geïnterpreteerd om de stellingname van klager over zijn verslechterde gezondheid in twijfel te trekken. Het had op de weg van verweerder gelegen om, mits hij daartoe toestemming van klager had gehad, het gehele WhatsApp-spraakbericht uitgeschreven in de procedure over te leggen.
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat geen sprake is geweest van schikkingsonderhandelingen of van een onderhandelingsvoorstel en dat het hem was toegestaan om de e-mail van 15 mei 2024 in het geding te brengen. 
Verder voert verweerder aan dat het Whatsapp-spraakbericht van 3 september 2024 een eenzijdige mededeling is van klager aan de ex-partner waarin hij onder meer bericht over zijn gezondheidstoestand. Volgens verweerder is het spraakbericht vergelijkbaar met een e-mail van klager aan de ex-partner en gaat het hier niet om vertrouwelijke medische gegevens van klager. Van schending van bepalingen van de AVG is dan ook geen sprake. 
4.2    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.  

5    BEOORDELING
Ontvankelijkheid 
5.1    Voordat de raad kan toekomen aan een inhoudelijke behandeling van de klacht moet de raad, gelet op het door verweerder gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid en ook ambtshalve, eerst vaststellen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. Naar het oordeel van de raad is dat het geval. De raad zal dit oordeel hierna toelichten.
5.2    Het klachtrecht is niet in het leven geroepen voor iedereen, maar slechts voor degene die door het handelen of nalaten van een advocaat rechtstreeks in zijn (of haar) belang is of kan worden getroffen. Als in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing nodig is, kan de deken het klachtrecht uitoefenen. De communicatie in de e-mails van 14 en 15 mei 2024 tussen mr. S. en verweerder gaat behalve om het verzoek om uitstel voor de indiening van een verweerschrift ook over de positie van klager in het geschil met zijn ex-partner. Klager heeft dan ook een voldoende eigen rechtstreeks belang bij de verwijten die hij verweerder maakt. De raad zal de klachtonderdelen hierna inhoudelijk beoordelen.  
Toetsingskader
5.3    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Voor zover klager zich beroept op andere (internationale) wet- en regelgeving (zoals de AVG), laat de tuchtrechter deze dan ook buiten beschouwing.
5.4    Deze zaak gaat over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.5    Aanvullend geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
-    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
-    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
-    het verloop van het geschil tot dan toe en
-    de kans op succes van de procedure.
5.6    In gedragsregel 27 is bepaald dat over de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen, aan de rechter aan wiens oordeel of instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen, niets mag worden medegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij.
Klachtonderdelen a) en b) zijn gegrond
5.7    Klachtonderdelen a) en b) gaan over het inbrengen in de procedure van de e-mail die mr. S. op 15 mei 2024 om 16:02 uur aan verweerder heeft gestuurd. De raad zal deze onderdelen daarom gezamenlijk beoordelen.
5.8    De raad is van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de e-mail van 15 mei 2024 van mr. S. op 10 oktober 2024 aan de rechtbank over te leggen in de procedure tussen klager en de ex-partner. Hoewel de e-mail op het eerste gezicht een op zichzelf staande uitlating van mr. S. zonder serieuze bedoelingen lijkt waarop verweerder afwijzend kan reageren, komt de inhoud daarvan in een ander licht te staan door de toelichting die verweerder op 10 oktober 2024 bij deze e-mail aan de rechtbank geeft. In zijn toelichting duidt verweerder immers de (proces)positie van klager in het geschil ten opzichte van de positie van zijn cliënte waaruit kan worden afgeleid dat de uitlating van mr. S. door verweerder wel als voorstel is gezien om de onderhandelingen met de wederpartij te openen over een beëindiging van het geschil. 
Gelet op de context waarin mr. S. zijn e-mail van 15 mei 2024 aan verweerder heeft gestuurd en de duiding die verweerder daar vervolgens aan heeft gegeven richting de rechtbank, is de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de e-mail van mr. S. van 15 mei 2024 op 10 oktober 2024 met de toelichting zonder toestemming van mr. S. aan de rechtbank over te leggen in de procedure tussen klager en de ex-partner en deze niet op verzoek van mr. S. terug te trekken. Klachtonderdelen a) en b) zijn dan ook gegrond.
Klachtonderdelen c) en d) zijn ongegrond
5.9    Klachtonderdelen c) en d) gaan over het WhatsApp-spraakbericht van 3 september 2024. De raad zal deze onderdelen daarom gezamenlijk beoordelen.
5.10    De raad is van oordeel dat het verweerder als advocaat van de wederpartij van klager vrijstond om het WhatsApp-spraakbericht, in het belang van zijn cliënte en zonder de toestemming van klager, in de procedure over te leggen. De inhoud daarvan betreft immers geen vertrouwelijke medische gegevens van klager, maar is beperkt tot een update van diens gezondheidstoestand (zie het geciteerde bericht in 2.10). Verder is het de raad niet gebleken dat verweerder het bewuste spraakbericht onjuist heeft geïnterpreteerd of zodanig heeft ingekort dat hierdoor onjuiste informatie aan de rechtbank is verstrekt. Klachtonderdelen c) en d) zijn dan ook ongegrond.

6    MAATREGEL
6.1    Hoewel verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de e-mail van mr. S. van 15 mei 2024 met daarin een voorstel tot beëindiging van de procedure zonder diens toestemming aan de rechtbank over te leggen, ziet de raad in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. De raad kan volgen waarom verweerder dat heeft gedaan en waarom hij de inhoud van de e-mail van mr. S. van 15 mei 2024 van 16:02 uur verkeerd heeft ingeschat. De aard en ernst van de beperkte verwijtbaarheid van verweerder rechtvaardigen in dit geval dan ook geen maatregel. 

7    GRIFFIERECHT 
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond; 
-    verklaart klachtonderdelen c) en d) ongegrond;
-    bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en D.V.A. Brouwer, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026