ECLI:NL:TADRAMS:2026:19 Raad van Discipline Amsterdam 26-057/A/DH/W

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:19
Datum uitspraak: 30-01-2026
Datum publicatie: 30-01-2026
Zaaknummer(s): 26-057/A/DH/W
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking
Beslissingen: Wraking
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; wrakingsverzoek niet-ontvankelijk, althans kennelijk ongegrond.

Beslissing van de Wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 30 januari 2026 in de zaak 26-057/A/DH/W
naar aanleiding van het verzoek om wraking van na te noemen voorzitter/tuchtrechters ingediend door:


verzoeker


1    DE FEITEN
1.1    Bij de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) is onder andere een artikel 60b Advocatenwet (hierna: Advw)-verzoek van de deken (hierna: de zaak) aanhangig onder zaaknummer 26-015/DH/DH/D, met verzoeker als verweerder. De zaak is ter zitting van 19 januari 2026 bij de raad behandeld. 
1.2    Overeenkomstig zijn pleitnota van 19 januari 2026 heeft verzoeker in de zaak de wraking verzocht van mrs. S. Wierink (hierna ook: de voorzitter), M. van Eck en A.B. Baumgarten (de leden, hierna allen samen: de tuchtrechters).
1.3    De tuchtrechters hebben niet berust in de wraking. 
1.4    Op 26 januari 2026 heeft de voorzitter, voor zichzelf en mede namens de tuchtrechters, verweer gevoerd tegen het wrakingsverzoek. Dit verweerschrift is op 26 januari 2026 aan verzoeker toegezonden. 
1.5    De wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de wrakingskamer) heeft bij zijn beslissing kennisgenomen van de hiervoor genoemde stukken, alsmede van het proces-verbaal van de behandeling van de zaak op de zitting van 19 januari 2026. 

2    BEOORDELING
Toetsingskader
2.1    Op grond van artikel 47 Advw en artikel 512 Wetboek van Strafvordering is wraking van een lid van de raad mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de (tucht)rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 
2.2    Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoeker, althans dat de vrees daarvoor bij verzoeker objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.
Het wrakingsverzoek
2.3    De wrakingskamer begrijpt het verzoek in zoverre dat verzoeker van mening is dat de advocaat-leden niet onafhankelijk het artikel 60b Advw verzoek en andere voorliggende verzoeken van de deken kunnen beoordelen, omdat de leden onder toezicht staan van de deken. Verzoeker vreest dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van alle advocaat-leden in het gedrang is of kan komen door invloed van de Staat op het dekenbezwaar en op het artikel 60b Advw-verzoek en het disproportioneel en incriminerend karakter daarvan. Dit kan tot contaminatie leiden en het behelst een schending van artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest EU. 
2.4    Verzoeker heeft zijn verzoek ter zitting aangevuld met de mededeling dat ook de voorzitter moet worden toegevoegd aan zijn lijst van te wraken personen, derhalve “alle leden van de raad”.
Beoordeling 
2.5    De wrakingskamer stelt voorop dat in artikel 2 van het Wrakingsprotocol Raden Van Discipline (hierna: het protocol) staat dat een wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek geen betrekking heeft op een persoon die op grond van artikel 1 lid 1 van het protocol kan worden gewraakt (te weten: de tuchtrechters, voor zover het om feiten of omstandigheden betreffende hun persoon gaat).
2.6    De wrakingskamer overweegt dat verzoeker in zijn wrakingsverzoek de hele raad partijdig en vooringenomen lijkt te achten. Dit enkel vanwege het feit dat advocaat-leden deel uitmaken van de raad. Het verzoek ziet hiermee niet op feiten of omstandigheden betreffende de (individuele) persoon van de tuchtrechters ten opzichte van een partij of voorliggend geschil en zou gelet daarop eigenlijk niet in behandeling kunnen worden genomen.
2.7    De wrakingskamer ziet zich ook voor de vraag gesteld of het verzoek tijdig is gedaan. Zoals ook door de voorzitter is betoogd, dient een wrakingsverzoek te worden gedaan “zodra de feiten of omstandigheden die tot partijdigheid zouden kunnen leiden, aan verweerder bekend zijn geworden” (artikel 1.5 van het protocol). 
2.8    De wrakingskamer stelt vast dat de inhoud van het wrakingsverzoek ziet op gestelde feiten en omstandigheden die verzoeker ook reeds voorafgaand aan de behandeling ter zitting, op het moment dat hem de samenstelling van de raad werd medegedeeld, bekend waren. Verzoeker had de tuchtrechters op dat moment kunnen wraken, maar heeft dat toen niet gedaan. Verzoeker heeft zijn vooraf op het schrift gestelde wrakingsverzoek meegenomen naar de zitting en hij heeft dit verzoek pas aan het einde van de behandeling, bij het afronden van de zitting, ingediend. Verzoeker heeft hiermee naar het oordeel van de wrakingskamer niet in lijn gehandeld met het bepaalde artikel 1.5 van het protocol. Verzoeker is daarom eigenlijk “ontijdig” met zijn verzoek en hij behoort hierin niet te worden ontvangen. 
2.9    Ondanks het voorgaande, zal de wrakingskamer het verzoek inhoudelijk beoordelen. De wrakingskamer overweegt dat het wrakingsverzoek inhoudelijk kennelijk ongegrond is. 
2.10    Zoals door de voorzitter reeds is gesteld, is de door verzoeker gestelde grond geen wrakingsgrond. Dat mr. Baumgarten als advocaat bij het tableau van de rechtbank Den Haag staat ingeschreven, en onder de Haagse Orde van advocaten (en deken) valt, maakt niet dat hij om die reden partijdig dan wel niet onafhankelijk zou zijn in zijn hoedanigheid als advocaat-lid van de raad. Dit geldt evenmin voor de overige tuchtrechters. Ter zitting bij de raad treden de advocaat-leden op als tuchtrechter. De wijze van benoeming van de advocaat-leden, als ook de deelname van een lid van de rechterlijke macht aan de raad, is met voldoende wettelijke waarborgen omkleedt waardoor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de tuchtrechters niet reeds vanwege die nevenfuncties in geding kan komen. Van het bestaan van de door verzoeker gestelde contaminatie is daarom geen sprake. 
2.11    Het wrakingsverzoek bevat verder ook geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de tuchtrechters schade zou kunnen lijden. 
2.12    Het verzoek is gelet op het voorgaande kennelijk niet-ontvankelijk, althans kennelijk ongegrond. 
2.13    De wrakingskamer zal, gelet op artikel 4 van het protocol, het verzoek zonder behandeling ter zitting afwijzen.

BESLISSING
 De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, althans kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de behandeling van de klachtzaak 26-015/DH/DH/D zal worden hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd ingediend. 

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en C.M. Peeperkorn, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters, griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026. 


Griffier     Voorzitter
        
Verzonden op: 30 januari 2026.