ECLI:NL:TADRAMS:2026:18 Raad van Discipline Amsterdam 25-712/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:18 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 30-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-712/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster de zaak ondermaats heeft behandeld. De klacht is in alle onderdelen ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 januari 2026
in de zaak 25-712/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: V.S. Sahebzad
over
verweerster
gemachtigde: mr. F.A. Chorus
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 20 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2452882/JS/KV
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 december 2025. Klaagster
heeft vooraf laten weten daarbij niet aanwezig te zijn. De gemachtigde van klaagster
heeft zich enkele minuten voor de zitting ook afgemeld, met het verzoek om haar pleitnota
nog in te dienen. Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld en na telefonisch
contact met de griffier, heeft de gemachtigde deze pleitnota niet tijdig (zijnde een
half uur na de oorspronkelijke starttijd van de zitting) aan de griffie van de raad
verstuurd. De raad heeft de klacht vervolgens behandeld in aanwezigheid van verweerster
en haar gemachtigde.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de aanvullende stukken van verweerster van 17 november 2025. De raad heeft geen
kennisgenomen van de pleitnota van de gemachtigde van klaagster, omdat deze niet tijdig
is ingediend.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster was verwikkeld in een arbeidsrechtelijk geschil met haar werkgever,
het UMC Utrecht (hierna: de werkgever). De werkgever heeft bij de kantonrechter ontbinding
verzocht van de arbeidsovereenkomst met klaagster. Klaagster is op dat moment arbeidsongeschikt.
2.3 Op 12 november 2024 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster, Achmea,
(het kantoor van) verweerster verzocht de zaak van klaagster te behandelen.
2.4 Verweerster heeft de zaak aangenomen en op 13 november 2024 voor het eerst
met de gemachtigde van klaagster (haar zuster) gesproken. Klaagster heeft verweerster
stukken verstrekt, waaronder een medisch advies van de bedrijfsarts van 22 oktober
2024. Hierin staat onder meer:
“Reintegratieadvies: het gaat haar helaas niet goed. Ze ervaart veel klachten en
is momenteel niet belastbaar voor werk of voor een gesprek. Daarnaast heb ik begrepen
dat er een rechtszaak speelt op 26-11. Ik verzoek u mij op de hoogte te houden van
de uitkomst van deze rechtszaak.”
2.5 De mondelinge behandeling van de zaak van klaagster stond gepland op 26 november
2024.
2.6 Verweerster heeft geprobeerd uitstel te krijgen voor die zitting maar de
rechtbank heeft dit verzoek op 14 november 2024 afgewezen.
2.7 Op 18 november 2024 heeft verweerster om 15.20 uur een verweerschrift in
concept naar klaagster gestuurd, waarna klaagster had aangegeven om 17 uur te willen
overleggen. Dat is gebeurd en daarna heeft verweerster het verweerschrift ingediend
bij de rechtbank.
2.8 Op 25 november 2024 heeft verweerster om 7.24 uur een conceptpleitnota aan
klaagster gestuurd ten behoeve van de zitting van 26 november 2024. Klaagster gaf
aan om 11:00 uur te willen bellen.
2.9 Op 26 november 2024 heeft de mondelinge behandeling van de zaak van klaagster
plaatsgevonden bij de kantonrechter.
2.10 Bij e-mail van 3 december 2024 heeft klaagster verweerster als volgt bericht:
“Wij willen graag even napraten over de zaak, omdat we nog een aantal vragen hebben.
Zou het mogelijk zijn om een afspraak met u in te plannen, bij voorkeur vanmiddag
na 13.00 uur of morgenochtend? Laat ons weten wat voor u het beste uitkomt. Alvast
hartelijk dank voor uw tijd en moeite.”
2.11 Diezelfde dag heeft verweerster klaagster per e-mail als volgt bericht:
“Ik kan morgenochtend om 11 uur bellen. Komt dat uit?”
2.12 Waarop klaagster verweerster per e-mail als volgt heeft bericht:
“Dank je wel (…). 11:00 uur gaat lukken.”
2.13 Bij beschikking van 24 december 2024 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst
tussen de werkgever en klaagster met ingang van 1 maart 2025 ontbonden en de werkgever
veroordeeld om een transitievergoeding aan klaagster te betalen. Ook is daarbij overwogen:
“3.9. Op dit moment is [klaagster] arbeidsongeschikt. Er geldt een opzegverbod.
maar het verzoek houdt geen verband met de ziekte van [klaagster]. Het verzoek is
immers gebaseerd op het verwijtbaar handelen van [klaagster] tijdens de sollicitatieprocedure
en [klaagster] was toen nog niet ziek. Het opzegverbod staat dus niet in de weg aan
de ontbinding van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:671b lid 6 BW).”
2.14 Bij e-mail van 6 januari 2025 heeft verweerster klaagster en haar gemachtigde
als volgt bericht:
“Ik heb zojuist ook [klaagster] even gebeld en ingesproken. De advocaat van [de
werkgever] is zo vriendelijk geweest om mij alvast een afschrift te sturen van de
beschikking van de kantonrechter. Ik verwacht dat deze ook op mijn kantoor zal aankomen
maar deze is nog niet binnen.
Ik stuur het alvast door. Wat ik al verwachtte is helaas uitgekomen: de kantonrechter
heeft het verzoek van [de werkgever] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ingewilligd.
De kantonrechter vindt dat van [de werkgever] redelijkerwijs niet verwacht kan worden
dat de arbeidsovereenkomst zou voortduren.
In de beschikking wordt ingegaan op het CV van [klaagster], de inwerkperiode en
ook de presentatie tijdens de sollicitatieprocedure. Helaas heeft de rechter geen
van onze argumenten overgenomen.
Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 maart 2025. [De werkgever]
moet een transitievergoeding betalen. De rechter heeft geoordeeld dat [klaagster]
ook de proceskosten moet betalen van [de werkgever], maar omdat zij verzekerd is wordt
dit door de rechtsbijstandsverzekering betaald.
Ik ben de hele dag telefonisch bereikbaar, als jullie laten weten wanneer jullie
beschikbaar zijn dan kunnen we de beschikking doornemen.”
2.15 Bij e-mail van 8 januari 2025 heeft klaagster verweerster als volgt bericht:
“Ik wil u graag informeren dat Achmea binnenkort contact met u zal opnemen over
de beschikking en het hoger beroep in mijn zaak. Achmea heeft ons reeds laten weten
dat zij afhankelijk van uw inschatting van de zaak, zullen beraden of wij een advocaat
toegewezen krijgen. Ik heb besloten dat ik in hoger beroep wil gaan en wil u vragen
of u mij hierin kunt steunen, wel om de volgende redenen:
U had te weinig voorbereidingstijd:
Het moet echter worden benadrukt dat u pas op het allerlaatste moment in beeld bent
gekomen, slechts enkele dagen voordat u de zaak op zich nam. Hierdoor was er te weinig
tijd om u grondig voor te bereiden. Wij hebben u een aantal keren gevraagd of u geen
bezwaar had dat er te weinig tijd was voor mijn zaak, waarop u elke keer hebt gezegd
dat u vond het goed te doen was. Dit is nu anders gebleken.
Gebrekkige kennis van details:
Enerzijds heeft u ons laten weten dat u niet voldoende op de hoogte was van mijn
dossier en dat u niet over de details wist en daarom niet kon inspringen tijdens de
zitting. Hierdoor is het juist nodig voor mij om in hoger beroep te gaan.
Onbehandelde punten:
Omdat ik vind dat er nog veel onbehandelde punten zijn geweest alsook punten die
niet voldoende uitgewerkt waren en zodoende niet op de juiste manier verdedigd konden
worden. Bijvoorbeeld de opdrachten die ter sprake kwamen tijdens de rechtszaak.
Al met al, zou ik heel graag willen dat u mijn wens om in hoger beroep te gaan steunt
want gezien het bovenstaande vinden wij het ietwat voorbarig om vast te stellen of
het in hoger beroep gaan wel of niet een succesvolle uitkomst zal hebben.
Mocht u anders van mening zijn dan heeft het aanvragen van een second opinion geen
zin, zijn wij genoodzaakt om verdere stappen te nemen.”
2.16 Bij e-mail van 10 januari 2025 heeft verweerster klaagster als volgt geantwoord:
“Dank voor uw mail.
Ik heb in ons telefoongesprek ook aangegeven dat ik bij Achmea aan zal geven dat
ik geen redelijke kans van slagen zie in hoger beroep. Ik moet dat wel doen, omdat
Achmea zal willen weten waarom ik niet zelf de zaak op me wil nemen.
Ik zie geen redelijke kans van slagen in een hoger beroep. De reden is dat dat het
moeilijk is om een duidelijke strategie te kiezen in dit verhaal. Ofwel u stelt dat
u nog geen ervaring data analist was. In dat geval zal het Hof, net als de rechter
al opmerkte, erop wijzen dat u wel een loonsverhoging bedong vanwege uw ervaring,
Als u stelt dat u al ervaren data specialist bent dan rijmt dat niet met de problemen
die zijn ontstaan tijdens de inwerkperiode. Verschillende mensen die betrokken zijn
geweest bij de inwerking hebben aangegeven dat er meer verwacht kan worden van een
data analist.
En tenslotte is er nog de kwestie van de presentatie tijdens de sollicitatieperiode.
Ik denk dat het lastig te weerleggen is dat u deze presentatie heeft gemaakt en dat
deze is gebruikt en door iemand anders op internet is gezet.
Ik begrijp goed dat u in hoger beroep wilt en ik zal dat ook niet in de weg staan.
Ik raad u daarom aan om een second opinion aan te vragen bij Achmea hierover. Dat
betekent dat een onafhankelijk advocaat kan kijken naar de zaak en kan beoordelen
of een hoger beroep kans van slagen heeft. Als dat zo is, zal Achmea u een nieuwe
advocaat toewijzen.
Ik wacht de reactie van Achmea even af, en zal dan dit aangeven. Ik kan wel desgewenst
uw onderstaande mail meesturen.
Ik wijs erop dat een hoger beroep moet worden ingesteld 3 maanden na de uitspraak.
Dus dat betekent dat er voor 24 maart hoger beroep moet zijn ingesteld bij het Hof.
Ik raad u aan om dit ook aan Achmea mee te delen.”
2.17 Diezelfde dag heeft klaagster verweerster per e-mail als volgt bericht:
“Geachte [verweerster],
dank voor uw antwoord.
Helaas zijn we het dan niet met elkaar eens. Wij hebben getracht u uit te leggen
waarom wij van mening zijn dat u niet een juiste inschatting om in hoger beroep te
kunnen gaan kunt maken. Helaas blijft u bij uw standpunt omdat u er zelf vanaf ziet.
Tevens vinden wij dat u hierdoor ons de weg om in hoger beroep te kunnen gaan belemmert
dus, wij willen u verzoeken om te wachten om uw advies kenbaar te maken aan Achmea
zodat wij eerst kunnen overleggen met de orde van advocaten. Dit zullen wij a.s. maandag
direct doen.”
2.18 Bij e-mail van 13 januari 2025 heeft verweerster klaagster als volgt bericht:
“Ik zou graag nogmaals willen benadrukken dat het niet mijn intentie is om een hoger
beroep voor u te belemmeren. Ik geef aan dat u bij Achmea kunt vragen om een geschillenbeslechtigingsregeling/second
opinion. Als de advocaat die de second opinion uitvoert concludeert dat er een redelijke
kans van slagen is dan zal Achmea u een nieuwe advocaat toewijzen. Ik raad u aan om,
indien u dit niet heeft gedaan, dit alvast te melden bij Achmea, dan kunnen zij de
procedure in werking stellen.
Ik zal een analyse schrijven van de zaak met mijn kijk op de zaak, dan kunt u die
ook aan Achmea sturen. Ik hoop dat voor het einde van de week klaar te hebben.
Ik nodig u daarnaast graag uit voor een gesprek bij mij op kantoor, dan kunnen we
dit bespreken. Dit kan wat mij betreft op korte termijn. Ik kan daar ook onze interne
klachten coördinator, die tevens een ervaren arbeidsjurist is, bij uitnodigen.
Ik verneem graag uw reactie.”
2.19 Diezelfde dag heeft klaagster verweerster geantwoord:
“Morgen, dinsdag 14 januari, kunnen [de gemachtigde] en ik aanwezig zijn op kantoor
(…), we zijn beschikbaar van 11:00 uur tot 13:00 uur. We zouden het prettig vinden
om een gesprek met u te voeren. Kunt u ons laten weten of dit voor u schikt?”
2.20 Daarop heeft verweerster klaagster diezelfde dag per e-mail geantwoord:
“Ik denk ook dat het verstandig is om een gesprek te voeren. Ik kan helaas niet
dinsdag of donderdag. Eventueel kunnen wel woensdagochtend of vrijdagmiddag deze week.
Ik heb onze Klachtencoördinator erbij gevraagd, die probeert aan te schuiven maar
dat is nog een klein beetje onduidelijk. Ik verwacht dat dit op korte termijn duidelijk
is en zal u dat zo snel mogelijk laten weten.”
2.21 Aansluitend heeft verweerster klaagster nog het volgende bericht:
“De klachten coördinator, [mr. V], heeft mij net laten weten dat hij zowel woensdagochtend
of vrijdagmiddag kan. Ik hoor graag of 1 van beide dagdelen voor u mogelijk is.”
2.22 Bij e-mail van 14 januari 2025 heeft klaagster aan verweerster meegedeeld:
“Dank voor uw bericht. Wij stellen een gesprek zeer op prijs en willen dit graag
alleen met u voeren, zonder anderen erbij. Vrijdagmiddag om 15:00 uur komt voor ons
goed uit. Wij horen graag uw bevestiging.”
2.23 Diezelfde dag heeft verweerster klaagster bericht:
“Vrijdagmiddag om 15 uur op mijn kantoor is uitstekend voor mij.
Op mijn verzoek is daarbij collega [mr. V] aanwezig. [Mr. V] is een zeer ervaren
arbeidsrechtadvocaat die eventuele vragen van uw kant ook kan beantwoorden. Hij is
daarnaast ook onze klachten coördinator, maar vanuit die functie hoeft hij wat mij
betreft niet aan het gesprek deel te nemen.
Ik denk dat het goed is dat [mr. V] deelneemt aan het gesprek omdat ik in onze gesprekken
soms merk dat ik mijn boodschap niet goed kan overbrengen en wellicht begrijp ik u
soms niet helemaal. De aanwezigheid van [mr. V] kan hopelijk voor meer duidelijkheid
zorgen.
Ik stuur u uiterlijk donderdagochtend mijn analyse van de zaak, dan kunnen we dat
ook bespreken.”
2.24 Op 15 januari 2025 heeft klaagster verweerster het volgende bericht gestuurd:
“Bij nader inzien willen wij u informeren dat wij afzien van het geplande gesprek.
Wij wachten graag uw analyse en verdere bevindingen af alvorens eventuele vervolgstappen
te bespreken.
Wij danken u bij voorbaat voor uw inspanningen en zien uw schriftelijke reactie
met belangstelling tegemoet.”
2.25 Op 16 januari 2025 heeft verweerster klaagster haar analyse van de zaak
gestuurd. In de begeleidende e-mail heeft verweerster klaagster als volgt bericht:
“Zoals eerder aangegeven stuur ik u hierbij mijn analyse van de zaak. Als u hier
nog op wilt reageren dan kan dat uiteraard.
Ik wijs u erop dat het initiatief nu bij u ligt. Achmea kan de geschillenbeslechtigingsregeling
in gang zetten waarbij ze ook deze analyse zullen willen hebben, maar dat is uiteraard
wel op aanvraag van u. U heeft tot 24 maart 2025 de tijd om hoger beroep in te dienen.”
2.26 Bij e-mail van 30 januari 2025 heeft verweerster klaagster het volgende
meegedeeld:
“Ik heb u mijn analyse van de zaak gestuurd op 16 januari. Ik heb daarna nog niet
van u vernomen. Graag hoor ik of u nog vragen voor mij heeft. Zoniet dan zal ik overgaan
tot sluiting van het dossier.
Als ik op vrijdag 7 februari nog niet van u vernomen heb ga ik ervan uit dat u geen
aanvullende vragen meer heeft, en zal ik het dossier sluiten.”
2.27 Bij e-mail van 3 februari 2025 heeft klaagster verweerster als volgt geantwoord:
“Wij verzoeken u vriendelijk het dossier nog niet te sluiten. Daarnaast zouden wij
u vandaag met spoed willen spreken. Wij zijn de hele middag beschikbaar en hopen op
uw snelle reactie.
Alvast dank voor uw medewerking.”
2.28 Op 12 februari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster, de
gemachtigde van klaagster en mr. V, patroon van verweerster en klachtenfunctionaris
van het kantoor van verweerster. Van dit gesprek heeft klaagster een verslag opgesteld.
2.29 Op 14 februari 2025 heeft verweerster klaagster een aanvulling op haar analyse
van 16 januari 2025 gestuurd.
2.30 Diezelfde dag heeft klaagster aan mr. V uitvoerig gereageerd op de aanvulling
van de analyse. Voor zover in het kader van de onderhavige klacht relevant, luidt
die e-mail als volgt:
“Hartelijk dank voor de reactie van [verweerster]. Wij willen echter benadrukken
dat wij uitdrukkelijk hebben verzocht om een volledige herschrijving van de analyse
en niet slechts een aanvulling. De huidige analyse geeft geen waarheidsgetrouw beeld
van de kwestie en bevat een veelvuldigheid aan onjuistheden.
Onze reden voor dit verzoek is dat de advocaat een volledig en correct beeld moet
schetsen van de situatie. Naar onze mening heeft [verweerster] een oppervlakkige analyse
geschreven zonder voldoende grondig feitenonderzoek. Bovendien heeft haar handelen
gedurende het voortraject direct invloed gehad op de analyse. Daarom eisen wij een
volledige herschrijving. (…)”
2.31 Op 3 februari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerster.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster haar arbeidszaak tegen de werkgever onzorgvuldig te behandelen en zonder
overleg met klaagster besluiten te nemen. Ter toelichting heeft klaagster verwezen
naar het verslag van het gesprek dat op 12 februari 2025 ten kantore van verweerster
heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het indienen van de klacht bij het kantoor
van verweerster. Op grond van het verslag kunnen de volgende verwijten uiteengezet
worden:
a) klaagster was het niet eens met de beslissing van verweerster om het laatste
medische advies van de bedrijfsarts niet bij de rechtbank in te dienen. Hier had klaagster
wel expliciet om gevraagd. Tijdens de zitting was klaagster nog ziek. Het laatste
advies van de bedrijfsarts bevestigde dat. De medische toestand van klaagster had
door verweerster meer benadrukt moeten worden.
b) klaagster meent dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld door valse beloftes
te doen en afspraken niet na te komen. Verweerster had weinig tijd om onderzoek doen
en een verweerschrift te schrijven. Desalniettemin verzekerde zij klaagster dat zij
de zaak aankon.
c) verweerster is op 13 november 2024 aan de zaak toegevoegd en heeft op 18 november
2024 een verweerschrift ingediend. Klaagster kreeg geen gelegenheid om het verweerschrift
goed door te nemen en werd verzocht erop te vertrouwen dat alles correct was. Er heeft
slechts kort telefonisch overleg plaatsgevonden. Het was onzeker of het verweerschrift
door de rechtbank zou worden geaccepteerd, omdat dit buiten de termijn van 10 dagen
voor de zitting was ingediend.
d) de zitting vond plaats op 26 november 2024. Vlak voor de zitting vroeg klaagster
of de gemachtigde van klaagster het woord mocht voeren. Verweerster besloot eenzijdig
en zonder overleg dat dit niet zou gebeuren. Klaagster vond dit vreemd omdat verweerster
aangaf onvoldoende tijd te hebben gehad om een grondig verweerschrift op te stellen
en de details van de zaak niet volledig kende, terwijl de gemachtigde van klaagster
goed op de hoogte was van de zaak.
e) de zaak is onvoldoende voorbereid door verweerster, waardoor klaagster liever
zonder advocaat naar de zitting wilde.
f) tijdens de zitting was verweerster niet in staat om details van de zaak toe
te lichten, terwijl klaagster en haar gemachtigde alle relevante informatie vooraf
aan verweerster hadden toegestuurd en met haar hadden besproken. Achteraf gaf verweerster
ook toe dat zij niet op de hoogte was van essentiële details, waaronder technische
aspecten van de kwestie.
g) voor de zitting gaf verweerster klaagster het gevoel dat zij haar geloofde
en haar zou steunen. Na de zitting draaide zij echter volledig om en gaf aan dat klaagster
niet goed had geantwoord waardoor haar zaak er zwak voor stond.
h) de door verweerster geschreven analyse met betrekking tot de kansen in hoger
beroep bevat onjuistheden. Verweerster heeft niet over de juiste informatie beschikt.
Klaagster is het niet eens met bepaalde standpunten van verweerster. Verweerster wilde
de analyse echter niet herschrijven. De analyse is zonder aanpassingen naar Achmea
doorgestuurd.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
5.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Ingevolge gedragsregel 16 dient een advocaat ter voorkoming van misverstand,
onzekerheid of geschil belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt
te bevestigen.
Klachtonderdeel a)
5.4 Aan verweerster komt als dominus litis de vrijheid toe in het behandelen
van de zaak. Verweerster is binnen de aan haar toekomende vrijheid gebleven door melding
te maken van de arbeidsongeschiktheid, maar door dit niet verder te onderbouwen met
het medisch advies. Zoals ook volgt uit het oordeel van de kantonrechter, was immers
geen sprake van een opzegverbod. Het verzoek zag op verwijtbaar handelen van klaagster
tijdens de sollicitatieprocedure en toen was zij nog niet ziek. Het nader onderbouwen
van de ziekte van klaagster met een medisch advies, had dan ook geen meerwaarde in
de procedure. Verweerster heeft dan ook gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk
handelend beroepsgenoot. Daar komt bij dat verweerster ter zitting naar voren heeft
gebracht de medische onderbouwing nooit te hebben ontvangen van klaagster. Als deze
al van belang was geweest voor de procedure, dan kan het niet indienen daarvan haar
ook niet worden verweten. Klaagster heeft bovendien ingestemd met het conceptverweerschrift.
Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdelen b) en c)
5.5 De zaak van klaagster is vrij kort voorafgaand aan de zitting binnengekomen
bij verweersters kantoor. Uit het feitenverloop volgt dat verweerster snel is overgegaan
tot het verrichten van de vereiste handelingen, zoals het voeren van een gesprek met
klaagster, het (tevergeefs) verzoeken om uitstel en het opstellen van een conceptverweerschrift
die ook aan klaagster is voorgelegd. Klaagster en verweerder hebben hierover ook telefonisch
overleg gevoerd, waarna verweerster aanpassingen heeft gedaan op het concept. Het
verweerschrift is vervolgens ingediend en is ook door de kantonrechter geaccepteerd.
Verweerster heeft verder binnen deze korte termijn een pleitnota in overleg met klaagster
opgesteld. Daarmee heeft verweerster gehandeld zoals van haar kon worden verwacht
in de gegeven omstandigheden. Het is de raad niet gebleken dat verweerster beloftes
niet is nagekomen, die ook niet nader zijn onderbouwd door klaagster. Klachtonderdelen
b) en c) zijn ongegrond.
Klachtonderdelen d), e), f) en g)
5.6 De raad kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verweerster onvoldoende
was voorbereid op de zitting of onvoldoende kennis had van de (technische) details,
de gemachtigde van klaagster het woord niet liet voeren of dat zij na de zitting aangaf
dat klaagster niet goed had geantwoord waardoor de zaak niet goed werd voorgesteld.
De klachten zijn op dat punt onvoldoende onderbouwd en ook betwist door verweerster.
De raad kan dan ook niet vaststellen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Klachtonderdelen d) tot en met g) zijn ongegrond.
Klachtonderdeel h)
5.7 Verweerster heeft een inschatting gemaakt van de kansen bij het instellen
van hoger beroep. Op verzoek van klaagster heeft zij deze inschatting ook heroverwogen.
Dat zij daarin tot een andere afweging komt dan klaagster, maakt niet dat zij daarmee
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Mede vanuit de kernwaarde onafhankelijkheid
heeft verweerster daarbij een ruime vrijheid. Verweerster heeft klaagster vervolgens
ook gewezen op de mogelijkheid om een second opinion aan te vragen bij haar rechtsbijstandsverzekeraar
over de slagingskansen, om een nieuwe advocaat toegewezen te krijgen die wel hoger
beroep voor haar zou kunnen instellen. Zodoende heeft verweerster haar werkzaamheden
voor klaagster op behoorlijke wijze afgerond. Klachtonderdeel h) is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M.J.E. van den Bergh en W.
van Eekhout, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 januari 2026