ECLI:NL:TADRAMS:2026:18 Raad van Discipline Amsterdam 25-712/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:18
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 30-01-2026
Zaaknummer(s): 25-712/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster de zaak ondermaats heeft behandeld. De klacht is in alle onderdelen ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 januari 2026 in de zaak 25-712/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 
gemachtigde: V.S. Sahebzad

over

verweerster
gemachtigde: mr. F.A. Chorus

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 3 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 20 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2452882/JS/KV van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 december 2025. Klaagster heeft vooraf laten weten daarbij niet aanwezig te zijn. De gemachtigde van klaagster heeft zich enkele minuten voor de zitting ook afgemeld, met het verzoek om haar pleitnota nog in te dienen. Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld en na telefonisch contact met de griffier, heeft de gemachtigde deze pleitnota niet tijdig (zijnde een half uur na de oorspronkelijke starttijd van de zitting) aan de griffie van de raad verstuurd. De raad heeft de klacht vervolgens behandeld in aanwezigheid van verweerster en haar gemachtigde. 
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van verweerster van 17 november 2025. De raad heeft geen kennisgenomen van de pleitnota van de gemachtigde van klaagster, omdat deze niet tijdig is ingediend.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster was verwikkeld in een arbeidsrechtelijk geschil met haar werkgever, het UMC Utrecht (hierna: de werkgever). De werkgever heeft bij de kantonrechter ontbinding verzocht van de arbeidsovereenkomst met klaagster. Klaagster is op dat moment arbeidsongeschikt.
2.3    Op 12 november 2024 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster, Achmea, (het kantoor van) verweerster verzocht de zaak van klaagster te behandelen. 
2.4    Verweerster heeft de zaak aangenomen en op 13 november 2024 voor het eerst met de gemachtigde van klaagster (haar zuster) gesproken. Klaagster heeft verweerster stukken verstrekt, waaronder een medisch advies van de bedrijfsarts van 22 oktober 2024. Hierin staat onder meer: 
“Reintegratieadvies: het gaat haar helaas niet goed. Ze ervaart veel klachten en is momenteel niet belastbaar voor werk of voor een gesprek. Daarnaast heb ik begrepen dat er een rechtszaak speelt op 26-11. Ik verzoek u mij op de hoogte te houden van de uitkomst van deze rechtszaak.”
2.5    De mondelinge behandeling van de zaak van klaagster stond gepland op 26 november 2024. 
2.6    Verweerster heeft geprobeerd uitstel te krijgen voor die zitting maar de rechtbank heeft dit verzoek op 14 november 2024 afgewezen.
2.7    Op 18 november 2024 heeft verweerster om 15.20 uur een verweerschrift in concept naar klaagster gestuurd, waarna klaagster had aangegeven om 17 uur te willen overleggen. Dat is gebeurd en daarna heeft verweerster het verweerschrift ingediend bij de rechtbank.
2.8    Op 25 november 2024 heeft verweerster om 7.24 uur een conceptpleitnota aan klaagster gestuurd ten behoeve van de zitting van 26 november 2024. Klaagster gaf aan om 11:00 uur te willen bellen.
2.9    Op 26 november 2024 heeft de mondelinge behandeling van de zaak van klaagster plaatsgevonden bij de kantonrechter. 
2.10    Bij e-mail van 3 december 2024 heeft klaagster verweerster als volgt bericht:
“Wij willen graag even napraten over de zaak, omdat we nog een aantal vragen hebben. Zou het mogelijk zijn om een afspraak met u in te plannen, bij voorkeur vanmiddag na 13.00 uur of morgenochtend? Laat ons weten wat voor u het beste uitkomt. Alvast hartelijk dank voor uw tijd en moeite.”
2.11    Diezelfde dag heeft verweerster klaagster per e-mail als volgt bericht:
“Ik kan morgenochtend om 11 uur bellen. Komt dat uit?”
2.12    Waarop klaagster verweerster per e-mail als volgt heeft bericht:
“Dank je wel (…). 11:00 uur gaat lukken.”
2.13    Bij beschikking van 24 december 2024 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en klaagster met ingang van 1 maart 2025 ontbonden en de werkgever veroordeeld om een transitievergoeding aan klaagster te betalen. Ook is daarbij overwogen:
“3.9. Op dit moment is [klaagster] arbeidsongeschikt. Er geldt een opzegverbod. maar het verzoek houdt geen verband met de ziekte van [klaagster]. Het verzoek is immers gebaseerd op het verwijtbaar handelen van [klaagster] tijdens de sollicitatieprocedure en [klaagster] was toen nog niet ziek. Het opzegverbod staat dus niet in de weg aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:671b lid 6 BW).”
2.14    Bij e-mail van 6 januari 2025 heeft verweerster klaagster en haar gemachtigde als volgt bericht: 
“Ik heb zojuist ook [klaagster] even gebeld en ingesproken. De advocaat van [de werkgever] is zo vriendelijk geweest om mij alvast een afschrift te sturen van de beschikking van de kantonrechter. Ik verwacht dat deze ook op mijn kantoor zal aankomen maar deze is nog niet binnen. 
Ik stuur het alvast door. Wat ik al verwachtte is helaas uitgekomen: de kantonrechter heeft het verzoek van [de werkgever] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ingewilligd. De kantonrechter vindt dat van [de werkgever] redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat de arbeidsovereenkomst zou voortduren. 
In de beschikking wordt ingegaan op het CV van [klaagster], de inwerkperiode en ook de presentatie tijdens de sollicitatieprocedure. Helaas heeft de rechter geen van onze argumenten overgenomen. 
Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 maart 2025. [De werkgever] moet een transitievergoeding betalen. De rechter heeft geoordeeld dat [klaagster] ook de proceskosten moet betalen van [de werkgever], maar omdat zij verzekerd is wordt dit door de rechtsbijstandsverzekering betaald. 
Ik ben de hele dag telefonisch bereikbaar, als jullie laten weten wanneer jullie beschikbaar zijn dan kunnen we de beschikking doornemen.”
2.15    Bij e-mail van 8 januari 2025 heeft klaagster verweerster als volgt bericht: 
“Ik wil u graag informeren dat Achmea binnenkort contact met u zal opnemen over de beschikking en het hoger beroep in mijn zaak. Achmea heeft ons reeds laten weten dat zij afhankelijk van uw inschatting van de zaak, zullen beraden of wij een advocaat toegewezen krijgen. Ik heb besloten dat ik in hoger beroep wil gaan en wil u vragen of u mij hierin kunt steunen, wel om de volgende redenen:
U had te weinig voorbereidingstijd:
Het moet echter worden benadrukt dat u pas op het allerlaatste moment in beeld bent gekomen, slechts enkele dagen voordat u de zaak op zich nam. Hierdoor was er te weinig tijd om u grondig voor te bereiden. Wij hebben u een aantal keren gevraagd of u geen bezwaar had dat er te weinig tijd was voor mijn zaak, waarop u elke keer hebt gezegd dat u vond het goed te doen was. Dit is nu anders gebleken. 
Gebrekkige kennis van details: 
Enerzijds heeft u ons laten weten dat u niet voldoende op de hoogte was van mijn dossier en dat u niet over de details wist en daarom niet kon inspringen tijdens de zitting. Hierdoor is het juist nodig voor mij om in hoger beroep te gaan. 
Onbehandelde punten: 
Omdat ik vind dat er nog veel onbehandelde punten zijn geweest alsook punten die niet voldoende uitgewerkt waren en zodoende niet op de juiste manier verdedigd konden worden. Bijvoorbeeld de opdrachten die ter sprake kwamen tijdens de rechtszaak. 
Al met al, zou ik heel graag willen dat u mijn wens om in hoger beroep te gaan steunt want gezien het bovenstaande vinden wij het ietwat voorbarig om vast te stellen of het in hoger beroep gaan wel of niet een succesvolle uitkomst zal hebben. 
Mocht u anders van mening zijn dan heeft het aanvragen van een second opinion geen zin, zijn wij genoodzaakt om verdere stappen te nemen.” 
2.16    Bij e-mail van 10 januari 2025 heeft verweerster klaagster als volgt geantwoord: 
“Dank voor uw mail. 
Ik heb in ons telefoongesprek ook aangegeven dat ik bij Achmea aan zal geven dat ik geen redelijke kans van slagen zie in hoger beroep. Ik moet dat wel doen, omdat Achmea zal willen weten waarom ik niet zelf de zaak op me wil nemen. 
Ik zie geen redelijke kans van slagen in een hoger beroep. De reden is dat dat het moeilijk is om een duidelijke strategie te kiezen in dit verhaal. Ofwel u stelt dat u nog geen ervaring data analist was. In dat geval zal het Hof, net als de rechter al opmerkte, erop wijzen dat u wel een loonsverhoging bedong vanwege uw ervaring,
Als u stelt dat u al ervaren data specialist bent dan rijmt dat niet met de problemen die zijn ontstaan tijdens de inwerkperiode. Verschillende mensen die betrokken zijn geweest bij de inwerking hebben aangegeven dat er meer verwacht kan worden van een data analist.
En tenslotte is er nog de kwestie van de presentatie tijdens de sollicitatieperiode. Ik denk dat het lastig te weerleggen is dat u deze presentatie heeft gemaakt en dat deze is gebruikt en door iemand anders op internet is gezet.
Ik begrijp goed dat u in hoger beroep wilt en ik zal dat ook niet in de weg staan. Ik raad u daarom aan om een second opinion aan te vragen bij Achmea hierover. Dat betekent dat een onafhankelijk advocaat kan kijken naar de zaak en kan beoordelen of een hoger beroep kans van slagen heeft. Als dat zo is, zal Achmea u een nieuwe advocaat toewijzen. 
Ik wacht de reactie van Achmea even af, en zal dan dit aangeven. Ik kan wel desgewenst uw onderstaande mail meesturen. 
Ik wijs erop dat een hoger beroep moet worden ingesteld 3 maanden na de uitspraak. Dus dat betekent dat er voor 24 maart hoger beroep moet zijn ingesteld bij het Hof. Ik raad u aan om dit ook aan Achmea mee te delen.”
2.17    Diezelfde dag heeft klaagster verweerster per e-mail als volgt bericht: 
“Geachte [verweerster], 
dank voor uw antwoord. 
Helaas zijn we het dan niet met elkaar eens. Wij hebben getracht u uit te leggen waarom wij van mening zijn dat u niet een juiste inschatting om in hoger beroep te kunnen gaan kunt maken. Helaas blijft u bij uw standpunt omdat u er zelf vanaf ziet. 
Tevens vinden wij dat u hierdoor ons de weg om in hoger beroep te kunnen gaan belemmert dus, wij willen u verzoeken om te wachten om uw advies kenbaar te maken aan Achmea zodat wij eerst kunnen overleggen met de orde van advocaten. Dit zullen wij a.s. maandag direct doen.”
2.18    Bij e-mail van 13 januari 2025 heeft verweerster klaagster als volgt bericht: 
“Ik zou graag nogmaals willen benadrukken dat het niet mijn intentie is om een hoger beroep voor u te belemmeren. Ik geef aan dat u bij Achmea kunt vragen om een geschillenbeslechtigingsregeling/second opinion. Als de advocaat die de second opinion uitvoert concludeert dat er een redelijke kans van slagen is dan zal Achmea u een nieuwe advocaat toewijzen. Ik raad u aan om, indien u dit niet heeft gedaan, dit alvast te melden bij Achmea, dan kunnen zij de procedure in werking stellen. 
Ik zal een analyse schrijven van de zaak met mijn kijk op de zaak, dan kunt u die ook aan Achmea sturen. Ik hoop dat voor het einde van de week klaar te hebben. 
Ik nodig u daarnaast graag uit voor een gesprek bij mij op kantoor, dan kunnen we dit bespreken. Dit kan wat mij betreft op korte termijn. Ik kan daar ook onze interne klachten coördinator, die tevens een ervaren arbeidsjurist is, bij uitnodigen. 
Ik verneem graag uw reactie.” 
2.19    Diezelfde dag heeft klaagster verweerster geantwoord: 
“Morgen, dinsdag 14 januari, kunnen [de gemachtigde] en ik aanwezig zijn op kantoor (…), we zijn beschikbaar van 11:00 uur tot 13:00 uur. We zouden het prettig vinden om een gesprek met u te voeren. Kunt u ons laten weten of dit voor u schikt?” 
2.20    Daarop heeft verweerster klaagster diezelfde dag per e-mail geantwoord: 
“Ik denk ook dat het verstandig is om een gesprek te voeren. Ik kan helaas niet dinsdag of donderdag. Eventueel kunnen wel woensdagochtend of vrijdagmiddag deze week. Ik heb onze Klachtencoördinator erbij gevraagd, die probeert aan te schuiven maar dat is nog een klein beetje onduidelijk. Ik verwacht dat dit op korte termijn duidelijk is en zal u dat zo snel mogelijk laten weten.”
2.21    Aansluitend heeft verweerster klaagster nog het volgende bericht: 
“De klachten coördinator, [mr. V], heeft mij net laten weten dat hij zowel woensdagochtend of vrijdagmiddag kan. Ik hoor graag of 1 van beide dagdelen voor u mogelijk is.” 
2.22    Bij e-mail van 14 januari 2025 heeft klaagster aan verweerster meegedeeld: 
“Dank voor uw bericht. Wij stellen een gesprek zeer op prijs en willen dit graag alleen met u voeren, zonder anderen erbij. Vrijdagmiddag om 15:00 uur komt voor ons goed uit. Wij horen graag uw bevestiging.” 
2.23    Diezelfde dag heeft verweerster klaagster bericht: 
“Vrijdagmiddag om 15 uur op mijn kantoor is uitstekend voor mij. 
Op mijn verzoek is daarbij collega [mr. V] aanwezig. [Mr. V] is een zeer ervaren arbeidsrechtadvocaat die eventuele vragen van uw kant ook kan beantwoorden. Hij is daarnaast ook onze klachten coördinator, maar vanuit die functie hoeft hij wat mij betreft niet aan het gesprek deel te nemen. 
Ik denk dat het goed is dat [mr. V] deelneemt aan het gesprek omdat ik in onze gesprekken soms merk dat ik mijn boodschap niet goed kan overbrengen en wellicht begrijp ik u soms niet helemaal. De aanwezigheid van [mr. V] kan hopelijk voor meer duidelijkheid zorgen. 
Ik stuur u uiterlijk donderdagochtend mijn analyse van de zaak, dan kunnen we dat ook bespreken.” 
2.24    Op 15 januari 2025 heeft klaagster verweerster het volgende bericht gestuurd: 
“Bij nader inzien willen wij u informeren dat wij afzien van het geplande gesprek. Wij wachten graag uw analyse en verdere bevindingen af alvorens eventuele vervolgstappen te bespreken. 
Wij danken u bij voorbaat voor uw inspanningen en zien uw schriftelijke reactie met belangstelling tegemoet.”
2.25    Op 16 januari 2025 heeft verweerster klaagster haar analyse van de zaak gestuurd. In de begeleidende e-mail heeft verweerster klaagster als volgt bericht: 
“Zoals eerder aangegeven stuur ik u hierbij mijn analyse van de zaak. Als u hier nog op wilt reageren dan kan dat uiteraard. 
Ik wijs u erop dat het initiatief nu bij u ligt. Achmea kan de geschillenbeslechtigingsregeling in gang zetten waarbij ze ook deze analyse zullen willen hebben, maar dat is uiteraard wel op aanvraag van u. U heeft tot 24 maart 2025 de tijd om hoger beroep in te dienen.” 
2.26    Bij e-mail van 30 januari 2025 heeft verweerster klaagster het volgende meegedeeld: 
“Ik heb u mijn analyse van de zaak gestuurd op 16 januari. Ik heb daarna nog niet van u vernomen. Graag hoor ik of u nog vragen voor mij heeft. Zoniet dan zal ik overgaan tot sluiting van het dossier. 
Als ik op vrijdag 7 februari nog niet van u vernomen heb ga ik ervan uit dat u geen aanvullende vragen meer heeft, en zal ik het dossier sluiten.” 
2.27    Bij e-mail van 3 februari 2025 heeft klaagster verweerster als volgt geantwoord: 
“Wij verzoeken u vriendelijk het dossier nog niet te sluiten. Daarnaast zouden wij u vandaag met spoed willen spreken. Wij zijn de hele middag beschikbaar en hopen op uw snelle reactie. 
Alvast dank voor uw medewerking.” 
2.28    Op 12 februari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster, de gemachtigde van klaagster en mr. V, patroon van verweerster en klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerster. Van dit gesprek heeft klaagster een verslag opgesteld.
2.29    Op 14 februari 2025 heeft verweerster klaagster een aanvulling op haar analyse van 16 januari 2025 gestuurd.
2.30    Diezelfde dag heeft klaagster aan mr. V uitvoerig gereageerd op de aanvulling van de analyse. Voor zover in het kader van de onderhavige klacht relevant, luidt die e-mail als volgt: 
“Hartelijk dank voor de reactie van [verweerster]. Wij willen echter benadrukken dat wij uitdrukkelijk hebben verzocht om een volledige herschrijving van de analyse en niet slechts een aanvulling. De huidige analyse geeft geen waarheidsgetrouw beeld van de kwestie en bevat een veelvuldigheid aan onjuistheden. 
Onze reden voor dit verzoek is dat de advocaat een volledig en correct beeld moet schetsen van de situatie. Naar onze mening heeft [verweerster] een oppervlakkige analyse geschreven zonder voldoende grondig feitenonderzoek. Bovendien heeft haar handelen gedurende het voortraject direct invloed gehad op de analyse. Daarom eisen wij een volledige herschrijving. (…)”
2.31    Op 3 februari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster haar arbeidszaak tegen de werkgever onzorgvuldig te behandelen en zonder overleg met klaagster besluiten te nemen. Ter toelichting heeft klaagster verwezen naar het verslag van het gesprek dat op 12 februari 2025 ten kantore van verweerster heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het indienen van de klacht bij het kantoor van verweerster. Op grond van het verslag kunnen de volgende verwijten uiteengezet worden:
a)    klaagster was het niet eens met de beslissing van verweerster om het laatste medische advies van de bedrijfsarts niet bij de rechtbank in te dienen. Hier had klaagster wel expliciet om gevraagd. Tijdens de zitting was klaagster nog ziek. Het laatste advies van de bedrijfsarts bevestigde dat. De medische toestand van klaagster had door verweerster meer benadrukt moeten worden. 
b)    klaagster meent dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld door valse beloftes te doen en afspraken niet na te komen. Verweerster had weinig tijd om onderzoek doen en een verweerschrift te schrijven. Desalniettemin verzekerde zij klaagster dat zij de zaak aankon. 
c)    verweerster is op 13 november 2024 aan de zaak toegevoegd en heeft op 18 november 2024 een verweerschrift ingediend. Klaagster kreeg geen gelegenheid om het verweerschrift goed door te nemen en werd verzocht erop te vertrouwen dat alles correct was. Er heeft slechts kort telefonisch overleg plaatsgevonden. Het was onzeker of het verweerschrift door de rechtbank zou worden geaccepteerd, omdat dit buiten de termijn van 10 dagen voor de zitting was ingediend. 
d)    de zitting vond plaats op 26 november 2024. Vlak voor de zitting vroeg klaagster of de gemachtigde van klaagster het woord mocht voeren. Verweerster besloot eenzijdig en zonder overleg dat dit niet zou gebeuren. Klaagster vond dit vreemd omdat verweerster aangaf onvoldoende tijd te hebben gehad om een grondig verweerschrift op te stellen en de details van de zaak niet volledig kende, terwijl de gemachtigde van klaagster goed op de hoogte was van de zaak. 
e)    de zaak is onvoldoende voorbereid door verweerster, waardoor klaagster liever zonder advocaat naar de zitting wilde. 
f)    tijdens de zitting was verweerster niet in staat om details van de zaak toe te lichten, terwijl klaagster en haar gemachtigde alle relevante informatie vooraf aan verweerster hadden toegestuurd en met haar hadden besproken. Achteraf gaf verweerster ook toe dat zij niet op de hoogte was van essentiële details, waaronder technische aspecten van de kwestie. 
g)    voor de zitting gaf verweerster klaagster het gevoel dat zij haar geloofde en haar zou steunen. Na de zitting draaide zij echter volledig om en gaf aan dat klaagster niet goed had geantwoord waardoor haar zaak er zwak voor stond. 
h)    de door verweerster geschreven analyse met betrekking tot de kansen in hoger beroep bevat onjuistheden. Verweerster heeft niet over de juiste informatie beschikt. Klaagster is het niet eens met bepaalde standpunten van verweerster. Verweerster wilde de analyse echter niet herschrijven. De analyse is zonder aanpassingen naar Achmea doorgestuurd. 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Maatstaf
5.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.2    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 
5.3    Ingevolge gedragsregel 16 dient een advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. 
Klachtonderdeel a)
5.4    Aan verweerster komt als dominus litis de vrijheid toe in het behandelen van de zaak. Verweerster is binnen de aan haar toekomende vrijheid gebleven door melding te maken van de arbeidsongeschiktheid, maar door dit niet verder te onderbouwen met het medisch advies. Zoals ook volgt uit het oordeel van de kantonrechter, was immers geen sprake van een opzegverbod. Het verzoek zag op verwijtbaar handelen van klaagster tijdens de sollicitatieprocedure en toen was zij nog niet ziek. Het nader onderbouwen van de ziekte van klaagster met een medisch advies, had dan ook geen meerwaarde in de procedure. Verweerster heeft dan ook gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot. Daar komt bij dat verweerster ter zitting naar voren heeft gebracht de medische onderbouwing nooit te hebben ontvangen van klaagster. Als deze al van belang was geweest voor de procedure, dan kan het niet indienen daarvan haar ook niet worden verweten. Klaagster heeft bovendien ingestemd met het conceptverweerschrift. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdelen b) en c)
5.5    De zaak van klaagster is vrij kort voorafgaand aan de zitting binnengekomen bij verweersters kantoor. Uit het feitenverloop volgt dat verweerster snel is overgegaan tot het verrichten van de vereiste handelingen, zoals het voeren van een gesprek met klaagster, het (tevergeefs) verzoeken om uitstel en het opstellen van een conceptverweerschrift die ook aan klaagster is voorgelegd. Klaagster en verweerder hebben hierover ook telefonisch overleg gevoerd, waarna verweerster aanpassingen heeft gedaan op het concept. Het verweerschrift is vervolgens ingediend en is ook door de kantonrechter geaccepteerd. Verweerster heeft verder binnen deze korte termijn een pleitnota in overleg met klaagster opgesteld. Daarmee heeft verweerster gehandeld zoals van haar kon worden verwacht in de gegeven omstandigheden. Het is de raad niet gebleken dat verweerster beloftes niet is nagekomen, die ook niet nader zijn onderbouwd door klaagster. Klachtonderdelen b) en c) zijn ongegrond.
Klachtonderdelen d), e), f) en g)
5.6    De raad kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verweerster onvoldoende was voorbereid op de zitting of onvoldoende kennis had van de (technische) details, de gemachtigde van klaagster het woord niet liet voeren of dat zij na de zitting aangaf dat klaagster niet goed had geantwoord waardoor de zaak niet goed werd voorgesteld. De klachten zijn op dat punt onvoldoende onderbouwd en ook betwist door verweerster. De raad kan dan ook niet vaststellen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdelen d) tot en met g) zijn ongegrond.
Klachtonderdeel h)
5.7    Verweerster heeft een inschatting gemaakt van de kansen bij het instellen van hoger beroep. Op verzoek van klaagster heeft zij deze inschatting ook heroverwogen. Dat zij daarin tot een andere afweging komt dan klaagster, maakt niet dat zij daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Mede vanuit de kernwaarde onafhankelijkheid heeft verweerster daarbij een ruime vrijheid. Verweerster heeft klaagster vervolgens ook gewezen op de mogelijkheid om een second opinion aan te vragen bij haar rechtsbijstandsverzekeraar over de slagingskansen, om een nieuwe advocaat toegewezen te krijgen die wel hoger beroep voor haar zou kunnen instellen. Zodoende heeft verweerster haar werkzaamheden voor klaagster op behoorlijke wijze afgerond. Klachtonderdeel h) is ongegrond.

BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.


Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M.J.E. van den Bergh en W. van Eekhout, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.

Griffier     Voorzitter

Verzonden op: 26 januari 2026