ECLI:NL:TADRAMS:2026:164 Raad van Discipline Amsterdam 26-157/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:164
Datum uitspraak: 20-07-2026
Datum publicatie: 23-07-2026
Zaaknummer(s): 26-157/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen de eigen advocaat. Verweerster heeft klager gedurende enkele jaren bijgestaan in een familierechtkwestie. Verweerster heeft klager enkele maanden bijgestaan bij een kwestie rondom zijn verblijfsvergunning. Klager verwijt verweerster dat zij hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om een onafhankelijke verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan te vragen. De raad oordeelt dat verweerster klager voldoende heeft voorgelicht. Zij heeft dit echter onvoldoende schriftelijk vastgelegd. Hoewel zij klager niet meer bijstond in verband met zijn verblijfsstatus, had zij dit toch moeten doen, omdat zij het belang van klager bij een onafhankelijke verblijfsvergunning kenden en op de hoogte was van zijn situatie. De raad acht de klacht gegrond, maar legt geen maatregel op.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 juli 2026
in de zaak 26-157/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klager
gemachtigde: mr. H.J.C.M. Karskens

over

verweerster 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 11 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 2 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2505471/AR/KV van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 juni 2026. Daarbij waren klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Op 25 november 2016 heeft klager een verblijfsvergunning gekregen op grond van een huwelijk waaruit een kind was geboren. 
2.3    Verweerster is op 14 november 2018 beëdigd als advocaat. 
2.4    Vanaf 2019 heeft verweerster klager bijgestaan in verband met zijn echtscheiding. 
2.5    Op 13 juli 2020 heeft verweerster een e-mail gestuurd aan klager, met onder meer de volgende inhoud: 
“(…) U verzocht mij als uw advocaat op te treden ter zake uw vreemdelingrechtelijke kwestie. De IND heeft het voornemen om uw verblijfsvergunning in te trekken. U bent in de gelegenheid gesteld om uw zienswijze in te dienen. U wenst hierbij juridisch te worden bijgestaan. Ik heb hiermee ingestemd. 
Zoals besproken zal ik namens u een zienswijze indienen bij de IND. (…)”  
2.6    Op 11 november 2021 heeft de IND de grondslag van de verblijfsvergunning van klager gewijzigd naar verband houdend met gezinsleven met kind.
2.7    Op 16 november 2021 heeft verweerster een e-mail gestuurd aan klager, met onder meer de volgende inhoud:
“Zojuist hebben wij uitvoerig de beslissing op bezwaar besproken. Uw bezwaar is gegrond verklaard en aan u wordt een verblijfsvergunning verstrekt met verblijfsdoel: “verblijf bij uw kind (…)”. Gefeliciteerd met dit mooie resultaat!  
Hiermee komt een einde aan mijn werkzaamheden in dit dossier. Ik zal thans overgaan tot het afsluiten en archiveren van het dossier. Uw dossier zal vijf jaar worden bewaard. Wij hebben geen originele stukken van u.
Het was mij een genoegen om u in deze te hebben mogen bijstaan. Indien u in de toekomst juridische bijstand nodig heeft kunt u altijd contact opnemen met mij. (…)”  
2.8    In september 2022, tijdens een traject van ouderschapsmediation en begeleide omgang, stelde de ex-echtgenote van klager voor het eerst dat klager niet de biologische vader was van het kind. 
2.9    Op 27 september 2022 heeft klager WhatsApp-berichten gestuurd aan verweerster met het verzoek om te bellen. Op 28 september 2022 heeft klager een WhatsApp-bericht gestuurd aan verweerster, met de volgende inhoud: 
“(…) ik heb vaandag gebeld naar gemeente maar ik krijg afsprak binnen 5 en 6 weken dan pas aanvrag”   
2.10    Het DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat klager niet de biologische vader was. De omgang tussen klager en het kind is in november 2022 geëindigd.  
2.11    Op 10 januari 2023 heeft de IND informatie gevraagd over de procedure met betrekking tot de omgang met het kind. 
2.12    Op 23 januari 2023 heeft verweerster een e-mail gestuurd aan klager, met onder meer de volgende inhoud: 
“(…) U verzocht mij als advocaat op te treden ter zake uw vreemdelingrechtelijke kwestie. U wenst juridisch te worden bijgestaan bij uw reactie aan de IND naar aanleiding van het heronderzoek naar uw verblijfsstatus. Ik heb hiermee ingestemd.  
Zoals besproken zal ik namens u reageren op de brief van 10 januari jl. van IND. (…)”  
2.13    Op 20 oktober 2023 heeft de kinderrechter bepaald dat er geen sprake was van gezinsleven tussen klager en het kind. 
2.14    Op 10 november 2023 heeft verweerster een WhatsApp-bericht gestuurd aan klager, met een link naar de website van de IND (https://ind.nl/nl/verlengen-vernieuwen-en-wijzigen/onbepaalde tijd/verblijfsvergunning-onbepaalde-tijd-aanvragen). 
2.15    Op 13 november 2023 heeft klager een WhatsApp-bericht gestuurd aan verweerster, met onder meer de volgende inhoud: 
“(…) ik heb geprobeerd maar lukt het niet met me. Kunt u dat doen alsjeblieft (…)” 
2.16    Op 21 november 2023 heeft klager verweerster per WhatsApp een “aanvraag EU-langdurig ingezetene” gestuurd. 
2.17    Op 8 januari 2024 heeft de IND de verblijfsvergunning van klager, met gezinsleven met het kind als grondslag, met terugwerkende kracht per 20 oktober 2023 ingetrokken. 
2.18    Op 19 juni 2024 heeft mr. G namens klager het volgende aan verweerster geschreven: 
“In de zaak van [klager] benader ik u in verband met het volgende. 
U heeft cliënt bijgestaan in het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2021 waarbij de verblijfsvergunning van cliënt op basis van zijn huwelijk werd ingetrokken. Bij besluit van 11 november 2021 is het bezwaar gegrond verklaard en is de verblijfsvergunning zonder verblijfsgat gewijzigd voor het uitoefenen van gezinsleven met zijn dochter ex artikel 8 EVRM. 
Inmiddels heeft de IND deze verblijfsvergunning bij besluit van 8 januari 2024 met terugwerkende kracht vanaf 20 oktober 2023 ingetrokken omdat is komen vast te staan dat cliënt niet de biologische vader was en ook geen omgangsregeling tot stand is gekomen. Tegen het besluit loopt een procedure. 
Op 10 januari 2023 heeft de IND voor het eerst om informatie gevraagd met betrekking tot de procedure over omgang. 
Cliënt heeft mij verteld dat u hem op 11 november 2021 of daarna niet heeft ingelicht over het feit dat hij op 21 november 2021 voldeed aan de voorwaarden voor een EU-vergunning langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Pas nadat duidelijk was geworden dat cliënt niet de biologische vader was zou u hem daarover hebben ingelicht. Cliënt heeft daarop op 21 november 2023 alsnog een aanvraag om een EU-vergunning langdurig ingezetene aangevraagd. Ook deze aanvraag is afgewezen nadat zijn verblijfsvergunning met ingang van 20 oktober 2023 was ingetrokken. 
Graag verneem ik van u of het juist is dat u cliënt tussen 11 november 2021 en 23 oktober 2023 niet heeft ingelicht over het feit dat hij vanaf 21 november 2021 voldeed aan de voorwaarden voor een EU-vergunning langdurig ingezetene. Indien u cliënt daarop wel heeft gewezen verzoek ik u dat bericht bij te voegen bij uw reactie. Indien u cliënt daarop niet heeft gewezen verzoek ik u mij te laten weten wat daarvan de reden is en of u dit beschouwt als een beroepsfout. 
Mijns inziens had cliënt al lang in het bezit kunnen zijn van een EU-vergunning langdurig ingezetene. Hij had in september 2019 zijn inburgeringsdiploma behaald en beschikte al geruime tijd over voldoende middelen van bestaan. Kort na 21 november 2021 kreeg cliënt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die met u is gedeeld. Indien cliënt na 21 november 2021 en voordat de IND om nadere informatie heeft gevraagd over de omgangsprocedure een aanvraag om een EU-vergunning langdurig ingezetene had ingediend zou deze hoogstwaarschijnlijk zijn ingewilligd en zou cliënt nu niet met de beëindiging van zijn verblijf in Nederland worden bedreigd. (…)”
2.19    Op 5 juni 2025 heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerster, met onder meer de volgende inhoud: 
“Hierbij stel ik u aansprakelijk voor de schade die ik heb geleden door een fout van u.  
De fout is dat u mij tussen 11 november 2021 en 23 oktober 2023 niet heeft ingelicht over het feit dat ik vanaf 21 november 2021 voldeed aan de voorwaarden voor een EU-vergunning langdurig ingezetene.  
U heeft mij bijgestaan in het bezwaar tegen het besluit van de IND van 22 februari 2021 waarbij mijn verblijfsvergunning op basis van mijn huwelijk werd ingetrokken. Bij besluit van 11 november 2021 is het bezwaar gegrond verklaard en is mijn verblijfsvergunning zonder verblijfsgat gewijzigd voor het uitoefenen van gezinsleven met mijn dochter ex artikel 8 EVRM.  
Inmiddels heeft de IND deze verblijfsvergunning bij besluit van 8 januari 2024 met terugwerkende kracht vanaf 20 oktober 2023 ingetrokken omdat is komen vast te staan dat ik niet de biologische vader was en ook geen omgangsregeling tot stand is gekomen.
Op 10 januari 2023 heeft de IND voor het eerst om informatie gevraagd met betrekking tot de procedure over omgang.  
U heeft mij op 11 november 2021 of daarna niet ingelicht over het feit dat ik op 21 november 2021 voldeed aan de voorwaarden voor een EU-vergunning langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Pas nadat duidelijk was geworden dat ik niet de biologische vader was heeft u mij daarover ingelicht. Ik heb toen op 21 november 2023 alsnog een aanvraag om een EU-vergunning langdurig ingezetene ingediend. Deze aanvraag is afgewezen nadat mijn verblijfsvergunning met ingang van 20 oktober 2023 was ingetrokken.  
Ik voldeed kort na 21 november 2021 aan de voorwaarden van een EU-vergunning langdurig ingezetene. Ik heb in september 2019 mijn inburgeringsdiploma al behaald en beschikte al geruime tijd over voldoende middelen van bestaan. Kort na 21 november 2021 kreeg ik een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die u bekend was. U wist dat mijn verblijfsvergunning voor het uitoefenen van gezinsleven met mijn dochter afhankelijk en tijdelijk was en dat deze ook weer ingetrokken zou kunnen worden. Als u mij had verteld dat ik in aanmerking kwam voor een EU-vergunning langdurig ingezetenen zou ik die zeker vóór 23 oktober 2023 hebben aangevraagd. Ik begrijp niet dat u mij dat niet op 11 november 2021 heeft verteld, maar al helemaal niet dat u mij dat niet heeft verteld toen u in de omgangszaak hoorde dat mijn ex stelde dat ik niet de biologische vader van onze dochter was. Toen wist u dat mijn tijdelijke verblijfsvergunning gevaar liep. Zelfs als u het mij nog had verteld op 10 januari 2023, de datum waarop de IND voor het eerst informeerde naar de omgang, had ik nog op tijd een aanvraag om een EU vergunning langdurig ingezetene kunnen indienen.  
Ik heb veel schade geleden door deze fout. Mijn verblijfsvergunning is ingetrokken. Ik heb daartegen bezwaar gemaakt maar dat is ongegrond verklaard. Ik heb een nieuwe aanvraag ingediend, die in eerste instantie ook is afgewezen. Ook daartegen heb ik bezwaar gemaakt. De IND heeft mij nu per 28 januari 2025 een verblijfsvergunning gegeven op grond van mijn huidige huwelijk. Mijn naturalisatieverzoek is ook afgewezen omdat ik geen verblijfsvergunning meer had.  Mijn aanvraag EU-langdurig ingezetene is ook afgewezen omdat ik die heb ingediend in november 2023 en mijn verblijfsvergunning per oktober 2023 is ingetrokken. Van augustus 2024 tot en met december 2024 zijn mijn zorgtoeslag en huurtoeslag herzien, op nihil gesteld en moet ik terugbetalen.  
Ook heb ik immateriële schade geleden. Omdat u mij niet heeft verteld dat ik een EU-vergunning langdurig ingezetenen kon aanvragen heb ik ongeveer 1,5 jaar in stress en onzekerheid geleefd en in angst dat ik Nederland moest verlaten. U weet ook dat ik in mei 2023 een auto-ongeluk heb gehad en dat ik daardoor medische klachten heb gekregen.  
Ik ben nog bezig om de precieze schade vast te stellen.  
Ik verzoek u deze brief door te sturen naar uw beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en mij te laten weten dat u dit heeft gedaan.”   
2.20    Op 11 juni 2025 heeft verweerster de aansprakelijkheid gemeld bij haar verzekeringtussenpersoon. Zij heeft die dag een e-mail gestuurd aan klager, met onder meer de volgende inhoud: 
“Uw e-mail is in goede orde ontvangen en doorgestuurd aan de verzekering. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”    
2.21    Op 25 juni 2025 heeft klager het volgende aan verweerster geschreven: 
“Graag zou ik willen weten of u al iets heeft vernomen van u maatschappelijke verzekering. Zo niet, dan zou ik graag de gegevens willen ontvangen.”
2.22    Op 6 augustus 2025 heeft verweerster het volgende bericht ontvangen van haar tussenpersoon: 
“Met wat vertraging (waarvoor excuses vanuit de maatschappij) kom ik terug op je schademelding.”

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.
a)    Verweerster heeft klager er niet op gewezen dat hij in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Klager voldeed aan de voorwaarden daarvoor. Hij verbleef 5 jaar legaal in Nederland, had zijn inburgeringsdiploma en had voldoende inkomen. Verweerster wist ook dat klager aan de voorwaarden voldeed. Dat verweerster klager erop had moeten wijzen, gold te meer toen duidelijk werd dat zijn verblijfsrecht dat afhankelijk was van gezinsleven met het kind van klager misschien ingetrokken zou worden. 
b)    Verweerster heeft geen gegevens van haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar verstrekt naar aanleiding van de klager gestuurde aansprakelijkstelling.
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. 
Klachtonderdeel a)
4.2    Verweerster heeft betwist dat zij nalatig is geweest. Verweerster wijst erop dat klager haar heeft ingeschakeld om een zienswijze in te dienen (en nadien bezwaar te maken) tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning 'verblijf bij partner' na het verbreken van zijn relatie. Verweerster heeft dit ook met succes gedaan.
4.3    Op 11 november 2021 is het bezwaar gegrond verklaard en is aan klager een nieuwe verblijfsvergunning verstrekt op grond van zijn familieband met het kind. Dit besluit heeft verweerster telefonisch met klager besproken. Daarbij heeft verweerster klager gewezen op het feit dat hij een nieuwe aanvraag voor een vergunning kon indienen in verband met zijn rechtmatige verblijf in Nederland gedurende 5 jaar. Klager liet daarop weten dat hij deze aanvraag zelf zou indienen. 
4.4    Met de gegrondverklaring van het bezwaar was het IND-dossier afgesloten en stond verweerster klager alleen nog bij in zijn familierechtelijke zaak. Deze zaken werd meerdere malen voor enkele maanden aangehouden, waardoor het contact met klager minimaal was. Verweerster had geen zicht op wat klager in de tussentijd aan de omzetting van zijn verblijfsvergunning had gedaan. Dit kon ook niet van haar verwacht worden, ondanks dat zij klager bijstond in de familiezaak.
4.5    Op een gegeven moment gaf klager tijdens de familiezaak aan dat hij een verzoek tot naturalisatie wilde indienen. Hij had daarover navraag gedaan bij de gemeente. Verweerster was lang in de veronderstelling dat klager een aanvraag tot naturalisatie had ingediend, totdat hij haar benaderde en liet weten dat hij een voornemen tot intrekking van zijn verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM had ontvangen, nadat bekend was geworden dat hij niet de biologische vader was van het kind. Verweerster betreurde dit uiteraard en vroeg klager naar (de status van) zijn naturalisatie. Klager gaf te kennen dat hij nalatig geweest was en deze aanvraag niet had ingediend omdat hij andere prioriteiten had. Ook had hij in de tussentijd zijn verblijfsvergunning nog niet omgezet om dezelfde reden. 
4.6    Verweerster heeft zich vervolgens wederom gesteld bij de IND en een zienswijze ingediend tegen het voornemen de verblijfsvergunning in te trekken. Volgens verweerster wist klager wat zijn rechten waren en klopt het niet dat klager deze informatie pas van mr. G gekregen heeft. Klager zou wederom zelf achter een nieuwe aanvraag aan gaan, echter dit heeft hij nagelaten tot 21 november 2023. Verweerster heeft klager meermaals aangespoord om de nieuwe aanvraag in te dienen. Haar opdracht strekte zich daar echter niet toe uit. Vanwege de kosten wenste hij dit zelf te doen en had verweerster er geen zicht op.  
4.7    Helaas zijn er onverwachte wendingen geweest in het leven van klager die ertoe hebben geleid dat de verblijfsvergunning van klager werd ingetrokken. Zijn vaderschap werd ontkend. Echter, het kan niet van een advocaat verwacht worden dat zij constant checkt of een cliënt een bepaalde aanvraag gedaan heeft als een advocaat hem in die kwestie niet bijstaat. In dit geval was klager daar zelf verantwoordelijk voor.
Klachtonderdeel b)
4.8    Op 11 juni 2025 heeft verweerster de claim van klager doorgestuurd naar haar tussenpersoon, die deze heeft doorgestuurd naar de verzekeringsmaatschappij. Op 6 augustus 2025, tijdens de vakantie van verweerster, heeft de tussenpersoon excuses overgebracht voor de vertraging en gevraagd om aanvullende informatie. Verweerster is niet gehouden steeds verdere updates/informatie van de verzekeraar aan klager te verstrekken. Zij heeft de claim uit handen gegeven aan de verzekeringsmaatschappij.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2    Een advocaat dient zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil dient de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan de cliënt te bevestigen. 
Ontvankelijkheid
5.3    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was, of redelijkerwijs kon zijn, van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). 
5.4    De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 

Klachtonderdeel a)
5.5    Naar het oordeel van de raad is klager niet-ontvankelijk voor zover hij erover klaagt dat verweerster bij het afsluiten van klagers (vreemdelingen)dossier op 16 november 2021 heeft verzuimd hem te adviseren. Dit deel van de klacht is immers ingediend na de vervaltermijn van drie jaren. Voor zover klager zich beroept op de termijn als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet, slaagt dit beroep niet. Op 10 november 2023 heeft verweerster klager immers een link gestuurd naar een aanvraagformulier voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De raad gaat er op basis daarvan van uit dat klager vanaf dat moment in ieder geval wist dat hij mogelijk in aanmerking kwam voor een onafhankelijke verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De klacht is meer dan een jaar na 10 november 2023 ingediend. 
5.6    De raad zal vervolgens beoordelen of verweerster een tuchtrechtelijk verwijt treft omdat zij klager onvoldoende over zijn (bedreigde) verblijfstatus heeft geïnformeerd toen bekend werd dat de minderjarige mogelijk niet het biologische kind was van klager, terwijl zijn verblijfsvergunning gegrond was op gezinsleven met het kind. Hierbij stelt de raad voorop dat verweerster klager op dat moment slechts bijstond in de familierechtelijke kwestie. Zij had van klager geen opdracht tot bijstand rondom zijn verblijf in Nederland. 
5.7    Verweerster heeft aangevoerd dat zij klager bij het afsluiten van het vreemdelingendossier in november 2021 mondeling heeft gewezen op de mogelijkheid tot een onafhankelijke verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Tijdens de behandeling van de familiezaak, heeft klager verweerster laten weten dat hij een verzoek tot naturalisatie wilde indienen. Verweerster verkeerde naar zij aanvoert in de veronderstelling dat klager dit ook had gedaan. Volgens verweerster heeft zij, nadat klager op de hoogte werd gesteld dat hij mogelijk niet de vader was, ook besproken dat klager een (onafhankelijke) permanente verblijfsvergunning kon aanvragen. Klager heeft verweerster zelfs verzocht hem daarbij bij te staan, maar dat kon niet op toevoegingsbasis en klager was niet bereid om voor de bijstand van verweerster te betalen. Volgens verweerster heeft klager haar laten weten dat hij een en ander zelf zou regelen. Dat klager dat vervolgens niet had gedaan, werd verweerster pas bekend toen de kinderrechter in oktober 2023 bepaalde dat tussen klager en het kind geen gezinsleven bestond. 
5.8    De raad heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de oprechtheid van deze door verweerster ter zitting geschetste gang van zaken, die bovendien door klager niet gemotiveerd is betwist. De raad gaat er dus vanuit dat verweerster wel degelijk en meerdere keren met klager heeft gesproken over de mogelijkheid om een onafhankelijke permanente verblijfsvergunning aan te vragen. Daarbij is ook besproken - en verweerster is er ook geruime tijd van uitgegaan dat klager hiertoe zou overgaan - dat klager zelf een naturalisatieverzoek zou indienen. In zoverre is de klacht ongegrond. 
5.9    Dit neemt niet weg dat het verweerster, naar het oordeel van de raad, wel valt aan te rekenen dat zij deze informatie schriftelijk niet heeft vastgelegd. Dit had in de gegeven omstandigheden wel gemoeten. Op grond van de gedragsregels is een advocaat gehouden belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Verweerster had klager niet alleen bijgestaan toen zijn vergunning eerder dreigde te worden ingetrokken, ook was zij door haar langdurige bijstand aan klager in zijn familiezaak goed op de hoogte van zijn situatie. Het belang van klager bij een onafhankelijke permanente verblijfsvergunning was groot. Verweerster kende dat belang, niet voor niets sprak zij daar bij verschillende gelegenheden over met klager. De omstandigheid dat verweerster klager vanaf eind 2021 slechts nog bijstond als familieadvocaat ontsloeg haar niet van de plicht om haar advies over klagers verblijfsstatus schriftelijk vast te leggen. Dat zij dit niet heeft gedaan is onzorgvuldig jegens klager en klachtonderdeel a is in zoverre gegrond. 
Klachtonderdeel b)
5.10    Naar het oordeel van de raad is klachtonderdeel b ongegrond. Op 5 juni 2025 heeft klager verweerster aansprakelijk gesteld. Op 11 juni 2025 heeft verweerster melding gedaan bij haar tussenpersoon en heeft zij klager daarvan op de hoogte gesteld. Twee weken later informeerde klager naar de stand van zaken. Tegen de tijd dat verweerster terug was van vakantie en kennisnam van het bericht van klager, had hij al een klacht ingediend. Toen verweerster vervolgens begin augustus 2025 vernam van haar tussenpersoon, heeft zij die informatie gedeeld met de deken, in het kader van de klachtbehandeling. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster op dit punt gehandeld zoals dat van een advocaat mag worden verlangd en is klachtonderdeel b ongegrond. 

6    MAATREGEL
6.1    Hoewel het verweerster tuchtrechtelijk kan worden verweten dat zij heeft nagelaten om belangrijke informatie voor klager schriftelijk vast te leggen, zal de raad geen maatregel opleggen aan verweerster. Hiervoor is redengevend dat de raad er niet aan twijfelt dat verweerster de voor klager belangrijke informatie over een permanente verblijfsstatus op meerdere momenten met hem heeft gedeeld. Klager wist wat hij moest doen, maar heeft ook zelf nagelaten actie te ondernemen. Bovendien ging het om een kwestie waar de bijstand van verweerster zich niet primair op richtte. De raad weegt ook mee dat verweerster ter zitting heeft erkend dat zij haar schriftelijke afsluiting van de vreemdelingenzaak achteraf gezien – zij was destijds een beginnend advocaat, in de afrondende fase van haar opleiding - wat summier vindt, dat zij inzicht heeft getoond in haar handelen en dat zij geen tuchtrechtelijke antecedenten heeft. 
6.2    Klager heeft de raad verder verzocht om een verklaring te geven zoals bedoeld in artikel 48 lid 9 Advocatenwet. Dit verzoek zal worden afgewezen. Zoals hiervoor uiteengezet heeft verweerster klager naar het oordeel van de raad voldoende voorgelicht. De onzorgvuldigheid zit erin dat zij de informatie niet schriftelijk heeft vastgelegd. Dit verzuim geeft de raad onvoldoende grond om een verklaring te geven zoals bedoeld in artikel 48 lid 9 Advocatenwet. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2    Klager heeft gevraagd om een kostenveroordeling zoals bedoeld in artikel 48ac lid 1 onder a Advocatenwet. Voor de omvang van die vergoeding heeft klager verwezen naar de richtlijn kostenveroordeling van het Hof van Discipline. De raden hanteren echter de Richtlijn Kostenveroordeling raden van discipline 2021 (te raadplegen op de website van de raden van discipline). Daarin is het volgende opgenomen:
Klager krijgt in beginsel geen verlet‐ of gemachtigdenkosten vergoed. (…) Gemachtigdenkosten betreffen de bijstand door bijvoorbeeld een advocaat.  Procesvertegenwoordiging is in tuchtzaken niet verplicht.
7.3    De raad ziet geen grond om af te wijken van het in de richtlijn weergegeven beleid. Klager heeft het verzoek om een kostenvergoeding onvoldoende onderbouwd om te kunnen vaststellen dat er grond bestaat voor een beslissing die afwijkt van de richtlijn.  
 
BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel a gedeeltelijk niet-ontvankelijk, zoals overwogen in 5.5, gegrond zoals overwogen in 5.9 en voor het overige ongegrond;
-    verklaart klachtonderdeel b ongegrond;
-    bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
-    wijst de het verzoek tot vergoeding van gemachtigdenkosten af;
-    wijst het verzoek tot een verklaring als bedoeld in artikel 48 lid 9 Advocatenwet af.

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. F.J. Baars en W. van Eekhout, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 juli 2026