ECLI:NL:TADRAMS:2026:16 Raad van Discipline Amsterdam 25-874/A/DH/W
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 23-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-874/A/DH/W |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking |
| Beslissingen: | Wraking |
| Inhoudsindicatie: | Wraking kennelijk ongegrond. De beide wrakingsgronden - zowel de voor de behandeling van de zaak gereserveerde tijd als de weigering van de nagezonden stukken - verband houden met processuele beslissingen op basis van het Landelijk Procesreglement voor klachten bij de raden van discipline. |
Beslissing van de Wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
als plaatsvervanger van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 19 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak 25-874/A/DH/W
naar aanleiding van het verzoek om wraking van na te noemen tuchtrechters,
ingediend door:
verzoeker
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) is een
klachtzaak aanhangig onder zaaknummer 25-434/DH/DH met verzoeker als klager en mr.
D als verweerder (hierna: verweerder).
1.2 De zaak is op de zitting van 15 december 2025 behandeld door mr. S.M. Krans
als voorzitter en mrs. A.N. Kampherbeek en W. Knoester als leden. Daarbij waren aanwezig
verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder.
1.3 Verzoeker heeft op de zitting (zelf) een pleitnota voorgedragen. Zijn betoog
strekte tot wraking van de voorzitter en de leden (hierna gezamenlijk: de tuchtrechters)
op de zitting. De tuchtrechters hebben niet berust in de wraking.
1.4 De wrakingskamer van de raad (hierna: de wrakingskamer) heeft bij zijn beslissing
kennisgenomen van de volgende stukken:
- het proces-verbaal van de behandeling van de klachtzaak op de zitting van 15
december 2025;
- de pleitnota van verzoeker met de wrakingsgronden;
- het verweer van de tuchtrechters bij e-mail van 29 december 2025, dat aan de
wrakingskamer is gestuurd en op 5 januari 2026 aan verzoeker is doorgezonden.
2 BEOORDELING
2.1 Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering
is wraking van een tuchtrechter mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor
de (tucht)rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2 Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve
instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend
geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon
van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve
zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste
is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter
wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders
als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren
voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoeker,
althans dat de vrees daarvoor bij verzoeker objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer
zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden door verzoeker zijn gesteld
en aannemelijk zijn geworden.
2.3 Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd.
In de eerste plaats stelt verzoeker zich op het standpunt dat de voor de behandeling
van zijn klachtzaak gereserveerde tijd van 50 minuten gelet op de omvang en complexiteit
van het klachtdossier alsmede het grote aantal stukken, ontoereikend is om zijn standpunt
volledig en deugdelijk uiteen te zetten. Deze beperkte behandeltijd doet afbreuk aan
het beginsel van hoor en wederhoor en is daarmee onverenigbaar met het recht op een
eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM. Daar komt bij dat deze handelwijze
ook in strijd is met het toepasselijke procesreglement, waarin voor zaken van deze
aard een minimale behandeltijd van 90 minuten is voorgeschreven. Daarnaast zijn door
verzoeker tijdig ingediende stukken ten onrechte buiten beschouwing gelaten. De combinatie
van deze twee gronden rechtvaardigen volgens verzoeker de vrees dat geen sprake is
van een onbevooroordeelde beoordeling van zijn klacht.
2.4 De wrakingskamer overweegt dat de beide wrakingsgronden - zowel de voor de
behandeling van de zaak gereserveerde tijd als de weigering van de nagezonden stukken
- verband houden met processuele beslissingen op basis van het Landelijk Procesreglement
voor klachten bij de raden van discipline (hierna: het procesreglement) dat door de
raad wordt gehanteerd. Naar het oordeel van de wrakingskamer valt daaraan niet de
gevolgtrekking te verbinden dat de rechterlijke onpartijdigheid van tuchtrechters
schade zou kunnen lijden. De tuchtrechters hebben terecht betoogd dat het beslist
niet vreemd is dat er 50 minuten voor de behandeling van een klacht zijn uitgetrokken.
Uit artikel 2.6.4 van het procesreglement blijkt dat een zitting in beginsel niet
is bedoeld voor uitgebreide betogen, maar enkel om de standpunten van partijen nog
kort toe te lichten. De behandelend raad heeft immers voorafgaand aan de zitting alle
(toegelaten) stukken al gelezen. Anders dan verzoeker stelt, bestaat er geen bepaling
in het procesreglement die voorschrijft dat voor zaken als die van verzoeker een minimale
behandeltijd van 90 minuten is voorgeschreven.
2.5 Ook de regels omtrent het indienen van nagezonden stukken staan beschreven
in het procesreglement (artikel 2.4). De raad heeft verzoeker gewezen op het procesreglement
en (het moment en) de omvang van de in te dienen stukken, alsmede het feit dat dit
reglement gepubliceerd is op de website van de raden van discipline. Verzoeker heeft
op 1 december 2025 stukken afgeleverd die van een te grote omvang zijn en deze zijn
daarom geweigerd. Het procesreglement biedt in artikel 2.4.3 de mogelijkheid een nader
verzoek te doen om de gewenste stukken toch tot het dossier te laten behoren, maar
niet is gebleken dat verzoeker een dergelijk verzoek heeft gedaan. Desondanks heeft
de (gewraakte) voorzitter aangegeven het bijzonder ongelukkig te vinden dat hij niet
wist dat stukken waren geweigerd zonder dat de behandelend raad daarvan op de hoogte
was gebracht. De insteek is daarom om dat in de toekomst niet meer te laten gebeuren.
Verder heeft de (gewraakte) voorzitter naar voren gebracht dat hij de omvang van de
stukken naderhand nog heeft ingezien en dat hij bij een eventueel vervolg van de behandeling
van de zaak onder zijn voorzitterschap welwillend zal omgaan met een verzoek om deze
stukken alsnog aan het dossier te laten toebehoren.
2.6 Het is de wrakingskamer niet gebleken van (de schijn van) vooringenomenheid
of partijdigheid bij de tuchtrechters. De beslissingen die volgens verzoeker hiertoe
zouden leiden, zijn immers door de raad in overeenstemming met het procesreglement
genomen. De behandelend raad kan besluiten om anders met de regels om te gaan en de
(gewraakte) voorzitter heeft laten weten dat hij voor wat betreft de omvang van de
stukken hiervoor aanleiding ziet. Ook hieruit volgt dat van een partijdige behandeling
van verzoekers zaak geen sprake is.
2.7 Het wrakingsverzoek is kennelijk ongegrond. De wrakingskamer zal, gelet op
artikel 4 van het Wrakingsprotocol raden van discipline, het verzoek zonder behandeling
ter zitting afwijzen.
BESLISSING
De wrakingskamer:
- verklaart het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de behandeling van de klachtzaak met kenmerk 25-434/DH/DH zal worden
hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd
ingediend.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. D.V.A. Brouwer en C.M. Peeperkorn, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026