ECLI:NL:TADRAMS:2026:151 Raad van Discipline Amsterdam 26-465/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:151 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 16-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-465/A/NH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht advocaat wederpartij kennelijk ongegrond.Verweerder kan niet tuchtrechtelijk worden verweten dat hij bewust onwaarheden heeft verkondigd in strijd met gedragsregel 8. Het stond verweerder vrij om namens zijn cliënt standpunten in te nemen, ook al waren die klaagster onwelgevallig. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 13 juli 2026
in de zaak 26-465/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 3 juni 2026 met kenmerk mr/ds/25-476/2529138, door de raad eveneens ontvangen op 3 juni 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van het door verweerder op 18 juni 2026 nagezonden stuk.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster heeft een geschil met een oud-notaris (hierna “de notaris”). Dit
geschil betreft kort gezegd de vraag of de notaris jegens klaagster onrechtmatig heeft
gehandeld vanwege zijn rol bij de executieveiling van een tweetal appartementen van
klaagster. Klaagster acht de notaris vanwege die rol aansprakelijk en heeft daarom
eind 2024 de notaris gedagvaard.
1.2 Verweerder stond de notaris bij in de desbetreffende procedure bij de rechtbank
Gelderland.
1.3 Verweerder heeft in deze procedure een conclusie van antwoord d.d. 30 april
2024 ingediend [de voorzitter verstaat dit als 30 april 2025] en onder randnummer
2.25 onder meer het volgende aangevoerd:
“ABC Wonen stelt bij randnummer 8 van de Dagvaarding op enigszins tendentieuze wijze
dat [de notaris] de koopsom ‘in rekening zou hebben gebracht’. Feitelijk is het (uiteraard)
zo gegaan dat die koper de koopsom zelfstandig heeft voldaan op de kwaliteitsrekening
van de notaris, zoals te doen gebruikelijk. Een notaris brengt in zover[r]e geen koopsommen
‘in rekening’.
1.4 Verder heeft verweerder in de door hem ingediende conclusie van antwoord
onder randnummer 2.27 aangevoerd:
“[De notaris] benadrukt dat zowel de Kamer voor het Notariaat als de Notariskamer
in hoger beroep in een door ABC Wonen aangespannen tuchtprocedure hebben geoordeeld
dat hij juist heeft gehandeld rond de overdracht van de Appartementen. [De notaris]
refereert aan r.o. 6.5 van de beslissing van de Notariskamer d.d. 16 december 2014
(Beslissing Notariskamer), productie 6 (waarover later meer).”
1.5 Op 3 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
1.6 De rechtbank Gelderland heeft op 1 april 2026 vonnis gewezen en heeft daarbij
de vorderingen van klaagster afgewezen.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder
dat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt doordat hij tot
tweemaal toe de rechter onjuist heeft ingelicht.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter
het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet
omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij
van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt
door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Beoordeling
4.3 Klaagster stelt zich op het standpunt dat verweerder, gelet op de hiervoor
onder 1.3 en 1.4 weergegeven passages, willens en wetens feitelijk onjuiste en misleidende
informatie aan de rechter heeft gepresenteerd. Zij verwijst in dit verband naar art.
21 Rv. Op grond van deze bepaling zijn partijen in een civiele procedure verplicht
om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te
voeren. Genoemde bepaling vindt in de gedragsregels advocatuur zijn tegenhanger in
gedragsregel 8. Op grond daarvan dient een advocaat zich zowel in als buiten rechte
te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans
behoort te weten, dat die onjuist is.
4.4 Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat de door klaagster in de dagvaarding
gebruikte bewoordingen ‘[…] bleek [de notaris] […] de koopsom […] in rekening te hebben
gebracht.’ de suggestie wekten dat de notaris na de executieveiling op eigen initiatief
snel de koopsom in rekening heeft gebracht alsof hij daarbij zelf belang zou hebben
en/of die koopsom hem zou toekomen. Verweerder heeft dat in de conclusie van antwoord
willen nuanceren en acht hetgeen daar door hem naar voren is gebracht juist.
4.5 Ten aanzien van de passage in randnummer 2.27 van de conclusie van antwoord
(zoals hiervoor weergegeven onder 1.4) heeft verweerder aangevoerd dat hij namens
de notaris heeft benadrukt dat de Notariskamer in zijn beslissing heeft geoordeeld
dat de notaris ter zake juist heeft gehandeld. Daar valt volgens verweerder geen speld
tussen te krijgen omdat alle klachten van klaagster over de executieveiling door de
Notariskamer van de hand zijn gewezen.
4.6 De voorzitter volgt verweerder in zijn standpunt en overweegt dat het in
de hiervoor geciteerde randnummers 2.25 en 2.27 van de conclusie van antwoord niet
gaat om het stellen van feiten waarvan verweerder de onwaarheid kent of redelijkerwijs
kan kennen, maar om het presenteren of toelichten van standpunten van zijn cliënt.
Daarin heeft verweerder een grote mate van vrijheid zolang hij niet in strijd handelt
met het onder 4.1 weergegeven toetsingskader. Daarvan is de voorzitter niet gebleken.
4.7 De voorzitter stelt vast dat de klacht van klaagster juridische twistpunten
betreft, waarover klaagster en verweerders cliënt van mening verschilden en waarover
in de gerechtelijke procedure een debat is gevoerd ten overstaan van de civiele rechter.
De voorzitter overweegt dat het niet aan de tuchtrechter is om over de juistheid van
de in de gerechtelijke procedure over en weer naar voren gebrachte standpunten te
oordelen, tenzij verweerder een evident onverdedigbaar standpunt zou innemen en hij
klaagsters belangen daarmee nodeloos en op ontoelaatbare wijze zou schaden. Dat daarvan
sprake zou zijn, is in het geheel niet gebleken.
4.8 Kennelijk kan klaagster zich niet vinden in de inhoud van de randnummers
2.25 en 2.27 van de hiervoor genoemde conclusie van antwoord en de door verweerder
namens zijn cliënt ingenomen standpunten, maar dit betekent nog niet dat verweerder
tuchtrechtelijk kan worden verweten dat hij bewust onwaarheden heeft verkondigd en
dat verweerder daarmee heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 8. In het kader
van de behartiging van de belangen van zijn cliënt stond het verweerder vrij om standpunten
in te nemen, ook al waren die klaagster onwelgevallig. Dat verweerder de rechter feiten
heeft voorgehouden, waarvan hij de onwaarheid kende of kon kennen, is de voorzitter
niet gebleken. En als de door verweerder geponeerde stellingen al onjuist waren, dan
had het op de weg gelegen van klaagster dan wel haar advocaat, om die stellingen in
de procedure voor de civiele rechter te weerspreken.
4.9 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht in zijn geheel kennelijk
ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 juli 2026