We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:150 Raad van Discipline Amsterdam 26-456/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:150
Datum uitspraak: 13-07-2026
Datum publicatie: 16-07-2026
Zaaknummer(s): 26-456/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Verweerder mocht erop vertrouwen dat zijn cliënte de opzeggingsbrief per post aan klager had verstuurd. Klager had naar aanleiding van de e-mail van verweerder alvast een formeel bezwaar kunnen indienen met het verzoek om het bezwaar op een later moment inhoudelijk aan te mogen vullen, omdat hij de opzeggingsbrief nog niet had ontvangen. Het is de voorzitter uit de stukken niet gebleken dat klager van deze mogelijkheden gebruik heeft gemaakt. Verder was verweerder niet gehouden om klager volledige inzage te geven in het fraudedossier van zijn cliënte. Tot slot kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerder niet tijdig op berichten van klager heeft gereageerd. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam

van 13 juli 2026 
in de zaak 26-456/A/A 

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 2 juni 2026 met kenmerk 2514233/ER/JN, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Op 23 juli 2025 heeft ING Bank N.V. (hierna: ING) klager schriftelijk geïnformeerd over de opzegging van de bancaire relatie met klager naar aanleiding van de uitkomsten van een fraudeonderzoek naar diverse chargebackverzoeken van klager (hierna: de opzeggingsbrief.
1.2    Voorafgaand aan de opzeggingsbrief is klager twee civiele procedures tegen ING gestart over de afwijzing van zijn chargebackverzoeken en over zijn verzoeken op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) om inzage in de persoonsgegevens die in het kader van het fraudeonderzoek met derden zijn gedeeld. Verweerder staat ING in deze twee procedures bij.
1.3    Op 25 juli 2025 heeft verweerder klager namens ING in kennis gesteld van de opzeggingsbeslissing en de mogelijkheid om daartegen bezwaar te maken bij de directie van ING. In zijn e-mail heeft verweerder ook vermeld dat ING in de bodemprocedures de relevante gegevens uit het fraudeonderzoek zal overleggen en haar beslissingen van 23 juli 2025 nader zal onderbouwen.
1.4    Op 26 juli 2025 heeft klager verweerder gemaild dat hij de opzeggingsbrief niet heeft ontvangen. 
1.5    Op 6 augustus 2025 heeft ING de opzeggingsbrief naar klager gemaild.
1.6    Op 13 augustus 2025 heeft klager verweerder bericht dat hij de opzeggingsbrief nog niet heeft ontvangen. Ook heeft klager verweerder gevraagd om alle onderliggende stukken en besluitvorming over de opzegging toe te sturen, zodat hij gepaste stappen kan ondernemen.
1.7    Op 14 augustus 2025 heeft verweerder klager een kopie van de opzeggingsbrief gestuurd en daarbij opgemerkt dat hij ervan uitgaat dat klager bekend is met de onderliggende stukken, omdat die betrekking hebben op zijn chargebackverzoeken en de transactieoverzichten van de relevante betrokken bankrekeningen van klager.
1.8    Op 20 augustus 2025 heeft klager een herinnering aan verweerder gestuurd om hem te voorzien van het gehele dossier. 
1.9    Op 25 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.

1.10    Op 12 oktober 2025 heeft klager bij ING bezwaar gemaakt tegen de opzegging van de bancaire relatie. 

1.11    Op 21 november 2026 heeft ING het bezwaar van klager inhoudelijk beoordeeld en geconcludeerd dat de beslissing van 23 juli 2025 op juiste gronden is genomen.
 
2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder heeft de opzeggingsbrief van 23 juli 2025 niet aan klager verstrekt, waardoor hij niet in staat is geweest om binnen de in die brief gestelde termijn van twee weken bezwaar te maken; 
b)    verweerder heeft de verzoeken van klager om volledige inzage te geven in het dossier dat aan de opzegging ten grondslag ligt structureel genegeerd;
c)    verweerder heeft niet tijdig gecommuniceerd. 
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de klachtonderdelen. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerder op dat hij mocht vertrouwen op de mededeling van zijn cliënte, ING, dat de opzeggingsbrief per post aan klager was verzonden. Volgens verweerder was hij niet verplicht om de opzeggingsbrief met spoed afzonderlijk aan klager toe te zenden.
Verder voert verweerder aan dat hij als advocaat op grond van artikel 10a Advocatenwet en de gedragsregels gehouden is tot geheimhouding op grond waarvan hij niet verplicht is om het volledige fraudedossier aan klager te verstrekken. Daarbij merkt verweerder op dat voor zover de verzoeken van klager gebaseerd zijn op artikel 15 van de AVG, aan deze verzoeken voldoende is voldaan. 
Tot slot betwist verweerder dat hij niet tijdig richting klager heeft gecommuniceerd. Daarbij merkt verweerder op dat hij steeds tijdig en adequaat op berichten van klager heeft gereageerd. Volgens verweerder bestaat er geen verplichting om telkens opnieuw te reageren op herhaalde verzoeken wanneer het standpunt reeds bekend is en geen ander antwoord te verwachten valt.
3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.2    De voorzitter oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de opzeggingsbrief van ING niet (bij zijn e-mail van 25 juli 2025) aan klager te verstrekken. ING heeft de opzeggingsbrief naar het bij haar bekende adres van klager verstuurd en verweerder mocht vertrouwen op de mededeling van zijn cliënte dat zij de opzeggingsbrief per post aan klager had verstuurd. In zijn e-mail van 25 juli 2025 heeft verweerder klager gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de opzegging van de bancaire relatie. Klager wist dus in ieder geval vanaf 25 juli 2025 dat ING een opzeggingsbrief naar hem had verstuurd. Als klager die opzeggingsbrief toen niet had ontvangen, had het op zijn weg gelegen om die alsnog bij ING op te vragen. Ook had klager naar aanleiding van de e-mail van verweerder van 25 juli 2025 alvast een formeel bezwaar bij ING kunnen indienen met het verzoek om het bezwaar op een later moment inhoudelijk aan te mogen vullen, omdat hij de opzeggingsbrief nog niet had ontvangen. Het is de voorzitter uit de stukken niet gebleken dat klager van deze mogelijkheden gebruik heeft gemaakt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat klager eerst op 12 oktober 2025 bij ING bezwaar heeft gemaakt tegen de opzegging van de bancaire relatie, waarna ING het bezwaar in behandeling heeft genomen en inhoudelijk heeft beoordeeld. Tot slot is van het niet verstrekken van de opzeggingsbrief door verweerder geen sprake, omdat klager naar eigen zeggen de opzeggingsbrief op 14 augustus 2025 van verweerder heeft ontvangen. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.3    De voorzitter oordeelt op grond van het klachtdossier dat verweerder in het belang van zijn cliënte en op grond van de geheimhoudingsplicht die verweerder ten aanzien van zijn cliënte had, niet gehouden was om klager volledige inzage te geven in het fraudedossier. Op 25 juli 2025 heeft verweerder aan klager bericht dat ING in de (door klager gestarte) bodemprocedures de relevante gegevens uit het fraudeonderzoek zal overleggen en haar beslissingen van 23 juli 2025 nader zal onderbouwen. Nadien heeft verweerder klager bij e-mail van 14 augustus 2025 geïnformeerd over de stukken op grond waarvan ING een fraudeonderzoek naar klager is gestart. Uit deze e-mail blijkt dat het daarbij gaat om chargebackverzoeken van klager, correspondentie over de GeldTerugService en om transactieoverzichten van de betaalrekeningen van klager. Van deze stukken mocht verweerder redelijkerwijs veronderstellen dat klager er zelf al over kon beschikken. Gelet op de e-mails van verweerder van 25 juli 2025 en  
14 augustus 2025 over de door klager verzochte inzage in het dossier, was verweerder niet gehouden om steeds op e-mails van klager met herhaalde verzoeken te blijven reageren. Klachtonderdeel b) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond
4.4    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder niet tijdig op berichten van klager heeft gereageerd. Uit de overgelegde e-mails blijkt juist dat verweerder voortvarend en adequaat op de e-mails en verzoeken van klager heeft gereageerd. Verweerder was niet gehouden om op e-mails van klager te blijven reageren waarin werd verzocht om inzage in het volledige fraudedossier, omdat het standpunt van ING daarover bekend was en ook al eerder aan klager was gecommuniceerd. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.5    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.

Griffier         Voorzitter


Verzonden op: 13 juli 2026