ECLI:NL:TADRAMS:2026:15 Raad van Discipline Amsterdam 25-848/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:15
Datum uitspraak: 19-01-2026
Datum publicatie: 23-01-2026
Zaaknummer(s): 25-848/A/NH
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klaagster heeft geen rechtstreeks belang bij haar verwijten dat verweerster optreedt voor twee partijen die onderling een tegenstrijdig belang zouden hebben en dat verweerster onvoldoende onafhankelijk van haar cliënten zou optreden. In zoverre is de klacht kennelijk niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond. Verweerster heeft namens haar cliënten een redelijk doel nagestreefd. Van misbruik van recht is niet gebleken. Het feit dat de aanhangig gemaakte procedures kosten veroorzaken voor klaagster is inherent aan het recht dat iedereen heeft om een procedure aanhangig te maken en levert geen tuchtrechtelijk verwijt op.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 19 januari 2026
in de zaak 25-848/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 8 december 2025 met kenmerk re/ss/25-142/2478719, door de raad ontvangen op 8 december 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.

1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is mede-eigenaar van een appartementsrecht binnen een zelfbouwproject in Amsterdam. De bouw van het appartement van klaagster is uitgevoerd door K Bouw B.V., een bouwonderneming waarvan de aandelen worden gehouden door Y Holding B.V. (50%) en O Bouw B.V. (50%). De heer Y en zijn echtgenote K, die tevens advocaat is, zijn aandeelhouder van Y Holding B.V. De zoon van klaagster is aandeelhouder van O Bouw B.V. Y Holding B.V. en O Bouw B.V. zijn beide tevens bestuurder van K Bouw B.V.
1.2 Andere appartementseigenaren in hetzelfde gebouw zijn Y c.s. en G. De Vereniging van Eigenaars (hierna: de VvE) is opgericht na de splitsing van het appartementencomplex in appartementsrechten.
1.3 Op 11 oktober 2022 is K Bouw B.V. bij de rechtbank Amsterdam een kortgedingprocedure tegen klaagster gestart. K Bouw B.V. stelt zich namelijk op het standpunt dat klaagster een hogere bouwsom heeft geaccepteerd en nog een bedrag verschuldigd is van € 138.455,67, vermeerderd met renten en kosten. Bij vonnis van 15 november 2022 heeft de voorzieningenrechter de vordering van K Bouw B.V. afgewezen.
1.4 Vervolgens is K Bouw B.V. een bodemprocedure tegen klaagster gestart. In deze bodemprocedure wordt K Bouw B.V. bijgestaan door mr. D. Bij vonnis van 20 maart 2024 heeft de rechtbank Amsterdam de vordering van K Bouw B.V. afgewezen en K Bouw B.V. in reconventie veroordeeld om het appartement van klaagster af te bouwen. K. Bouw B.V. heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam en op 11 november 2025 heeft een zitting plaatsgevonden.
1.5 Uit hoofde van het vonnis van 20 maart 2024 heeft klaagster in februari 2025 derdenbeslagen laten leggen onder Y c.s. (een van de andere appartementseigenaars), op grond van de stelling dat er dwangsommen zouden zijn verbeurd. Verweerster is verzocht om de beslagzaak te behandelen namens Y c.s.
1.6 Klaagster heeft eind 2024 een kortgedingprocedure aangespannen tegen de twee andere appartementseigenaars om hun medewerking aan het voortzetten van de bouw te verkrijgen. Verweerster heeft in deze procedure ook opgetreden voor Y c.s. De vordering van klaagster is bij vonnis van 23 december 2024 afgewezen.
1.7 Op 19 februari 2025 heeft mr. D namens K Bouw B.V. een vordering ingediend bij de VvE. Bij brief van 21 februari 2025 heeft verweerster zich (eveneens) gesteld als de advocaat van de VvE.
1.8 Bij brief van 6 maart 2025 heeft de advocaat van klaagster verweerster erop gewezen dat sprake is van een tegenstrijdig belang. Verweerster heeft in haar reactie van 20 maart 2025 laten weten dat zij meent zowel Y c.s. als de VvE te kunnen vertegenwoordigen, omdat zij hetzelfde doel dienen. Volgens verweerster bestaan er geen onderlinge verschillen tussen de belangen van haar cliënten en zou zijn slechts één belang dienen, te weten de afbouw van het gebouw.
1.9 Op enig moment is verweerster ook G (de andere appartementseigenaar) gaan bijstaan.
1.10 Op 13 maart 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a) verweerster treedt op voor twee leden van de VvE en daarnaast voor de VvE zelf en voor de aannemer (K Bouw B.V.) met wie klaagster dan wel de VvE een geschil heeft. Daarbij is volgens klaagster sprake van een tegenstrijdig belang.
b) verweerster geeft uitspraken van rechters onjuist weer;
c) verweerster handelt in strijd met onherroepelijke vonnissen;
d) verweerster bewaakt niet haar onafhankelijkheid door samen te werken met een collega advocaat die tevens haar cliënte is;
e) verweerster heeft ten slotte onnodige kosten veroorzaakt door een vordering in te stellen die evident kansloos is en heeft klaagster hiermee op kosten gejaagd.

3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Ontvankelijkheid
4.2 De voorzitter ziet zich voor wat betreft klachtonderdelen a) en d) allereerst voor de vraag gesteld of klaagster een rechtstreeks belang heeft bij deze klachtonderdelen. Uitgangspunt is namelijk dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat niet aan eenieder toekomt, maar slechts aan degene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar belang is of kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken, die op grond van artikel 46f Advocatenwet de bevoegdheid heeft tegen een advocaat gerezen bezwaren ter kennis van de raad te brengen.
4.3 In klachtonderdeel a) wordt verweerster verweten dat zij als advocaat optreedt voor partijen met tegenstrijdige belangen, namelijk voor K Bouw B.V., Y c.s. en de VvE, waarvan klaagster zelf lid is. Het optreden van verweerster is volgens klaagster in strijd met gedragsregel 15, vanwege belangenverstrengeling.
4.4 De voorzitter overweegt dat dit klachtonderdeel ziet op de advocaat-cliëntrelatie tussen verweerster en haar cliënten K Bouw B.V., Y c.s en de VvE. Als deze cliënten van verweerster van mening zijn dat er tussen hen een onderling tegenstrijdig belang bestaat, dan kunnen zij daarover desgewenst een klacht over verweerster indienen. Klaagster, die geen cliënte van verweerster is of in het verleden is geweest, staat hier buiten. Voor zover klaagster stelt dat haar als lid van de VvE een recht toekomt om te klagen, volgt de voorzitter klaagster niet. Het is slechts aan (het bestuur van) de VvE om te klagen over een eventueel tegenstrijdig belang. Klaagster heeft als lid van de VvE alleen een afgeleid belang en kan daarover dus niet via het tuchtrecht klagen. Als zij meent dat de VvE verweerster niet als advocaat had mogen inschakelen, dan kan zij de VvE daarop aanspreken. Klachtonderdeel a) is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
4.5 In klachtonderdeel d) verwijt klaagster verweerster dat zij haar onafhankelijkheid niet bewaakt door samen te werken met een collega advocaat die tevens haar cliënte is (mr. K). Dit verwijt ziet op gedragsregel 2, waarin tot uitdrukking is gebracht dat een advocaat onafhankelijk moet zijn in de uitoefening van zijn beroep. Hoewel niet uitgesloten is dat ook klaagster zich als wederpartij kan beroepen op deze gedragsregel, geldt wel dat klaagster dan een duidelijk rechtstreeks eigen belang moet hebben bij een dergelijk beroep. Daarvan is de voorzitter niet gebleken. Voor zover er al sprake van zou zijn dat verweerster haar onafhankelijkheid onvoldoende zou hebben bewaakt door bijstand te verlenen aan een cliënte die ook advocaat is, geldt dat klaagster hierdoor in ieder geval niet rechtstreeks in haar belang wordt getroffen. Klachtonderdeel d) is daarmee eveneens kennelijk niet-ontvankelijk.
Inhoudelijk oordeel
4.6 De voorzitter stelt voorop dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende geschil een oordeel te geven, maar dat in dit tuchtrechtelijk geschil uitsluitend beoordeeld wordt of verweerster zich in haar bijstand aan haar cliënten ten opzichte van klaagster heeft gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelend advocaat. Voor zover klaagster ingaat op besluiten van de VvE, die niet met de vereiste meerderheid zouden zijn genomen danwel in strijd zouden zijn met het splitsingsreglement, valt dat buiten het kader van de tuchtrechtelijke toets. Dit betreft immers de inhoudelijke beoordeling van het onderliggende geschil, waar de tuchtrechter niet over gaat.
4.7 Verder benadrukt de voorzitter dat aan verweerster een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van haar cliënten te behartigen op een wijze die haar passend voorkomt (toetsingskader rov. 4.1). Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Tegen deze achtergrond worden de klachtonderdelen b), c) en e) beoordeeld.
4.8 De klachtonderdelen b), c) en e) lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling en komen neer op de verwijten dat verweerster uitspraken van rechters verkeerd weergeeft, in strijd handelt met onherroepelijke vonnissen en onnodige kosten veroorzaakt door een vordering in te stellen die volgens klaagster evident kansloos is. Naar het oordeel van de voorzitter treffen deze klachtonderdelen geen doel. Ter toelichting geldt het volgende.
4.9 De voorzitter overweegt allereerst dat het anders interpreteren van een vonnis geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert, alsmede dat het klachtdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het verwijt dat verweerster in strijd zou handelen met onherroepelijke vonnissen. Verder geldt dat verweerster terecht heeft aangevoerd dat het haar vrijstaat om een partij bij te staan die een vordering probeert te verhalen. Verweerster heeft in dat verband onderbouwd toegelicht dat er volgens haar en haar cliënten een redelijk doel werd nagestreefd en dat zij dat doel mocht vertegenwoordigen. Dat verweerster daarbij misbruik van recht heeft gemaakt, is de voorzitter niet gebleken. Het feit dat de aanhangig gemaakte procedure(s) kosten veroorzaken voor klaagster is inherent aan het recht dat iedereen heeft om een procedure aanhangig te maken en levert evenmin een tuchtrechtelijk verwijt op.
4.10 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster niet de grenzen heeft overschreden van de vrijheid die zij als advocaat van de wederpartij heeft, en dat zij dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar richting klaagster heeft gehandeld. Klachtonderdelen b), c) en e) zullen dan ook kennelijk ongegrond worden verklaard.
4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaren. Hetgeen klaagster verder naar voren heeft gebracht, leidt de voorzitter niet tot een ander oordeel.

BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdelen a) en d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;

- klachtonderdelen b), c) en e), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.


Griffier Voorzitter

Verzonden op: 19 januari 2026