We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:149 Raad van Discipline Amsterdam 26-531/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:149
Datum uitspraak: 30-06-2026
Datum publicatie: 13-07-2026
Zaaknummer(s): 26-531/A/A
Onderwerp: Artikel 60 b e.v.
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de raad; toewijzing verzoek om wijziging van de eerder op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet opgelegde voorlopige voorziening. Verzoeker heeft duidelijk gemaakt dat de opgelegde voorziening zeer belastend voor hem is en grote gevolgen heeft voor zijn praktijkuitoefening. De raad ziet hierin aanleiding om de opgelegde voorziening te versoepelen.

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 30 juni 2026 
in de zaak 26-531/A/A
van de op 30 juni 2026 achter gesloten deuren gehouden behandeling van het verzoek van: 

verzoeker
gemachtigden

strekkende tot wijziging van de door de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam opgelegde voorlopige voorziening op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet

De raad is als volgt samengesteld: mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en T. Felix, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier. 
Verschenen zijn verzoeker met zijn gemachtigden en de deken (mr. S) met de portefeuillehouder Strafrecht (mr. G) en stafmedewerker (mr. V).
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de raad na een schorsing op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.    Beoordeling 
Schorsing verzoeker  
1.1    Verzoeker is op 10 april 2025 aangehouden. Op 11 april 2025 heeft de rechter-commissaris in strafzaken van de rechtbank Amsterdam een bevel tot bewaring van verzoeker verleend. Op 14 april 2025 heeft de deken de raad op grond van artikel 60ab leden 1 en 2 Advocatenwet verzocht verzoeker in de uitoefening van zijn praktijk te schorsen.
1.2.    Bij beslissing van de raad van 24 april 2025 met kenmerk 25/251/A/A is verzoeker op grond van artikel 60ab leden 1 en 2 van de Advocatenwet met onmiddellijke ingang geschorst in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat. De termijn voor het indienen van een dekenbezwaar op grond van artikel 60ab lid 5 Advocatenwet was gesteld op zes weken na deze beslissing (ECLI:NL:TADRAMS:2025:73). 
1.3.    Op 27 mei 2025 heeft de deken verzocht om de termijn voor het indienen van het dekenbezwaar met zes weken te verlengen. Bij beslissing van de raad van 3 juni 2025 met (eveneens) kenmerk 25/251/A/A heeft de raad dit verzoek ingewilligd (ECLI:NL:TADRAMS:2025:101).

Opheffing schorsing, treffen voorlopige voorziening, aanhouden dekenbezwaar 
1.4    Het dekenbezwaar en een verzoekschrift zijn gelijktijdig behandeld op een besloten zitting van de raad van 8 december 2025. Bij beslissing van 19 januari 2026 met kenmerken 25-469/A/A/D en 25-832/A/A (ECLI:NL:TADRAMS:2026:9) heeft de raad overwogen dat de schorsingsgrond van artikel 60ab lid 2 van de Advocatenwet zich niet meer voordeed omdat verzoeker zich niet meer in voorlopige hechtenis bevond. De raad heeft vervolgens met onmiddellijke ingang de schorsing op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet opgeheven en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet toegewezen, in dier voege dat:
a. verzoeker zijn werkzaamheden als advocaat voor in elk geval de duur van de behandeling van het  - aangehouden - dekenbezwaar dient te verrichten onder het toezicht van een door de deken aan te dragen, onafhankelijke advocaat, die daarvan maandelijks aan de deken schriftelijk verslag uitbrengt en erop toeziet dat verzoeker niet in rechte zal optreden voor cliënten die zich in de piketfase, in de periode van de eerste drie dagen na een aanhouding, als ook in (verdere) (voorlopige) hechtenis bevinden;
b. door de deken wordt bepaald - na overleg met de toezichthoudend advocaat en verzoeker - op welke wijze en met welke frequentie de begeleiding van verzoeker in de praktijk wordt uitgeoefend en wordt geëvalueerd, waaraan verzoeker zich vervolgens dient te houden;
c. verzoeker aan zowel de deken als de toezichthoudend advocaat periodiek een overzicht overlegt van alle dossiers die hij behandelt, onder vermelding van het rechtsgebied waarop de zaak betrekking heeft en, voor zover het strafzaken betreft, van de fase in het strafproces waarin de cliënt op dat moment verkeert.
1.5    De deken is opgedragen om de aanvulling van het dekenbezwaar uiterlijk op 1 november 2026 aan de griffie van de raad (en in kopie aan verzoeker) te verstrekken. 
1.6    Op 23 juni 2026 heeft verzoeker verzocht om wijziging van de bij beslissing van 19 januari 2026 getroffen voorlopige voorziening, danwel een nieuwe voorlopige voorziening te treffen, waarmee de voorwaarden in de huidige vorm komen te vervallen.

Beoordeling verzoek

1.7    De raad stelt vast dat sprake is van een nog lopend opsporingsonderzoek en een ernstige verdenking jegens verzoeker dat raakt aan de kern van het vertrouwen in de advocatuur. Tegelijkertijd geldt dat sinds de arrestatie van verzoeker inmiddels ruim veertien maanden zijn verstreken en dat verzoeker en de deken ter zitting hebben verklaard dat niet duidelijk is wanneer het OM een beslissing zal nemen over de strafrechtelijke vervolging van verzoeker. 

1.8    Verzoeker heeft duidelijk gemaakt dat de opgelegde voorziening zeer belastend voor hem is en grote gevolgen heeft voor zijn praktijkuitoefening. Verzoeker ervaart door de piket- en detentievoorwaarden diverse ernstige belemmeringen waardoor hij zijn praktijk niet of nauwelijks effectief kan herstellen en voortzetten.

1.9    De deken heeft aangegeven dat hij - hoewel hij begrip heeft voor de positie van verzoeker - moet constateren dat de verdenkingen jegens verzoeker nog steeds bestaan en dat er ernstige bezwaren door de rechtbank zijn vastgesteld. Ook moet volgens de deken in deze situatie een algemeen belang worden meegewogen, te weten het waarborgen van vertrouwen in de advocatuur en het voorkomen van risico’s voor potentiële cliënten en voor de rechtspleging. De deken verricht bovendien ook zelf nog nader onderzoek aan de hand van de hem ter beschikking gestelde dossierstukken en heeft hiervoor een termijn ontvangen tot uiterlijk 1 november 2026. Hoewel de deken zich om deze redenen primair tegen opheffing van de opgelegde voorlopige voorziening verzet, kan de deken zich wel voorstellen dat de opgelegde voorziening belastend is voor verzoeker, zeker nu het onderzoek al enige tijd duurt.

1.10    De raad heeft eveneens begrip voor de situatie waarin verzoeker verkeert en ziet in de door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden aanleiding om de opgelegde voorziening aan te passen. De raad zal daarbij rekening houden met de essentie van de bescherming die met de voorziening wordt gediend. In dat verband moet gedacht worden aan het handhaven van beperkingen ten aanzien van het bijstaan van verdachten die gedetineerd zijn in de hoog-risicoregimes, zoals de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) en de Afdeling Intensief Toezicht (AIT), waar de verdenking ten aanzien van verzoeker betrekking op heeft, en met een vorm van periodieke rapportage aan de deken. 

1.11    Gelet op voorgaande komt de raad tot de volgende beslissing. 


2    BESLISSING

De raad van discipline wijzigt met ingang van 15 juli 2026 de bij beslissing van 19 januari 2026 op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet voor de duur van de behandeling van het - aangehouden - dekenbezwaar opgelegde voorlopige voorziening als volgt:

-    de raad heft op de voorwaarde dat verzoeker niet in rechte zal optreden voor cliënten die zich in de piketfase, in de periode van de eerste drie dagen na een aanhouding, als ook in (verdere) (voorlopige) hechtenis bevinden, met dien verstande dat verzoeker niet mag optreden voor cliënten die verblijven in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) en/of de Afdeling Intensief Toezicht (AIT);

-    de raad heft op het toezicht door de toezichthoudend advocaat, met dien verstande dat verzoeker (i) de deken tweewekelijks een overzicht verstrekt van alle dossiers die hij behandelt, onder vermelding van het rechtsgebied waarop de zaak betrekking heeft en, voor zover het strafzaken betreft, van de fase in het strafproces waarin de cliënt op dat moment verkeert; en (ii) verzoeker periodiek (in beginsel één keer per twee maanden) bij de deken langsgaat om zijn praktijk te bespreken en te evalueren, waarbij de deken de wijze van overleg en de frequentie kan aanpassen.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en T. Felix, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier.
Waarvan proces-verbaal,


Griffier    Voorzitter