ECLI:NL:TADRAMS:2026:148 Raad van Discipline Amsterdam 26-444/A/NH 26-446/A/NH/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:148 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-06-2026 |
| Datum publicatie: | 06-07-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Artikel 60b Advocatenwet en dekenbezwaar. De financiële problemen van verweerder laten zich op dit moment niet verenigen met het voeren van een behoorlijke advocatenpraktijk. Verweerder wordt voor onbepaalde tijd geschorst in de uitoefening van zijn praktijk. De schorsing gaat in na één maand. Dit biedt verweerder de gelegenheid om orde op zaken te stellen en concrete stappen te zetten om zo een verzoek tot opheffing van de schorsing voor te bereiden. Ook biedt de periode van een maand verweerder de gelegenheid zijn cliënten te informeren en lopende zaken af te ronden of over te dragen. De beslissing op het dekenbezwaar wordt aangehouden. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 30 juni 2026
in de zaken 26-444/A/NH en 26-446/A/NH/D
naar aanleiding van het verzoek op grond van artikel 60b Advocatenwet van:
deken
tegen:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brief van 26 mei 2026 met kenmerk mm/2591809, heeft de deken van de Orde
van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) ten aanzien van
verweerder een verzoek op grond van artikel 60b, althans 60ab, althans 60c Advocatenwet
bij de raad ingediend. Het verzoek bevat eveneens een dekenbezwaar.
1.2 Het verzoek is achter gesloten deuren behandeld op de zitting van de raad
van 15 juni 2026. Daarbij was de deken aanwezig met een medewerker. Verweerder was
ook aanwezig.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde verzoek van de deken
en de daarbij gevoegde bijlagen 1 tot en met 24.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van het verzoek gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder is sinds 22 mei 2007 advocaat. Van 2017 tot en met 2021 had hij
een maatschap met een andere advocaat. Per 1 januari 2022 is de maatschap ontbonden
en sinds januari 2022 houdt verweerder alleen kantoor. Verweerder voert een grotendeels
algemene sociale praktijk.
Uitspraak 8 augustus 2022
2.3 Op 18 juli 2025 is een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
Noord-Holland gepubliceerd d.d. 8 augustus 2022. Verweerder stond de verzoekster in
deze procedure bij. Uit de uitspraak blijkt dat verweerder niet op de zitting is verschenen,
zich niet voor de zitting had afgemeld en dat verweerder bij voorlopige voorziening
een zogenaamde Midstay-urgentie voor zijn cliënte had aangevraagd, die bij besluit
van 25 april 2022 al aan verzoekster was verleend.
2.4 Uit het dossier van de zaak blijkt dat de gemeente bij brief van 18 juli
2022 aan de rechtbank had laten weten dat de gewenste Midstay-urgentie al was verleend.
De rechtbank heeft bij brief van 20 juli 2022 aan verweerder gevraagd of dit bericht
aanleiding was om het verzoek in te trekken. Verweerder heeft op 25 juli 2022 gereageerd
dat niet te gaan doen.
2.5 In het dossier bevond zich verder een brief van verweerder d.d. 25 juli 2022
aan de gemeente waarin hij voorstelt de lopende procedures, waaronder het betreffende
verzoek voorlopige voorzieningen, in te trekken.
Financiën
2.6 Uit de financiële kengetallen die verweerder heeft aangeleverd bleek een
negatief eigen vermogen en een oplopende crediteurenstand. De privéopnames die verweerder
doet zijn structureel hoger dan het bedrijfsresultaat. Per januari 2026 bedraagt de
belastingschuld van verweerder € 76.004,-.
2.7 Begin 2026 is er ten aanzien van verweerder een coachingstraject gestart
vanwege kwaliteitssignalen. Door verweerder is een financieel plan gemaakt en een
plan voor zijn praktijk.
2.8 Op 19 mei 2026 heeft een kantoorbezoek door de deken plaatsgevonden. Daarbij
is geconstateerd dat niet alle punten van het financieel plan zijn uitgevoerd. Verder
is geconstateerd dat voor het jaar 2026 geen belasting is betaald, dat over de jaren
2024 en 2025 geen aangifte inkomstenbelasting is gedaan en geen voorlopige aanslagen
zijn aangevraagd/opgelegd. Ook is geconstateerd dat verweerder privékosten en -opnamen
vanaf de bankrekening van zijn kantoor pint. Ten slotte is geconstateerd dat de secretaresse
van verweerder recht heeft op beëindiging van het dienstverband en uitkering van transitievergoeding
wegens toekenning van een WIA-uitkering. Verweerder zou de transitievergoeding van
circa € 8.000,- niet kunnen betalen.
Verstekvonnis
2.9 Verweerder heeft een cliënt (verder: LV) bijgestaan in een collectieve schadevergoedingsprocedure
met een financieel belang van circa € 377 miljoen. Deze procedure heeft geleid tot
een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 oktober 2019 waarin is geoordeeld dat
LV de waarheidsplicht heeft geschonden en misbruik heeft gemaakt van haar (proces)bevoegdheid.
2.10 Bij vonnis van 8 april 2026 van de rechtbank Den Haag LV veroordeeld tot
betaling van € 601.175,- aan haar wederpartij, zijnde de volledige proceskosten en
interne kosten.
2.11 Bij vonnis van (eveneens) 8 april 2026 is verweerder in een vrijwaringsprocedure
door de rechtbank Den Haag bij verstek veroordeeld tot betaling van datgene waartoe
LV in de hoofdzaak is gehouden te betalen. De rechtbank heeft in het verstekvonnis
overwogen dat verweerder de betreffende collectieve schadevergoedingsactie heeft gevoerd,
maar daarbij tekort is geschoten in zijn zorgplicht als advocaat, omdat hij niet heeft
gewaarschuwd dat sprake kon zijn van schending van de waarheidsplicht en misbruik
van (proces)bevoegdheid.
2.12 Op de vraag waarom hij geen verweer heeft gevoerd heeft verweerder aanvankelijk
geantwoord dat hij niet bekend was met de dagvaarding. De dagvaarding is echter in
persoon aan verweerder betekend.
2.13 Verweerder heeft aangegeven dat hij de claim bij zijn verzekeraar heeft
gemeld, maar dat er geen verzekeringsdekking is. Dit komt omdat verweerder tot 1 januari
2022 verzekerd was via de maatschap waar hij toen deel van uitmaakte. Nadat hij per
1 januari 2022 als eenmanszaak was verdergegaan heeft hij verzuimd om direct een verzekering
te sluiten. Dat heeft verweerder eerst gedaan per 1 maart 2022.
2.14 LV heeft zich inmiddels over de handelwijze van verweerder beklaagd.
Signaal voormalig medevennoot
2.15 Op 21 maart 2026 heeft de voormalig medevennoot van verweerder de deken
verzocht te bemiddelen aangaande de afwikkeling van de maatschap tussen hem en verweerder.
2.16 Op 27 januari 2026 heeft verweerder zich ten overstaan van de rechtbank
Noord-Holland hoofdelijk verbonden om € 26.705,03 te betalen aan de voormalige verhuurder
van het pand van de maatschap. Verweerder heeft niet aan deze verplichting voldaan,
waarna de verhuurder genoodzaakt was beslag te leggen.
Informeren deken
2.17 Naar aanleiding van de door verweerder ingediende financiële kengetallen
is hem in december 2025 gevraagd de volledige jaarrekening 2024 te verstrekken.
2.18 Bij e-mail van 19 januari 2026 heeft verweerder interne cijfers verstrekt.
In deze e-mail heeft hij aangegeven:
“De overige kortlopende verplichtingen betreffen vervolgens voornamelijk openstaande
omzetbelasting ca. € 29.000. Ik ben met de Belastingdienst in overleg over het inlopen
van deze openstaande posten.”
2.19 In de bespreking van 19 mei 2026 heeft verweerder aangegeven dat hij niets
met de belasting doet omdat hij al bijna een jaar niets van de Belastingdienst heeft
gehoord.
Tikkies
2.20 Op 30 april 2026 is een klacht ontvangen van een voormalig cliënt van verweerder.
Onderdeel van de klacht is dat klaagster heeft vermeld dat facturatie plaatsvond via
‘tikkies’.
2.21 Op 7 mei 2026 heeft klaagster stukken overgelegd waaruit blijkt dat verweerder
op 4 november 2024 een tikkie heeft gestuurd van € 150,- en op 30 juni 2025 een tikkie
van € 355,-.
2.22 Op 19 mei 2026 heeft verweerder aangegeven dat hij de tikkies had verstuurd
vanuit zijn privébetaalrekening.
3 VERZOEK
Het verzoek
3.1 De deken verzoekt de raad om verweerder (primair) op grond van artikel 60b
Aw, dan wel (subsidiair) artikel 60ab Aw, onmiddellijk voor onbepaalde tijd te schorsen
in de uitoefening van zijn praktijk, dan wel een of meerdere voorzieningen met betrekking
tot de praktijkuitoefening door verweerder te treffen.
3.2 De deken heeft de raad ook verzocht om bij wijze van voorziening te bepalen
dat de deken of een door de deken aan te wijzen gemachtigde de bevoegdheid heeft zich,
zo nodig met behulp van de sterke arm, toegang te verschaffen tot de ruimte(s) waarin
de praktijk van verweerder wordt gevoerd, en tot de daarbij behorende voorzieningen,
opdat de deken in het belang van de cliënten van verweerder al die maatregelen kan
nemen, waartoe verweerder als advocaat zelf bevoegd zou zijn en de dossiers in overleg
met de cliënten van verweerder onder kan brengen bij de waarnemer, andere advocaten
of rechtsbijstandverleners en alle overige voorzieningen kan treffen die de deken
nodig acht met het oog op de behartiging van de belangen van die cliënten.
3.3 Ten slotte verzoekt de deken subsidiair een onderzoek in te stellen naar
de toestand waarin de praktijk van verweerder zich bevindt (artikel 60c Aw).
Onderbouwing
3.4 Gezien de inhoud van de signalen en de antecedenten van verweerder is het
volgens de deken op dit moment niet verantwoord om rechtzoekenden aan verweerder toe
te vertrouwen. De deken acht verweerder op dit moment niet in staat tot het verlenen
van adequate bijstand, waardoor geen sprake meer is van een behoorlijke praktijkvoering.
Er is geen zicht op verbetering en de financiële situatie wordt met de dag slechter.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft op 26 mei 2026 een reactie gegeven op het concept van het
verzoekschrift van de deken. Ook is verweerder op zitting verschenen om verweer te
voeren. Samengevat en voor zover relevant komt het verweer van verweerder neer op
het volgende:
Uitspraak 8 augustus 2022
4.2 Verweerder heeft aangegeven dat het verzoek betrekking had op een reguliere
urgentie, terwijl een Midstay-urgentie was afgegeven. De cliënt van verweerder achtte
de toekenning van de Midstay niet voldoende voor haar situatie en wenste daarom door
te procederen om toch een reguliere urgentievergunning te behalen. De uitnodiging
voor de zitting heeft verweerder niet bereikt en er was een miscommunicatie over aanhouding
van de zitting.
Verstekvonnis
4.3 Verweerder benadrukt dat hij bij diverse derden advocatenkantoren advies
heeft ingewonnen en verkregen op basis waarvan hij de betreffende procedure is aangegaan.
De opmerking van de deken dat een dergelijke zaak buiten zijn expertise valt is in
beginsel juist, maar dat is ook de reden dat LV tonnen heeft uitgegeven aan externe
adviezen, welke verweerder vervolgens vertaalde en meenam in de procedure. Verder
merkt verweerder op dat hij de procedure in 2013 (ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0587) tot een
positief einde heeft weten te brengen.
4.4 De toenmalige beroepsaansprakelijkheidsverzekering is ambtshalve per 1 januari
2022 geroyeerd en vervolgens omgezet in een nieuwe verzekering, in welke correspondentie
verweerder volledig is uitgesloten. Verweerder heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen
actief benaderd, echter zonder resultaat. Verweerder heeft inmiddels een verzetdagvaarding
laten uitbrengen en heeft daarmee alsnog verweer gevoerd.
Signaal voormalig medevennoot
4.5 Verweerder heeft zich samen met zijn medevennoot verplicht tot een hoofdelijke
betaalverplichting. Hierover is verweerder nog in gesprek met zijn medevennoot, waarbij
de medevennoot heeft toegezegd te zullen betalen.
Informeren deken
4.6 Verweerder voert aan dat hij telkens de verzochte stukken en informatie heeft
verstrekt. Verweerder heeft geen onjuiste informatie verstrekt. De laatste correspondentie
met de Belastingdienst is immers langer dan een jaar geleden en op verzoeken aan de
Belastingdienst heeft verweerder geen reactie mogen ontvangen.
Tikkies
4.7 Aan de tikkies ligt een factuur ten grondslag, zodat geen sprake is van het
niet afdragen van btw.
Ter zitting
4.8 Op de zitting van de raad heeft verweerder benadrukt dat hij hard werkt aan
het op orde brengen van zijn financiële huishouding. Zijn woning zal worden getaxeerd,
hij is bezig met het afsluiten van leningen en draait veel strafpiketdiensten die
snel omzet opleveren. Zijn vriendin werkt parttime in de praktijk als secretaresse
om orde op zaken te stellen. Juridisch-inhoudelijk stelt verweerder dat zijn werk
in orde is. Ook benadrukt verweerder dat hij met de deken heeft afgesproken dat hij
tot 1 oktober 2026 de tijd krijgt om zijn praktijk op orde te krijgen.
5 BEOORDELING
5.1 Op grond van artikel 60b lid 1 Aw kan de raad op verzoek van de deken een
advocaat die tijdelijk of blijvend geen blijk geeft zijn praktijk behoorlijk uit te
kunnen oefenen, voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk schorsen en/of
een of meer voorzieningen treffen met betrekking tot de praktijkuitoefening van de
betrokken advocaat die de raad geboden acht.
Schorsing
5.2 Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en de toelichting van de deken
en verweerder op de zitting van 15 juni 2026 is de raad tot het oordeel gekomen dat
verweerder gelet op zijn financiën op dit moment niet in staat is de praktijk van
advocaat behoorlijk uit te oefenen. Verweerder heeft al een aantal maanden de gelegenheid
gehad om zijn praktijk op orde te brengen, maar de raad ziet niet terug dat verweerder
hier adequaat mee aan de slag is gegaan. Ook op de zitting heeft verweerder nog niet
concreet aangetoond dat hij op korte termijn zijn schulden onder controle kan krijgen
en/of dat hij regelingen kan treffen met zijn schuldeisers, waaronder de Belastingdienst,
zijn voormalige kantoorgenoot en de voormalige verhuurder van zijn kantoorpand. Het
is de raad op dit moment ook niet gebleken dat verweerder (op korte termijn) een gezonde
bedrijfsvoering kan voeren, wat onder meer betekent dat hij niet meer privévermogen
onttrekt dan dat er is. Verweerder stelde op zitting dat hij zijn praktijk graag op
orde wilde brengen en dat hij dacht dat hij daarvoor tot 1 oktober 2026 de tijd had.
De raad heeft echter geen enkele indicatie gekregen dat verweerder concrete stappen
daartoe heeft gezet.
5.3 De raad wijst het verzoek van de deken dan ook toe op grond van artikel 60b
Aw. Dit betekent dat de raad verweerder voor onbepaalde tijd schorst in de uitoefening
van zijn praktijk. De raad ziet wel aanleiding de schorsing pas in te laten gaan na
één maand. De raad weegt daarbij mee dat de problemen van verweerder op dit moment
met name zien op zijn financiële situatie, niet zozeer op de wijze waarop verweerder
zaken van cliënten inhoudelijk behandelt.
5.4 De reden om de schorsing niet direct in te laten gaan is tweeledig. Ten eerste
biedt dit verweerder alsnog de mogelijkheid om orde op zaken te stellen. Zoals op
zitting is besproken dient verweerder zijn financiën op orde te brengen. Hij moet
zijn schuld bij de Belastingdienst en eventuele andere schulden onder controle krijgen
en aantonen dat hij een gezonde bedrijfsvoering voert. Daaronder valt ook dat verweerder
laat zien dat hij niet méér privévermogen onttrekt aan zijn praktijk dan er is. Op
de zitting is ook besproken dat het belangrijk is dat verweerder gecoacht wordt. Het
coachingstraject dat in januari 2026 startte is inmiddels geëindigd. Verweerder zal
een nieuw coachingstraject moeten starten. De periode van een maand biedt verweerder
de mogelijkheid concrete stappen te zetten om zo een verzoek tot opheffing van de
schorsing voor te bereiden.
5.5 Ten tweede biedt de periode van een maand verweerder de gelegenheid zijn
cliënten te informeren en lopende zaken af te ronden of over te dragen.
5.6 Gelet op het vorenstaande behoeven de subsidiaire verzoeken van de deken
die zijn gegrond op de artikelen 60ab en 60c van de Advocatenwet geen verdere behandeling
meer.
Voorziening
5.7 De deken heeft aangegeven dat als verweerder vrijwillig meewerkt de toewijzing
van de verzochte voorziening eventueel achterwege kan blijven. Verweerder heeft op
de zitting toegezegd dat hij vrijwillig meewerkt aan overdracht van zijn praktijk.
De raad ziet daarom geen aanleiding om de door de deken verzochte voorzieningen met
betrekking tot de praktijkuitoefening van verweerder toe te wijzen.
Dekenbezwaar
5.8 De deken heeft aangegeven dat hij gelet op de antecedentlijst van verweerder
het dekenbezwaar wil handhaven. De deken heeft ook aangegeven dat hij hiermee een
slag om de arm wil houden. De raad ziet mede in deze opmerking van de deken aanleiding
om thans nog niet definitief op het dekenbezwaar te beslissen. Er zal een datum over
drie maanden worden bepaald, waarop de deken kan aangeven of en op welke manier hij
het dekenbezwaar handhaaft.
Slotopmerking
5.9 De raad hecht eraan op te merken dat de schorsing op grond van 60b Aw geen
ordemaatregel betreft maar vooral een maatregel om verweerder tegen zichzelf te beschermen.
Zodra verweerder (weer) in staat is om de praktijk van advocaat behoorlijk uit te
oefenen, kan hij zoals gezegd de raad verzoeken de schorsing en de getroffen voorziening
op te heffen. De raad zal alsdan op de kortst mogelijke termijn op dat verzoek beslissen,
al dan niet na een mondelinge behandeling.
BESLISSING
De raad van discipline:
in de zaak 26-444/A/NH:
- wijst het verzoek van de deken toe en schorst verweerder op grond van artikel
60b Advocatenwet voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk, ingaande
op 30 juli 2026;
in de zaak 26-446/A/NH/D:
- houdt de zaak aan en bepaalt dat de deken uiterlijk op 1 oktober 2026 laat
weten of het dekenbezwaar wordt gehandhaafd.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en I.J. de Laat,
leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 30 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 30 juni 2026