We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:147 Raad van Discipline Amsterdam 26-426/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:147
Datum uitspraak: 29-06-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s): 26-426/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond. Niet gebleken is dat verweerder tekortgeschoten is in zijn dienstverlening.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 29 juni 2026
in de zaak 26-426/A/A 

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 13 mei 2026 met kenmerk 2477064/ER/MV, door de raad ontvangen op 13 mei 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager huurde 1 april 2018 een woning van Stadgenoot. Tussen klager en Stadgenoot zijn bij de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) en het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) verschillende procedures gevoerd. In die procedures hebben drie opvolgende advocaten, waaronder verweerder, klager bijgestaan. 
Procedure met zaaknummer 200.298.561/01
1.2    Bij vonnis van 4 mei 2021 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en is klager veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van € 3.042,62 berekend tot en met april 2021 en tot betaling van € 418,11 per maand voor iedere maand dat klager de woning na 30 april 2021 in gebruik houdt. De kantonrechter is hierbij uitgegaan van de huurprijs die de huurcommissie in haar uitspraak van 26 november 2020 heeft genoemd. 
1.3    Klager heeft aan de veroordeling tot betaling uit het vonnis van 4 mei 2021 voldaan. Stadgenoot heeft de veroordeling tot ontruiming niet ten uitvoer gelegd. Klager heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en bij arrest van het hof van 18 juli 2023 is het bestreden vonnis bekrachtigd. Klager werd in deze procedure – zowel in eerste aanleg als in appel – bijgestaan door mr. O. 
Procedure met zaaknummer 200.310.553/01
1.4    De kantonrechter heeft bij vonnis van 10 maart 2022 de verlaging van de huurprijs over de periode van 1 mei 2019 tot en met 30 april 2020 tot € 418.11 per maand passend geacht en bepaald dat de huurprijs met ingang van 1 mei 2020 € 597.30 per maand bedraagt. Daarnaast is de huurovereenkomst ontbonden en is klager veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van € 2.150.28 over de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 april 2021 en tot betaling van € 597.30 per maand voor iedere maand dat klager de woning na 30 april 2021 in gebruik houdt.
1.5    Klager heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en het hof heeft bij arrest van (eveneens) 18 juli 2023 het vonnis bekrachtigd. Klager werd in deze procedure - zowel in eerste aanleg als in appel - bijgestaan door mr. Van D. 
Procedure met zaaknummer 200.312.277/01 KG
1.6    Deze procedure betreft een executiegeschil waarin verweerder klager heeft bijgestaan. Bij vonnis van 10 mei 2022 heeft de kantonrechter de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming van de woning geschorst zolang klager aan de voorwaarde voldoet dat hij de lopende huurverplichting maandelijks zal voldoen, vermeerderd met een bedrag tot er geen huurachterstand meer zal zijn en alle proceskosten zijn voldaan. 
1.7    Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Op 4 april 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. Bij arrest van het hof van (eveneens) 18 juli 2023 is het bestreden vonnis vernietigd en zijn de vorderingen van klager afgewezen. Het hof heeft - voor zover relevant - overwogen: 
“De grief in incidenteel appel
2.6 [geïntimeerde] stelt dat partijen op 6 april 2022 een regeling hebben getroffen die inhield dat Stadgenoot zou afzien van de ontruiming van de woning als [geïntimeerde] uiterlijk op 12 april 2022 voor 12.00 uur een bedrag van € 2.732,48 zou betalen en de lopende huur tijdig en volledig zou blijven voldoen en een betalingsregeling zou aanbieden voor de resterende huurachterstand. De kantonrechter heeft dit standpunt verworpen en overwogen dat niet voldoende aannemelijk was geworden dat partijen verdergaande afspraken hebben gemaakt dan het niet laten doorgaan van de ontruiming op 13 april 2022 en dat met name niet voldoende aannemelijk was geworden dat Stadgenoot haar recht om op enig moment uitvoering te geven aan het vonnis van 10 maart 2022 heeft prijs gegeven. 
2.7 Tegen dit oordeel van de kantonrechter komt [geïntimeerde] met zijn grief op. Hij verwijst naar een door hem overgelegde verklaring van [naam 3] en een door hem gedeponeerde geheugenstick, waarop (delen van) de gesprekken met [naam 4] op 6 april 2022 zijn opgenomen. Hij stelt dat de getroffen regeling wel degelijk inhield dat Stadgenoot haar recht het ontruimingsvonnis te executeren heeft prijsgegeven zolang [geïntimeerde] zich aan de afgesproken voorwaarden houdt. Over een tijdelijk uitstel van de ontruiming met enkele weken is niet gesproken, dat zou voor [geïntimeerde] ook niet interessant zijn geweest, aldus [geïntimeerde]. 
2.8 De grief faalt. Uit de verklaring van [naam 3] blijkt dat diens inspanningen erop waren gericht te voorkomen dat [geïntimeerde] een week later zou worden ontruimd. In het gesprek waarin [naam 4] de voorwaarden opsomt spreekt deze over het “opschorten” van de ontruiming, zo is te beluisteren op de overgelegde stick. Dat wijst geenszins op een definitief afzien van de executie. Gelet op de door [naam 2] in de eerdere mailwisseling tegenover [mr. O] ingenomen standpunten heeft [geïntimeerde] dat ook niet mogen begrijpen op basis van de vage mededelingen van [naam 4] en [naam 5]. Het argument dat [geïntimeerde] geen baat zou hebben gehad bij enige weken uitstel snijdt geen hout, omdat [geïntimeerde] volgens [mr. O] destijds bezig was met het aanvragen van een medische urgentie en dus tijd nodig had om dat voor elkaar te krijgen. Bovendien is uitstel van een gedwongen ontruiming voor een huurder altijd te verkiezen, wat wel blijkt uit het feit dat [geïntimeerde] in eerste aanleg meer subsidiair ook enige weken uitstel heeft gevorderd. Al met al deelt het hof het oordeel van de kantonrechter dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat Stadgenoot haar recht om op enig moment uitvoering te geven aan het vonnis van 10 maart 2022 heeft prijs gegeven.”
Cassatieadvies
1.8    Klager heeft vervolgens over het arrest van het hof (met zaaknummer 200.312.277/01 KG) cassatieadvies ingewonnen bij mr. Z. 
1.9    Mr. Z heeft in zijn advies van 24 augustus 2023 geconcludeerd dat hij geen mogelijkheid ziet om cassatieberoep in te stellen tegen het arrest. Het advies luidt voor zover relevant:
“Inhoudelijke beoordeling
In de kern draait het kort geding om de vraag of u met Stadgenoot een regeling hebt getroffen die inhield dat Stadgenoot de ontruimingsbevoegdheid heeft prijsgegeven, zolang u aan de gestelde voorwaarden zou (blijven) voldoen. U heeft gesteld dat is overeengekomen dat Stadgenoot zou afzien van de ontruiming van de woning als u uiterlijk op 12 april 2022 de helft van de achterstand zou betalen, de lopende huur tijdig en volledig zou blijven voldoen en een betalingsregeling aan zou bieden voor de resterende huurachterstand.1 Stadgenoot heeft gesteld dat slechts is afgesproken dat de ontruiming op 12 april 2022 zou worden opgeschort indien u de voorwaarden zou nakomen en dat, nadat de ontruiming zou zijn opgeschort, een heroverweging door Stadgenoot zou volgen.2 De kantonrechter heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat Stadgenoot haar recht om op enig moment uitvoering te geven aan het vonnis van 10 maart 2022 heeft prijsgegeven. (…) Als stelregel geldt, dat er niet snel op mag worden vertrouwd dat de rechthebbende afstand wil doen van zijn recht. 
De vraag of uit de verklaring van [M] en de opname van het gesprek met [C] volgt dat definitief is afgezien van de ontruiming, is een kwestie van uitleg die is voorbehouden aan de feitenrechter.7 Het oordeel van het hof kan in cassatie dan ook niet op juistheid, maar enkel op begrijpelijkheid worden getoetst. (…) Afstandsverklaringen dienen in beginsel te worden uitgelegd volgens de Haviltexmaatstaf. (…) Die maatstaf heeft het hof in r.o. 2.8 toegepast. Het hof heeft het oordeel dat Stadgenoot het recht om de veroordeling tot ontruiming ten uitvoer te leggen niet heeft prijsgegeven, gemotiveerd door (…). Ik zie dan ook geen mogelijkheid cassatieberoep in te stellen tegen dit oordeel van het hof.”
1.10    Bij e-mail van 8 september 2023 heeft mr. B - een kantoorgenoot van mr. Z - gereageerd op de opmerkingen van klager over het cassatieadvies en aangegeven dat zij bij het eerder gegeven negatieve cassatieadvies blijven. 


Aansprakelijkstelling en klacht
1.11    Bij e-mail van 9 september 2023 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld. Verweerder heeft de aansprakelijkheid in zijn reactie van 13 september 2023 afgewezen. 
1.12    Klager heeft op 7 maart 2025 de onderhavige klacht tegen verweerder ingediend.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    het onvoldoende onderbouwen van zijn standpunt, ondanks het bestaan van cruciaal bewijs (inclusief de bandopname en aansprakelijkheidstellingen) dat aantoont dat de betalingsregeling impliceerde dat Stadgenoot afstand deed van haar recht op definitieve ontruiming; 
b)    het geven van onjuist en misleidend financieel advies zonder adequate waarschuwing voor de juridische gevolgen van zijn betaling onder protest; 
c)    het nalaten van een krachtig verweer tegen de eenzijdige berekeningen van Stadgenoot, wat door het hof als essentieel werd aangemerkt; 
d)    het niet benutten van de mogelijkheid tot schikkingsonderhandelingen, wat had kunnen leiden tot het voorkomen van een kostbare en langdurige procedure; 
e)    een defensieve en afwijzende houding in zijn communicatie, waarin verweerder de legitieme zorgen van klager bagatelliseert; 
f)    het negeren van belangrijke juridische stappen (aansprakelijkheidstellingen), waardoor de positie van klager ernstig is verzwakt en klager in een kwetsbare persoonlijke situatie is beland; 
g)    zonder toga en onvoorbereid ter zitting te verschijnen. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2    De voorzitter zal de klacht beoordelen aan de hand van deze maatstaf. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. (vgl. Hof van Discipline 3 april 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:80). 
Klachtonderdeel a) onvoldoende onderbouwen standpunt klager
4.3    Klager stelt dat verweerder in de procedure bij het hof heeft nagelaten het hof (zie 1.7 van de feiten) juridisch te instrueren over de toepasselijke Haviltex-maatstaf. Klager verwijst naar het cassatieadvies, waarin volgens klager staat dat het hof onjuist heeft geoordeeld bij gebrek aan juiste uitleg over de afspraken.
4.4    Het is de voorzitter niet gebleken dat het hof onjuist heeft geoordeeld bij gebrek aan een juiste uitleg van de afspraken door verweerder. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat hij zowel de schriftelijke verklaring van M als de bandopname van zijn gesprek met C in de procedure heeft ingebracht. Zoals blijkt uit het arrest van het hof (r.o. 2.7 en 2.8, weergegeven in 1.7 van de feiten) heeft het hof daar ook kennis van genomen. Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij namens klager heeft bepleit dat uit de tekst van deze verklaring/opname blijkt dat verhuurder zou afzien van de ontruiming van 13 april 2022, zolang klager aan de gestelde voorwaarden zou voldoen en dat klager deze regeling ook zo heeft mogen begrijpen. Dat het hof uiteindelijk tot een gemotiveerd ander oordeel is gekomen (zie r.o. 2.6 t/m 2.8), valt verweerder niet te verwijten. In dat verband geldt dat het feit dat het hof de Haviltex-maatstaf niet bij naam noemt, niet betekent dat deze niet is toegepast. Anders dan klager stelt, volgt uit het cassatieadvies van mr. Z evenmin dat het hof onjuist heeft geoordeeld bij een gebrek aan een juiste uitleg van de afspraken. Het cassatieadvies (voor zover relevant weergegeven in 1.9) vermeldt juist “dat er niet snel op mag worden vertrouwd dat de rechthebbende afstand wil doen van zijn recht.” Daarna is in het advies gemotiveerd uiteengezet hoe het hof tot het oordeel over een tijdelijke opschorting van de executie is gekomen en waarom het hof daartoe heeft kunnen komen. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel b) onjuist en misleidend financieel advies 
4.5    Klager stelt dat verweerder hem heeft geadviseerd om een bedrag van € 2.732,48 aan Stadsgenoot te voldoen ter voorkoming van ontruiming. Op zijn advies heeft klager, onder protest, betaald. Deze betaling werd door Stadgenoot vervolgens als erkenning van een huurachterstand ingebracht. Het hof stelde vast dat Stadgenoot zich op “goede gronden” tegen de schorsing verzette, waardoor zijn betaling zijn positie onterecht verzwakte, aldus klager. Ondanks herhaaldelijke aanwijzingen van klager dat hij de door Stadgenoot berekende huurachterstand betwistte, heeft verweerder hem niet tijdig gewaarschuwd dat betaling onder protest geen adequate manier was om zijn verweer te versterken.
4.6    Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder de verwijten in dit klachtonderdeel gemotiveerd weerlegd. Daarbij heeft hij toegelicht dat de veronderstelling van klager dat hij op enig moment met zijn maandelijkse termijnbetalingen van € 100,- de achterstand volledig had ingelopen onjuist was. Er stond nog een substantieel bedrag open. Het vaststellen van de exacte omvang bleek volgens verweerder niet eenvoudig, aangezien enerzijds de betalingen door klager niet altijd op de juiste wijze op het betalingsoverzicht van de deurwaarder waren verwerkt en anderzijds doordat de betalingen door klager een grillig karakter kende (maanden onbetaald laten, delen van de huur betalen, betalingen door derden etc). Voorts diende - onder meer - nog proceskosten en afrekeningen servicekosten in de opstelling te worden betrokken. Uiteindelijk is met een vergelijking van de betalingsverplichtingen enerzijds en de aantoonbare betalingen anderzijds een openstaand bedrag vastgesteld. Daarbij is de gehele huurperiode t/m april 2023 betrokken. Klager stelde dat hij meer had voldaan dan uit de opgave van de verhuurder bleek, maar kon daarvan geen bewijzen overleggen. Daarnaast meende klager dat zijn schadevorderingen op zijn verhuurder aanzienlijk hoger waren dan hetgeen hij aan zijn verhuurder verschuldigd was, zodat per saldo sprake was van een vordering van hem op Stadgenoot. Aangezien klagers vorderingen niet in rechte waren vastgesteld, kon echter geen verrekening plaatsvinden. Op basis van deze feiten en omstandigheden heeft verweerder klager geadviseerd een eventuele betaling aan zijn verhuurder ‘onder protest’ te doen, zodat hij daarmee lucht kon geven aan de - in klagers visie - bestaande aanzienlijke aanspraken op Stadgenoot. Dat verweerder hiermee in tuchtrechtelijke zin ondermaats geadviseerd heeft, heeft de voorzitter niet kunnen vaststellen. 
4.7    Verweerder heeft verder toereikend toegelicht dat - anders dan klager stelt - de door het hof genoemde ‘goede gronden’ op basis waarvan Stadgenoot zich tegen de schorsing van de executie heeft verzet, betrekking hebben op de becijfering van de actuele (april 2023) achterstand in zijn betalingen. De door het hof bedoelde ‘goede gronden’ betreffen het feit dat het vonnis van 10 maart 2022 in hoger beroep is bekrachtigd. 
4.8    Verweerder heeft ook gemotiveerd betwist dat hij klager heeft geadviseerd het achterstallige bedrag te betalen teneinde daarmee de ontruiming te voorkomen en een dergelijk advies blijkt ook niet uit het klachtdossier. Verweerder heeft aangevoerd dat hij klager heeft voorgehouden dat een betaling van deze achterstand mogelijk zou kunnen bijdragen aan het voorkomen van een ontruiming, maar dat daarvoor geen enkele garantie kon worden gegeven. Voor klagers stelling dat verweerder hem onder druk heeft gezet het na herberekening vastgestelde bedrag te betalen, wordt dit door verweerder betwist en biedt het klachtdossier geen feitelijke grondslag. Dat verweerder niet is ingegaan op de door de advocaat van Stadsgenoot besproken gebreken in haar aanvullend verweer, valt verweerder evenmin tuchtrechtelijk te verwijten. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat het al dan niet bestaan van deze gebreken en de aard en omvang daarvan geen rol speelden in het executiegeschil. Het betreft een aanvullend verweer in de bodemprocedure. 
4.9    Voor zover klager verder stelt dat verweerder heeft verzwegen dat hij klager € 1100,- heeft geleend en heeft teruggeëist alvorens hem verder te helpen, geldt het volgende.  Verweerder beaamt dat hij klager 8 april 2022 een bedrag van € 1.100,- heeft geleend om de dreigende ontruiming van 13 april 2022 af te wenden. klager zat er volledig doorheen en zijn mogelijkheden op dat moment elders het resterende bedrag nog te lenen waren uitgeput. Daarom heeft hij destijds gemeend er goed aan te doen het bedrag aan hem te lenen onder de voorwaarde dat hij zich zou inspannen dit zo snel als mogelijk terug te betalen (hetgeen klager heeft gedaan). Verweerder zag en ziet daartegen geen bezwaar. De lening was bovendien al afgelost voordat verweerder in appel inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht, zodat de lening in hoger beroep om die reden geen rol gespeeld kan hebben. 
4.10    De voorzitter is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder de door klager gestelde verwijten gemotiveerd heeft weerlegd en dat van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken. Daarmee is klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel c) het nalaten van een krachtig verweer
4.11    Klager stelt dat verweerder namens hem verweer had moeten voeren tegen de berekening van de wederpartij van de huurachterstand. Klager stelt dat verweerder aldus ten onrechte de huurachterstand legitimeerde die als pressiemiddel werd ingezet om klager te laten betalen. Verweerder heeft klagers kwetsbaarheid misbruikt door hem een lening te laten treffen en betaling af te dwingen alvorens hem te helpen.
4.12    Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerder heeft onderbouwd aangevoerd dat een verweer tegen de in het vonnis van 10 maart 2022 vastgestelde huurachterstand van € 2.150,28, niet tot het speelveld van een executiegeschil behoort, maar - desgewenst - dient te worden aangevochten in de bodemprocedure. Aangezien verweerder klager niet heeft bijgestaan in de bodemprocedure kan hem niet worden verweten dat hij dit verweer niet heeft aangevoerd. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel d) het niet benutten van de mogelijkheid tot schikkingsonderhandelingen 
4.13    Klager stelt dat juist van een huurrecht advocaat mag worden verwacht dat hij onder druk onderhandelt. Klager stelt dat verweerders houding afhoudend en formalistisch was. Zelfs een schikking op termijn of overdracht naar maatschappelijke opvang werd niet besproken.
4.14    Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat voorafgaand aan de zitting van 4 april 2023 de mogelijkheid van een schikking is besproken, maar dat al snel duidelijk werd dat een dergelijke schikking in het geval van klager en Stadsgenoot niet tot de mogelijkheden behoorde. De voorzitter overweegt dat een advocaat de vrijheid heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt en onderschrijft verweerders standpunt dat hij niet gehouden is schikkingsonderhandelingen te starten waarvan volgens hem op voorhand duidelijk was dat deze niet tot een door klager beoogd resultaat zouden leiden (behoud woning; aanbod andere woning). Dat het hof de ruimte heeft geboden voor dergelijke onderhandelingen, doet daar niet aan af. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel e) defensieve en afwijzende houding
4.15    Klager verwijt verweerder een defensieve en afwijzende houding in zijn communicatie en bagatelliseerde de legitieme zorgen van klager. Verweerders suggestie dat zijn ontruiming niet verweerders verantwoordelijkheid was is moreel en juridisch onhoudbaar. De door verweerder geadviseerde acties - zoals het niet verdedigen van de huurachterstand en de gestelde gebreken en het dwingend, misleidende advies betalen van de herberekening - hebben rechtstreeks geleid tot de escalatie. Zijn passiviteit heeft klagers juridische positie (in alle opvolgende zaken) vernietigd. Na klagers aansprakelijkstelling van 9 september 2023 weigerde verweerder volgens klager ieder vervolgcontact, verzuimde hij nader onderzoek te doen en weigerde hij mee te betalen aan een second opinion. 
4.16    De voorzitter is van oordeel dat verweerder in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft toegelicht dat elke vertrouwensbasis voor een voortzetting van zijn bijstand was komen te vervallen nadat klager de kwaliteit van zijn bijstand ter discussie had gesteld en hem aansprakelijk had gesteld. De discussie over de herberekening van de huurachterstand was afgesloten en financieel bijdragen aan een door klager beoogde second opinion was voor verweerder vanzelfsprekend niet aan de orde. Klager wilde per e-mail een discussie gaande houden over deze aansprakelijkheid, terwijl deze door verweerder was afgewezen bij e-mail van 13 september 2023. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat hij niet gehouden was klager daarin te faciliteren. Het is de voorzitter verder niet gebleken dat verweerder de persoonlijke gevolgen van de ontruiming heeft gebagatelliseerd en dit wordt ook door verweerder betwist. Hoewel de voorzitter begrijpt dat de ontruiming zeer ingrijpend moet zijn geweest voor klager, valt verweerder hiervan geen verwijt te maken. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.  
Klachtonderdeel f) het negeren van juridische stappen
4.17    Klager stelt dat als gevolg van de onjuiste advisering van verweerder omtrent de cassatietermijn en het gebrek aan adequaat verweer tegen de huurachterstand, zijn positie werd verzwakt. Dit heeft ertoe geleid dat de rechtbank klager onterecht als wanbetaler heeft bestempeld, hetgeen direct heeft bijgedragen aan zijn ontruiming. Als gevolg van deze nalatige vertegenwoordiging is klager niet alleen financieel benadeeld geraakt, maar heeft hij ook zijn woning verloren en verblijft hij momenteel in een daklozenopvang.
4.18    De voorzitter overweegt dat het aan klager is om zijn verwijten voldoende feitelijk en concreet te omschrijven en met bewijs te onderbouwen, zodat de tuchtrechter de feiten kan vaststellen en beoordelen. Tegenover het verweer van verweerder heeft klager de verwijten in dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd, terwijl in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klagers verwijten. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, is ook dit onderdeel van de klacht kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g) zonder toga onvoorbereid zitting
4.19    Klager verwijt verweerder dat hij zonder toga en onvoorbereid ter zitting was verschenen. Daarnaast bleek verweerder niet in staat te zijn de standpunten helder en overtuigend over te brengen. Verweerder kwam volgens klager niet goed uit zijn woorden en zijn algehele presentatie was verre van de gebruikelijke professionele standaard. 
4.20    Dit klachtonderdeel faalt. Verweerder erkent dat hij op de zitting van 4 april 2023 niet in toga was verschenen, omdat hem was ontschoten dat het hof na de coronatijd - anders dan voorheen - geen toga’s meer aan advocaten beschikbaar stelde; dat daarmee zijn bijstand aan klager nadelig is beïnvloed, is de voorzitter niet gebleken. Voor zover klager verweerder ernstig onprofessioneel gedrag ter zitting verwijt heeft klager hiervan geen enkele plausibele onderbouwing gegeven en valt dit evenmin af te leiden uit de overgelegde stukken. Klachtonderdeel g) is kennelijk ongegrond. 
Slotsom 
4.21    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder tekortgeschoten is in zijn dienstverlening aan klager. Al hetgeen klager verder nog naar voren heeft gebracht, leidt de voorzitter niet tot een ander oordeel.  

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026. 


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 29 juni 2026