We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:146 Raad van Discipline Amsterdam 26-425/A/A 26-429/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:146
Datum uitspraak: 29-06-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s):
  • 26-425/A/A
  • 26-429/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Dreigementen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaten van de wederpartij. Geen sprake van dreiging of intimidatie, maar een gebruikelijke advocatenbrief met sommatie. Verder is het aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter om de rechtmatigheid van een gelegd beslag te beoordelen. De toets door de tuchtrechter is op dit punt een terughoudende, namelijk het onnodig of onevenredig schaden van de belangen van de wederpartij zonder redelijk doel. Daarvan is in de gegeven omstandigheden geen sprake.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 29 juni 2026 (bij vervroeging) 
in de zaken 26-425/A/A en 26-429/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerders 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 13 mei 2026 met kenmerk 2506006 en 2506003/JS/MV, door de raad ontvangen op eveneens 13 mei 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster heeft een affectieve relatie gehad met wijlen de heer V (hierna: V). Na diens overlijden is tussen klaagster en de kinderen van V, tevens de erfgenamen in de nalatenschap van V, een geschil ontstaan over kort gezegd (de overwaarde van) een appartement in te Amsterdam en de (nakoming van) afspraken die in dat verband zouden zijn gemaakt. Verweerders hebben de erfgenamen in dit geschil bijgestaan. 
1.2    Onder toezending van een concept-dagvaarding, hebben verweerders klaagster bij brief van 25 juni 2024 het volgende geschreven, voor zover relevant:
“Wij wijzen u en uw (beoogd) executeur erop dat het vastleggen van andersluidende afspraken in uw testament mogelijk juridische gevolgen heeft voor niet alleen u maar ook voor de executeur. In dat kader bestaat onduidelijkheid bij cliënten over wie de executeur van uw testament zal zijn. Eerder hebben cliënten begrepen dat [u] uw neef daartoe heeft aangewezen maar later zou uw zus deze rol op zich gaan nemen. Wij vernemen graag van u, naast uw bevestiging van de afspraken, wie de executeur van uw testament zal zijn. Mocht een reactie hierop uitblijven, behouden wij ons namens cliënten het recht voor om ons tot zowel uw zus als neef te wenden om diegene in te lichten over de gemaakte afspraken.”
1.3    Bij brieven van 15 juli 2024 en 26 augustus 2024 heeft de advocaat van klaagster, mr. D, namens klaagster inhoudelijk gereageerd op deze brief. 
1.4    Op 28 augustus 2024 is de dagvaarding aan klaagster betekend.
1.5    Bij brief van 14 oktober 2024 hebben verweerders de advocaat van klaagster geschreven, voor zover relevant: 
“Onze cliënten zijn voornemens in de procedure bij de rechtbank Amsterdam de eis op een aantal punten te wijzigen. Deze wijziging zal in ieder geval bestaan uit het intrekken van de vordering in het petitum onder II. b., te weten de vordering om [klaagster] te gebieden de Overwaarde- afspraak in haar testament vast te leggen, en een (mogelijk) verduidelijking dat daadwerkelijke nakoming pas mogelijk zal zijn zodra de meerwaarde materialiseert. De akte houdende wijziging van eis zullen wij zo spoedig mogelijk indienen waarvan u vanzelfsprekend gelijktijdig een kopie zal ontvangen.
Verder delen cliënten graag mee dat zij momenteel conservatoir beslag leggen op het Appartement. Cliënten achtten zich genoodzaakt om deze stap te zetten ter verzekering van het verhaal van hun vordering tot in de hoofdzaak is beslist. Deze noodzaak werd mede ingegeven door het voornemen van [klaagster] het Appartement op korte termijn te verkopen, en uit de feiten en omstandigheden is gebleken dat [klaagster] de gemaakte afspraak ten aanzien van de Overwaarde niet vrijwillig zal eerbiedigen.
Deze beslaglegging is enkele en alleen ingegeven door deze noodzaak: cliënten zijn er niet op uit om de gemoederen hoog op te laten lopen en het geschil (verder) te laten escaleren. Hun vader, [V] senior, zou dat ook zeker niet gewild hebben. Daarom hebben cliënten op zorgvuldige wijze de belangen van [klaagster] afgewogen in hun beslissing om tot beslaglegging over te gaan. In dat kader maken cliënten ook graag van de gelegenheid gebruik om nogmaals hun aanbod te herhalen om het geschil met [klaagster] onderling te schikken.”
1.6    Op 12 februari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verweerders hebben zich op die zitting bediend van pleitaantekeningen. 
1.7    In de daaropvolgende periode is tussen verweerders en de advocaat van klaagster gecorrespondeerd. Bij vonnis van de rechtbank van 26 maart 2025 zijn de vorderingen van de cliënten van verweerders afgewezen. In r.o. 4.6. heeft de rechtbank overwogen:
“Nu de overwaarde afspraak niet in de koopovereenkomst is vastgelegd en de stukken waarop de erven [V] zich hebben beroepen hetzij betrekking hebben op (klaarblijkelijk mislukte) pogingen van [V] senior om daarover een afspraak te maken, hetzij op een overwaarde bepaling die [klaagster] in haar testament zou moeten opnemen, kan niet in rechte worden vastgesteld dat [V] senior en [klaagster] een afspraak hebben gemaakt die inhoudt dat de overwaarde bij verkoop van het appartement naar [V] senior, dan wel zijn erfgenamen gaat.”
1.8    Op 14 juli 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerders. 
2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerders het volgende:  
a)    verweerders hebben in de brief van 25 juni 2024 met intimidatie en een dwangsom geprobeerd inbreuk te maken op haar fundamentele recht op testeervrijheid; 
b)    verweerders hebben in de brief van 25 juni 2024 ongeoorloofd gedreigd de familie van klaagster in te schakelen voor een privézaak; 
c)    verweerders hebben in de brief van 14 oktober 2024 de onhoudbare testamentaire eis na dagvaarding ingetrokken, maar tegelijkertijd de intimidatie opgevoerd door mee te delen dat werd overgegaan tot het leggen van conservatoir beslag. 

3    VERWEER
3.1    Verweerders heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader 
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaten van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt(en) hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt(en) nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel vanuit mogen gaan dat de informatie die zij van hun cliënt(en) hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt(en) willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdelen a) en b) 
4.2    De voorzitter ziet aanleiding tot een gezamenlijke beoordeling van deze klachtonderdelen over de brief van verweerders 25 juni 2025. Volgens klaagster hebben verweerders in die brief met intimidatie en op straffe van een dwangsom geprobeerd inbreuk te maken op haar fundamentele recht op testeervrijheid (klachtonderdeel a)). Verder hebben verweerders volgens klaagster hierin ongeoorloofd gedreigd de familie van klaagster in te schakelen voor een privézaak (klachtonderdeel b)).  
4.3    De voorzitter overweegt allereest dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende geschil een oordeel te geven. De vraag of de door verweerders in de brief ingenomen standpunten inhoudelijk juist zijn, valt buiten het bestek van dit tuchtrechtelijk geschil. De tuchtrechter beoordeelt uitsluitend of verweerders zich in hun bijstand aan de erfgenamen ten opzichte van klaagster hebben gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelende advocaten. Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven toetsingskader (zie 4.1) geldt daarbij dat aan verweerders een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van hun cliënten te behartigen op een wijze die hen passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Het is de voorzitter onvoldoende gebleken dat die situatie zich hier heeft voorgedaan. 
4.4    Anders dan klaagster is de voorzitter van oordeel dat de brief van 25 juni 2024 een gebruikelijke advocatenbrief betreft en dat de passages (weergegeven onder 1.2 van de feiten) niet geduid kunnen worden als (poging tot) dreiging of intimidatie. Verweerders hebben onderbouwd toegelicht waarom zij zich namens hun cliënten genoodzaakt zagen om de eerste stappen tot het treffen van rechtsmaatregelen te zetten en waarom de brief van 26 juni 2024 [de voorzitter begrijpt: 25 juni 2024] voor hun cliënten een benodigde stap was om de rechten die zij menen te hebben veilig te stellen. De voorzitter overweegt dat de bewoordingen in de brief zorgvuldig zijn gekozen, voorzien van de nodige voorbehouden en zonder gebruik te maken van (onnodig) stellige woorden. Zoals verweerders hebben aangevoerd en ook uit de brief blijkt, waren verweerders zich ervan bewust dat klaagster, aan wie de brief gericht was, mogelijk nog geen juridische bijstand had. Daarom hebben zij ervoor gekozen om eerst vragen te stellen en voorbehouden te maken. Daarmee hebben verweerders laten zien niet alleen de belangen van hun cliënten, maar ook die van klaagster in acht te nemen. Het stond verweerders verder vrij om aan te kondigen dat zij, bij het uitblijven van een reactie van klaagster, mogelijk contact zouden opnemen met een familielid. Verweerders hebben onderbouwd toegelicht waarom dat in het belang van hun cliënten noodzakelijk was en mochten dit dus namens hun cliënten op deze wijze in de brief opnemen. 
4.5    Hoewel invoelbaar is dat klaagster is geschrokken van de brief van verweerders, stond het verweerders gelet op het voorgaande vrij om deze in het belang van hun cliënten zo op te stellen en aan klaagster te sturen. Zij hebben hiermee de belangen van klaagster niet onnodig geschaad. Klachtonderdelen a) en b) zijn dan ook kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel c)    
4.6    Klaagster verwijt verweerders dat zij haar verder hebben geïntimideerd door conservatoir beslag te laten leggen op het appartement. Deze ingrijpende maatregel bood volgens klaagster geen zekerheid voor een reële vordering maar moest resulteren in het opvoeren van schikkingsdwang. Onder druk van het beslag bleven verweerders daartoe uitnodigen terwijl er niets te schikken viel. Ook hun alternatief om de beslagvordering bij een notaris in depot te houden, blokkeerde in feite alleen maar de aankoop van een nieuwe woning. Dat het beslag ondeugdelijk, dan wel op zijn minst genomen disproportioneel was, is volgens klaagster bevestigd in het vonnis van 26 maart 2025 waarin alle vorderingen zijn afgewezen en de cliënten van verweerders zijn veroordeeld tot de proceskosten. Nu de juridische onhoudbaarheid van het beslag is vastgesteld, ontbrak dus elke rechtvaardiging voor de inzet daarvan als pressiemiddel.
4.7    De voorzitter stelt voorop dat het aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter is om de rechtmatigheid van een gelegd beslag te beoordelen. De toets door de tuchtrechter is op dit punt een terughoudende, namelijk het onnodig of onevenredig schaden van de belangen van de wederpartij zonder redelijk doel. Wat betreft de redelijkheid van het doel weegt mee dat de Nederlandse wetgever nu eenmaal heeft gekozen voor een systeem waarin conservatoire beslaglegging met verlof van de voorzieningenrechter mogelijk is. Beoordeeld tegen die achtergrond is het handelen van verweerders niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ter toelichting geldt het volgende. 
4.8    Verweerders hebben gemotiveerd aangevoerd dat klaagster meerdere malen heeft aangegeven het appartement te willen verkopen en het voor hun cliënten duidelijk was dat klaagster de vorderingen niet vrijwillig zou nakomen en klaagster evenmin de uitkomst van de hoofdzaak niet wilde afwachten. De voorzitter onderschrijft het standpunt van verweerder dat deze omstandigheden een rechtvaardiging boden voor het leggen van conservatoir beslag op het appartement. Voor zover klaagster stelt dat dat het beslag bedoeld was als oneigenlijk pressiemiddel, is het de voorzitter gelet op de toelichting in de brief van 14 oktober 2024 (weergegeven onder 1.5 van de feiten) niet gebleken dat deze indruk terecht is. Uit het vonnis van 26 maart 2025 volgt, anders dan klaagster stelt, evenmin dat het conservatoir beslag achteraf gezien als oneigenlijk intimidatiemiddel is ingezet. Verweerders hebben terecht aangevoerd dat het feit dat de rechter het bestaan van de overwaarde-afspraak niet in rechte heeft kunnen vaststellen, niet zonder meer betekent dat hun processtrategie daarmee intimiderend of bedreigend moet zijn geweest. Klachtonderdeel c) is daarmee kennelijk ongegrond.
Conclusie  
4.9    De voorzitter komt tot de slotsom dat verweerders in hun bijstand aan hun cliënten ruimschoots binnen de grenzen van het betamelijke zijn gebleven. Al hetgeen klaagster verder heeft gesteld, leidt de voorzitter niet tot een ander oordeel. 


BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht over verweerders met kenmerken 26-425/A/A en 26-429/A/A met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026. 


Griffier         Voorzitter


Verzonden op: 29 juni 2026