ECLI:NL:TADRAMS:2026:145 Raad van Discipline Amsterdam 26-424/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:145 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 03-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-424/A/NH |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks eigen belang. Dat verweerder zijn neef adviseert betreft een aangelegenheid tussen verweerder en zijn neef, waar klaagster als wederpartij buiten staat. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 29 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak 26-424/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 13 mei 2026 met kenmerk mr/25-426/2520182, door de raad ontvangen op (eveneens) 13 mei 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 (A-Klachtdossier) en bijlage 8 (B-Overige correspondentie). Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de nagezonden stukken van klaagster van 1 juni 2026 en van verweerder van 2 juni 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster woont in Nederland en is verwikkeld in verschillende rechtszaken
in Suriname tegen de neef van verweerder. Verweerder adviseert zijn neef in dit geschil
sinds het begin daarvan, vanaf ongeveer januari 2018. Verweerder treedt niet op als
de advocaat van zijn neef; hij is niet als advocaat ingeschreven in Suriname. Zijn
neef heeft een advocaat in Suriname.
1.2 In 2024 heeft zich een incident voorgedaan bij de Kamer van Koophandel en
Fabrieken in Paramaribo, waarbij verweerder ook aanwezig was.
1.3 Op 4 september 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder verleent rechtsbijstand aan zijn neef omtrent zaken die zich in
Suriname afspelen, waarbij verweerder geen openheid van zaken geeft en verzwijgt dat
hij in Nederland advocaat is;
b) verweerder heeft zich in een heftige woordenwisseling onbetamelijk uitgelaten
bij een ernstig incident bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken in Paramaribo.
3 VERWEER
3.1 verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De voorzitter overweegt als volgt. Daargelaten of klaagster - gelet op het
bepaalde in artikel 46g, lid 1, onder a, van de Advocatenwet - haar klacht (volledig)
tijdig - dat wil zeggen binnen drie jaar - heeft ingediend, geldt het volgende. Op
grond van de Advocatenwet komt het recht om een klacht in te dienen uitsluitend toe
aan de persoon of rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat
direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen. Als het in het algemeen belang
is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 Het is de voorzitter niet gebleken op welke wijze klaagster door het adviseren
van verweerder aan zijn neef rechtstreeks in haar belang zou zijn getroffen. Dat verweerder
zijn neef adviseert betreft een aangelegenheid tussen verweerder en zijn neef, waar
klaagster als wederpartij buiten staat. Verweerder hoefde daarover ook geen openheid
te geven aan klaagster. Voor wat betreft het incident bij de Kamer van Koophandel
en Fabrieken geldt, nog afgezien van het feit dat de voorzitter niet heeft kunnen
vaststellen dat verweerder zich onbetamelijk heeft uitgelaten, dat verweerder onweersproken
heeft aangevoerd, dat klaagster niet bij dat incident aanwezig was en alleen al daarom
niet rechtstreeks in haar belang is getroffen.
4.3 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht in beide onderdelen
daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van een rechtstreeks
eigen belang. Al hetgeen klaagster verder heeft gesteld, leidt de voorzitter niet
tot een ander oordeel.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 29 juni 2026