We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:144 Raad van Discipline Amsterdam 26-371/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:144
Datum uitspraak: 29-06-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s): 26-371/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak. Verweerder is in zijn bijstand aan de ex-partner van klager ruimschoots binnen de grenzen van het betamelijke gebleven

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 29 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak 26-371/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 28 april 2026 met kenmerk 2525640/EvR/AP, door de raad ontvangen op eveneens 28 april 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klager op 25 mei 2026 nagezonden stukken. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager en zijn ex-partner hebben samen twee minderjarige kinderen. Partijen verschillen van mening over de gemaakte afspraken tussen partijen in het kader van een eerder overeengekomen zorgregeling. 
1.2    Verweerder staat de ex-partner van klager sinds 26 september 2024 bij. Hij heeft de zaak overgenomen van mr. E en is dus de opvolgend advocaat. Verweerder treedt namens de ex-partner op in drie familierechtelijke procedures, te weten:  
I.    een bodemprocedure tot wijziging van de bij echtscheiding vastgestelde zorgregeling voor de kinderen. Deze procedure is gestart per 24 februari 2025; 
II.    een procedure provisionele voorziening in het kader van de bodemzaak. Deze procedure is gestart per 24 februari 2025;  
III.    een kortgedingprocedure tot nakoming van de zorgregeling en gemaakte afspraken. Deze procedure is gestart per 4 september 2025.  
1.3    Klager wordt in de onderliggende procedures door zijn advocaat, mr. Van W, bijgestaan. 
1.4    Voordat verweerder de zaak had overgenomen, heeft medio 2024 een viergesprek plaatsgevonden tussen klager en zijn advocaat mr. Van W, en de ex-partner en haar toenmalig advocaat mr. E. 
1.5    Op 30 augustus 2024 is de ex-partner van Helmond naar Landsmeer verhuisd. 
1.6    Op 26 september 2024 heeft verweerder een e-mail aan klager gestuurd, waarin hij zich stelt als de nieuwe advocaat van de ex-partner van klager en een voorstel doet voor een zorgregeling. Onderdeel van het voorstel luidt: 
“De kinderen zullen om de 14 dagen van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur bij cliënte zijn waarbij cliënte de kinderen haalt en brengt, nader te bepalen in onder overleg;”
Verder schrijft verweerder, voor zover relevant: 
“Graag verneem ik spoedig, doch uiterlijk binnen 10 dagen na heden van u of u met voornoemde zorgregeling kunt instemmen, bij gebreke waarvan cliënte genoodzaakt zal zijn een verzoek in te dienen bij de rechtbank tot het vaststellen van een zorgregeling tussen haar en de kinderen. In dit verband wordt opgemerkt dat een zorgregeling tussen de kinderen en de ouder bij wie de kinderen niet hun regulier verblijf hebben, ook het wettelijk uitgangspunt is.”
1.7    Op 27 september 2024 heeft de voormalig advocaat van de ex-partner (mr. E) verweerder erop gewezen dat klager werd bijgestaan door een advocaat. 
1.8    Verweerder heeft vervolgens diezelfde dag (eveneens 27 september 2024) zijn e-mail van 26 september 2024 doorgestuurd aan de advocaat van klager. In zijn begeleidende e-mail schrijft verweerder:
“Uit de door mij ontvangen stukken/informatie kon ik niet opmaken dat [klager] reeds door u werd bijgestaan, dit is mij vanochtend pas bekend geworden. Ik zal mij in onderhavige zaak uiteraard in het vervolg rechtstreeks tot u richten. 
Graag verneem ik uw reactie op onderstaand bericht aan uw cliënt.”
1.9    Op 28 september 2024 heeft klager vier Whatsappberichten aan verweerder gestuurd:
“Hoe haal jij het in je hoofd een advocaat te passeren en cliënt van een collega rechtsreeks te benaderen en ook nog verkapt te bedreigen. Please explain.”
“Dit moet gewoon stoppen, Je collega (…) discrimineert mij in bijzijn van mijn advocaat en vervolgens negeert hij alles 3 maanden lang. Jij benadert mij direct en verziekt mijn weekend.”
“Dit gaat per direct stoppen dit geïntim[id]eer van jou en je cliënt. Ben ik duidelijk of zijn er nog onduidelijkheden? Ik kan ook een melding maken bij de deken als dat helpt. Kappen per direct.’
“info@advocatenkantoor(...).nl”
1.10    Verweerder heeft niet op deze Whatsappberichten gereageerd en klager geblokkeerd. Verweerder heeft diezelfde dag de advocaat van klager verzocht om haar cliënt erop te wijzen dat hij verweerder niet meer rechtstreeks mag benaderen.
1.11    Bij e-mail van 18 oktober 2024 heeft verweerder de advocaat van klager herinnerd aan zijn e-mail van 26 september 2024, die hij op 27 september 2024 aan haar had doorgestuurd. Hij schrijft in dat verband: 
“Op mijn onderstaand bericht van 26 september 2024 aan uw cliënt, dat ik op 27 september 2024 aan u heb doorgestuurd, heb ik niet van u vernomen. Inmiddels zijn we drie weken verder. 
Ik verneem dan ook graag spoedig, doch uiterlijk binnen 5 dagen na heden of uw cliënt met het voorstel in de email van 26 september 2024 kan instemmen, bij gebreke waarvan ik cliënt[e] zal adviseren om de kwestie aan de rechter voor te leggen.
Ik merk daarbij op dat cliënte er de voorkeur aan geeft om in onderling overleg tot afspraken te komen, echter kan het niet de bedoeling zijn dat het maken afspraken lang op zich laat wachten, dit is ook niet in het belang van de kinderen.”
1.12    Bij e-mail van 7 april 2025 heeft klager aan zijn ex-partner geschreven, voor zover relevant: 
“De afgelopen keren heb je haar rond 16:00 uur bij ons afgezet, wat toen toevallig goed uitkwam omdat er iemand aanwezig was. Het zou fijn zijn als je je aan de afspraak kunt houden en haar voortaan om 18:00 uur brengt in plaats van om 16:00 uur.”
1.13    Bij e-mail van 25 augustus 2025 heeft verweerder aan de advocaat van klager geschreven, voor zover relevant: 
“Op mijn e-mails van 7 maart 2025 en 25 april 2025 heeft u niet gereageerd. Evenmin heeft u mij teruggebeld, dit ondanks meerdere terugbelverzoeken in de periode maart tot en met juni 2025. Telkenmale geeft uw secretaresse aan dat u in bespreking bent en dat u direct daarna of de volgende dag zult gaan terugbellen, echter blijft het radiostilte uwerzijds.
lk verneem graag per omgaand van u of u [klager] nog bijstaat. Indien ik niet uiterlijk deze week van u verneem of u hem nog bijstaat, zal ik ervan uitgaan dat dit niet meer het geval is en zal ik hem verder rechtstreeks aanschrijven. In het licht hiervan zal lk mij beraden om een klacht tegen u in te dienen. Immers, uw onbereikbaarheid en kennelijke onbereidheid tot overleg In onderhavige zaak en/of om überhaupt een reactie te geven, heeft tot gevolg dat de verhouding tussen partijen aan het escaleren is, wat u zich kunt aanrekenen. (…)”
1.14    Op 26 augustus 2025 heeft klager zijn ex-partner meegedeeld dat er geen ‘om-het-weekendregeling’ was overeengekomen. Zijn e-mail luidt voor zover relevant als volgt:
“Ik wil een aantal zaken rechtzetten:
1. Je stelt dat er een afspraak bestaat dat [de dochter] standaard om het weekend bij jou verblijft. Dit is niet correct. Er is geen recent of actueel ouderschapsplan waarin dit is vastgelegd. Het laatste plan is ouder dan 7 jaar en past niet meer bij de huidige situatie.”
1.15    Verweerder heeft hierop op 4 september 2025 namens de ex-partner in de kortgedingprocedure nakoming van de zorgregeling en gemaakte afspraken gevorderd. In de dagvaarding is het volgende opgenomen, voor zover relevant:
“11.    Nadat voornoemde regeling is overeengekomen, stelt de man opeens dat hij niet kan instemmen met de overeengekomen nieuwe regeling en meent dat de vrouw [de dochter] om de veertien dagen van zaterdag tot zondag bij haar zal kunnen hebben in plaats van vrijdag tot zondag.
12.    Vervolgens meent de man dat de vrouw gehouden is om [de dochter] op de zondagen om18.00 uur terug te brengen en niet om 16.00 uur, waarbij hij de vrouw daartoe dwingt door om 16.00 uur niet thuis te zijn om [de dochter] op te vangen en voorts [de dochter] geen sleutel van de woning te geven opdat zij zelf naar binnen kan gaan. 
13.    Thans stelt de man dat er ook geen regeling is overeengekomen van om de 14 dagen en verplicht hij de vrouw om elke week aan te geven of zij [de dochter] wel/niet komt ophalen.
14.    De vrouw heeft eerder om escalatie te voorkomen eraan toegegeven om [de dochter] op de zaterdag op te halen in plaats van de overeengekomen vrijdag. Nu merkt de vrouw dat de man de regeling verder wenst in te perken en de zorgregeling vorm en inhoud te geven zoals hij dat wenst en, in dat kader, de vrouw te controleren. De vrouw acht dit gedrag van de man en het niet nakomen van de overeengekomen zorgregeling onacceptabel en niet in het belang van de kinderen. Daarbij komt dat de vrouw bemerkt dat de kinderen door de man tegen haar worden opgezet. Zo is het contact tussen de vrouw en [de zoon] op dit moment minimaal.”
1.16    Op 22 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.17    Op 3 november 2025 heeft een zitting plaatsgevonden in de kortgedingprocedure, waarna op 17 november 2025 vonnis is gewezen.
1.18    Bij e-mail van 29 november 2025 heeft verweerder de advocaat van klager laten weten dat zijn cliënte zich niet kon vinden in het vonnis en verzocht aan te geven of klager voor een hoger beroep woonplaats kiest op het kantoor van zijn advocaat. De e-mail luidt voor zover relevant als volgt: 
“Cliënte kan zich niet vinden in het kortgeding vonnis van 17 november 2025 en beraadt zich thans om daartegen hoger beroep in te stellen.
Ik verneem graag spoedig, doch uiterlijk op 5 december a.s. van u of uw cliënt voor het hoger beroep woonplaats kiest aan uw kantoor. Bij geen reactie zal ik er van uitgaan dat dit niet het geval is en zal, bij een eventueel hoger beroep, de appeldagvaarding aan het woonadres van uw cliënt worden uitgebracht.”

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder heeft op 26 september 2024 rechtstreeks aan klager een e-mail gestuurd terwijl hij als opvolgend advocaat wist of behoorde te weten dat klager werd bijgestaan door een advocaat. Nadat klager via Whatsappberichten had laten weten dat dit onjuist was, heeft verweerder hem geblokkeerd; 
b)    verweerder heeft in de correspondentie van 8 oktober 2024 [de voorzitter begrijpt evenals de deken: 18 oktober 2024] een onnodig dreigende en escalerende toon gehanteerd; 
c)    verweerder heeft in de dagvaarding voor de spoedprocedure gesteld dat klager de kinderen tegen hun moeder opzette en dat er een “16:00-afspraak” zou bestaan. Deze feiten zijn onjuist en niet onderbouwd; 
d)    verweerder is zonder spoedeisend belang een spoedprocedure gestart, waarin op 3 november 2025 een spoedzitting heeft plaatsgehad; 
e)    verweerder heeft vertraging veroorzaakt in het onderliggend geschil. Na het viergesprek bleef onduidelijk wie verantwoordelijk was. Verweerder nam niets over van de voormalig advocaat. Afspraken bleven liggen, communicatie stokte en vertraging nam toe; 
f)    verweerder heeft niet gereageerd op contact van de advocaat van klager om praktische afspraken en lopende kwesties te bespreken, maar koos juist voor een aanvullende toon;
g)    verweerder heeft een onjuiste vermelding van de betrokkenheid van de Raad voor de Kinderbescherming gedaan; 
h)    verweerder heeft in een e-mail van 27 september 2024 bewust een deel van de originele correspondentie weggelaten. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader 
4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is daarbij niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.2    De klacht gaat over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.3    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
-    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
-    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
-    het verloop van het geschil tot dan toe en
-    de kans op succes van de procedure.

Omvang van het geschil 

4.4    De voorzitter stelt voorop dat de tuchtrechter klachten over advocaten toetst aan de betamelijkheidsnorm als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Voor zover klager meent dat verweerder in strijd met de AVG heeft gehandeld, laat de voorzitter dat verwijt buiten beschouwing. 
4.5    De voorzitter stelt verder voorop dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende geschil een oordeel te geven. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter beoordeelt uitsluitend aan de hand van de bepalingen van de advocatenwet of verweerder zich in zijn bijstand aan de ex-partner van klager ten opzichte van klager heeft gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelende advocaat. 
4.6    Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven toetsingskader geldt daarbij dat aan verweerder een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënte te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad.  
Klachtonderdeel a) rechtstreeks benaderen van klager
4.7    Verweerder had volgens klager moeten weten dat klager al geruime tijd werd bijgestaan door zijn advocaat en hem niet rechtstreeks mogen benaderen. Toen klager hem daarop attendeerde, heeft verweerder niet gereageerd maar hem geblokkeerd. Dit vindt klager onprofessioneel en intimiderend. 
4.8    Dit klachtonderdeel faalt. In gedragsregel 25 lid 1 staat dat een advocaat die zich in verbinding wil stellen met een wederpartij waarvan hij weet dat deze wordt bijgestaan door een advocaat, dit slechts doet door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze hem toestemming heeft verleend zich rechtstreeks tot de wederpartij te wenden. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat hij bij het overnemen van het dossier uit de stukken niet kon afleiden dat klager werd bijgestaan door een advocaat en dat hij klager anders niet rechtstreeks had aangeschreven. Nadat mr. E hem hierop had geattendeerd, heeft verweerder zijn e-mail van 26 september 2024, die was gericht aan klager, doorgestuurd aan de advocaat van advocaat. Daarmee heeft verweerder zijn handelwijze rechtgezet en valt hem hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. 
4.9    Het stond verweerder verder vrij om niet op de Whatsappberichten van 28 september 2024 van klager te reageren, maar klager via zijn advocaat te verzoeken om hem niet rechtstreeks te benaderen. Gelet op de toon van de Whatsappberichten (weergegeven onder 1.9) acht de voorzitter het begrijpelijk dat verweerder het telefoonnummer van klager heeft geblokkeerd. 
4.10    Van klachtwaardig handelen is dus geen sprake. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel b) onnodig dreigende en escalerende toon   
4.11    In de e-mail van 27 september 2024 [de voorzitter begrijpt: de e-mail van 26 september 2024] heeft verweerder namens zijn cliënte een nieuwe zorgregeling voorgesteld. Toen klager daar niet (tijdig) op reageerde, volgde de e-mail van verweerder van 18 oktober 2024 met een reactietermijn van slechts vijf dagen en de dreiging dat bij het uitblijven van een reactie de zaak aan de rechter zou worden voorgelegd. Verweerder liet nauwelijks ruimte voor overleg terwijl verweerder wist dat partijen sinds de scheiding vrijwel alles in der minne hadden geregeld (eerst via mediation en daarna in onderling overleg). Verweerder heeft hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, aldus klager.
4.12    De voorzitter stelt op grond van het klachtdossier en het verweer van verweerder vast dat de e-mail van 18 oktober 2024 (weergegeven onder 1.11 van de feiten) volgde op een eerder voorstel voor een nieuwe zorgregeling dat verweerder op 27 september 2024 namens zijn cliënte aan de advocaat van klager had gestuurd. Verweerder heeft aangevoerd dat hij dit voorstel had gedaan, omdat zijn cliënte ging verhuizen (per 30 augustus 2024) en dat het voorstel dus niet onverwacht kwam. In zijn e-mail van eind september 2024 had verweerder een termijn opgenomen van tien dagen, waarop na drie weken nog altijd geen reactie was gekomen, terwijl ook niet was verzocht om een langere reactietermijn. In de e-mail van 18 oktober 2024 heeft verweerder vervolgens een extra termijn gegeven van vijf dagen voordat de zaak aan de rechter zou worden voorgelegd. Onder deze omstandigheden was de e-mail van 18 oktober 2024 gerechtvaardigd en is de toon van de e-mail niet onnodig dreigend of escalerend. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.  
Klachtonderdeel c) onjuiste informatie in de dagvaarding
4.13    Volgens klager heeft verweerder onjuiste en niet-onderbouwde feiten in de kortgedingdagvaarding opgenomen (zie 1.15 van de feiten). Volgens klager is hierin ten onrechte opgenomen dat er een ‘16:00-afspraak’ zou bestaan. Sinds eind augustus 2024 werd in de praktijk altijd hetzelfde patroon gevolgd. De dochter werd op zaterdagen om 10:00 uur opgehaald en op zondagen om 18:00 uur thuisgebracht. Dat klager deze tijd op de zondagen eenzijdig van 16:00 uur naar 18:00 uur zou hebben veranderd, is niet juist. Dit wordt volgens klager ook bevestigd in de beslissing van de voorzieningenrechter van 17 november 2025. Evenmin is juist dat klager de kinderen tegen hun moeder opzette. 
4.14    Dit klachtonderdeel faalt. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat het als partijdig belangenbehartiger zijn taak was om in de dagvaarding het standpunt van zijn cliënte te verkondigen. Dat verweerder daarin bewust onjuiste informatie heeft weergegeven (en daarmee in strijd met gedragsregel 8 heeft gehandeld) is de voorzitter niet gebleken. Zoals volgt uit het toetsingskader onder 4.2 mocht verweerder uitgaan van de juistheid van de door zijn cliënte verstrekte informatie. Verweerder heeft aangevoerd dat hij geen enkele reden had om te twijfelen aan de informatie die hij van zijn cliënte had verkregen en in de stukken voldoende informatie aanwezig was die het standpunt van zijn cliënte bevestigde. Ook de voorzitter is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder de juistheid van die informatie had moeten controleren en daarmee is klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond. 

Klachtonderdeel d) zonder spoedeisendheid een kort geding gestart
4.15    Klager verwijt verweerder dat hij zonder dat daarvoor een spoedeisend belang bestond namens de ex-partner een kortgedingprocedure is gestart, waarvoor op 3 november 2025 een spoedzitting is gepland. De ex-partner van klager had omgangsrechten en kon die benutten, maar deed dat niet. Ook heeft verweerder daarna een schikkingsvoorstel gedaan. Omdat eerdere afspraken uit viergesprekken (toeslagen, inschrijving) niet zijn nagekomen, heeft klager dit geweigerd. Dit toont volgens klager aan dat er geen werkelijk spoedeisend belang was en bevestigt dit dat de procedure is ingezet om druk te zetten en kosten te genereren. Verder heeft verweerder voorgesteld dat de 11-jarige dochter een huissleutel zou krijgen om de omgang te faciliteren. Dit voorstel is onverantwoord en belastend voor een kind. 
4.16    Verweerder heeft aangevoerd dat er volgens zijn cliënte wel een spoedeisend belang was voor het starten van een kortgedingprocedure. Klager stelde eerst in strijd met de gemaakte afspraken op 7 april 2025 dat er geen ‘16.00 uur-afspraak’ zou zijn gemaakt en dwong de ex-partner om de dochter op zondag om 18.00 uur thuis af te zetten in plaats van 16.00 uur, wat was overeengekomen (zie de e-mail van 7 april 2025 weergegeven onder 1.12 van de feiten). Hoewel dit in strijd is met de gemaakte afspraken, heeft verweerder in overleg met zijn cliënte op dat moment besloten om ter zake geen maatregelen te treffen, maar de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten om te voorkomen dat alleen vanwege het terugbrengtijdstip de verhoudingen verder zouden verslechteren. Bij e-mail van 26 augustus 2025 (zie 1.14 van de feiten) heeft klager aan de ex-partner meegedeeld dat, wederom in strijd met de gemaakte afspraken, er geen om-het-weekendregeling was overeengekomen. De cliënte van verweerder kon haar dochter pas ophalen indien zij enkele dagen vóór haar weekend vóór 20.00 uur zou aangeven of zij haar dochter zou ophalen. Deed zij dat niet, dan zou klager zijn eigen plan trekken en zou de ex-partner haar dochter niet kunnen zien, dit terwijl al maandenlang uitvoering werd gegeven aan een weekendregeling, waarbij de dochter om het weekend bij de cliënte van verweerder verbleef. De omgang van de ex-partner met haar dochter werd volgens verweerder door klager derhalve eenzijdig afhankelijk gemaakt van het wel/niet tijdig doorgeven van cliënte aan hem dat zij haar dochter wel/niet komt ophalen. Om tot een oplossing te komen voor de terugbrengtijd (16.00 uur) heeft verweerder namens de ex-partner voorgesteld om de dochter te voorzien van een sleutel. De dochter is 11 jaar oud, gaat bijvoorbeeld ook zelfstandig naar school, doet veel dingen alleen en volgens de cliënte van verweerder derhalve in staat om te beschikken over een sleutel.
4.17    Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder met het voorgaande onderbouwd toegelicht waarom er voor zijn cliënte een spoedeisend belang bestond voor het starten van een kortgedingprocedure. Dat verweerder daarna een schikkingsaanbod heeft gedaan, doet niet af aan het spoedeisend belang. Het stond verweerder bovendien vrij namens zijn cliënte voor te stellen de dochter een sleutel te geven. Dat klager het hiermee niet eens is, betekent niet dat verweerder daarmee klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel e) veroorzaken van vertraging   
4.18    Klager is van mening dat verweerder in het onderliggend geschil vertraging heeft veroorzaakt. Na het viergesprek bleef onduidelijk wie verantwoordelijk was. Verweerder nam niets over van de voormalig advocaat. Afspraken bleven liggen, communicatie stokte en vertraging nam toe. 
4.19    Naar het oordeel van de voorzitter biedt het klachtdossier geen feitelijke grondslag voor deze verwijten. Uit deze stukken en het verweer van verweerder volgt dat verweerder zich bij e-mails van 26 en 27 september 2024 als opvolgend advocaat van zijn cliënte heeft gesteld bij klager en zijn advocaat, zodat het voor klager en zijn advocaat vanaf die datum duidelijk was door wie de ex-partner voortaan werd bijgestaan. Verweerder heeft onbetwist aangevoerd dat er geen sprake is van meerdere viergesprekken, maar dat er slechts één viergesprek heeft plaatsgevonden, ergens in mei/juni 2024, waarbij de ex-partner nog werd bijgestaan door mr. E. Klager geeft niet aan welke concrete afspraken er gemaakt zijn tijdens dat viergesprek en ook uit het klachtdossier blijkt niet of in dat viergesprek afspraken zijn gemaakt over een zorgregeling. Verder heeft verweerder onderbouwd toegelicht dat zijn cliënte op het moment van het viergesprek nog in Helmond woonde, dat het voorstel voor de zorgregeling dat aan klager is gedaan bij e-mail van 26 september 2024 dateert van na de datum van verhuizing van zijn cliënte naar Landsmeer per 30 augustus 2024 en de omstandigheden daarmee waren gewijzigd. Uit de stukken blijkt ook niet dat klager of zijn advocaat naar aanleiding van het voorstel van 26 september 2024 hebben aangegeven dat er afspraken zouden zijn gemaakt en wat die afspraken dan zouden inhouden. Klachtonderdeel e) is derhalve kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) niet reageren 
4.20    Klager verwijt verweerder dat hij niet heeft gereageerd op het contact van de advocaat van klager om praktische afspraken en lopende kwesties te bespreken. In veel gevallen bleef een inhoudelijke reactie uit, of werd juist een aanvallende toon gekozen. Dit bevestigt het patroon dat overleg en gemaakte afspraken niet effectief werden opgepakt, terwijl juist onnodig werd geëscaleerd en geprocedeerd, aldus klager. 
4.21    Verweerder heeft aangevoerd dat het juist de advocaat van klager was die niet bereikbaar was en niet reageerde op e-mails en terugbelverzoeken. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder gewezen op zijn e-mail van 25 augustus 2025 (zie 1.13 van de feiten) waarin hij de advocaat van klager hierop heeft aangesproken. 
4.22    De voorzitter overweegt dat het aan klager is om een tuchtklacht voldoende feitelijk en concreet te omschrijven en met bewijs te onderbouwen, zodat de tuchtrechter de feiten die de klager aan de klacht ten grondslag legt, kan vaststellen en beoordelen. Tegenover het verweer van verweerder, heeft klager dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd, terwijl in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klagers verwijten. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, is ook dit onderdeel van de klacht kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g) onjuiste melding 
4.23    Verweerder heeft op het formulier van de rechtbank aangevinkt dat de Raad voor de Kinderbescherming bij deze zaak betrokken is, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming op geen enkel moment bij deze zaak betrokken is geweest. Op deze manier is bij de rechtbank de onjuiste indruk gewekt dat de Raad voor de Kinderbescherming reeds betrokken was of dat er zorgen zouden zijn geuit. Dit schaadt de positie van klager. 
4.24    De voorzitter overweegt dat zij in het klachtdossier geen formulier heeft aangetroffen waarop verweerder zou hebben aangevinkt dat de Raad voor de Kinderbescherming in de zaak betrokken zou zijn. Klager heeft ook niet duidelijk gemaakt op welk formulier hij doelt. Voor zover klager doelt op het roljournaal van de rechtbank, heeft verweerder toegelicht dat de rechtbank in zaken die gaan over kinderen - ook ambtshalve - beziet of de Raad voor de Kinderbescherming moet worden betrokken. Dat verweerder hierin een rol heeft gespeeld en onjuiste informatie heeft opgegeven, is de voorzitter niet gebleken. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel g) is derhalve kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel h) bewust weglaten van correspondentie 
4.25    Klager stelt dat verweerder in de oorspronkelijke (rechtstreekse) e-mail van hem aan klager van 26 september 2024 het tijdstip ‘tot 18 uur’ noemt. Door deze e-mail van 26 september 2024 niet mee te sturen aan de rechtbank ontstaat het onjuiste beeld dat klager dat tijdstip zou hebben voorgesteld. Deze weglating verandert de betekenis van de communicatie en is daarmee bewust misleidend en niet zorgvuldig. Ook heeft verweerder onnodig vertrouwelijke stukken ingebracht in onderhavige klachtprocedure, die uiterst gevoelige persoonsgegevens bevatten. Dit - en de weigering van verweerder om deze gegevens uit zijn bestanden te verwijderen met een beroep op de wettelijke bewaarplicht van vijf jaar - onderstreept de onzorgvuldigheid van verweerder, aldus klager.
4.26    De voorzitter volgt klager niet in zijn betoog. Verweerder heeft onderbouwd aangevoerd dat de e-mail van 26 september 2024 kwalificeert als confraternele correspondentie met daarin een schikkingsvoorstel, die hij op 27 september 2024 aan de advocaat van klager heeft doorgestuurd en dat het hem op grond van de gedragsregels niet vrijstond om deze e-mail zonder toestemming te overleggen. Verweerder heeft onbetwist aangevoerd dat hij aan klager, althans zijn advocaat, zowel vóór de zitting als tijdens de zitting om toestemming had gevraagd om de e-mail alsnog in te brengen, maar dat deze toestemming is geweigerd. Daarmee kan verweerder niet verweten worden dat hij de e-mail in kwestie niet heeft ingebracht. Bovendien had klager de e-mail zelf ook in de procedure kunnen inbrengen, als hij dat van belang achtte. Van klachtwaardig handelen is niet gebleken en klachtonderdeel h) is in zoverre kennelijk ongegrond. 
4.27    Voor zover klager zich heeft beklaagd over het feit dat verweerder verschillende vertrouwelijke stukken in het onderzoek van de deken heeft ingebracht, geldt dat de deken deze uit het klachtdossier heeft verwijderd en het verwijt hierover niet meer relevant is. Verder handelt verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar door te weigeren de stukken uit het dossier van zijn cliënte te verwijderen. Verweerder heeft immers ten opzichte van haar een bewaarplicht van vijf jaar. Ook in zoverre is klachtonderdeel h) kennelijk ongegrond. 
Overige verwijten     
4.28    Klager heeft verweerder in repliek verweten dat hij hem naar aanleiding van het vonnis van 17 november 2025 op 30 november 2025 [de voorzitter begrijpt 29 november 2025] heeft meegedeeld dat zijn cliënte zich niet kon vinden in het vonnis en dat zij overweegt in hoger beroep te gaan. Daarbij heeft verweerder klager, aldus klager, een zeer korte reactietermijn gegeven voor het doorgeven van zijn woonplaatskeuze. 
4.29    De voorzitter overweegt dat verweerder klager blijkens deze e-mail (weergegeven onder 1.18 van de feiten) een week de tijd heeft gegeven. Dat is niet onredelijk kort en bovendien kon klager uitstel vragen van deze termijn. Van klachtwaardig handelen is geen sprake. 
4.30    Ook al hetgeen klager verder heeft gesteld, levert geen klachtwaardig handelen op. De voorzitter is van oordeel dat verweerder in zijn bijstand aan de ex-partner van klager ruimschoots binnen de grenzen van het betamelijke is gebleven. De klacht treft dan ook geen doel.  

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026. 


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 29 juni 2026