We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:143 Raad van Discipline Amsterdam 26-420/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:143
Datum uitspraak: 29-06-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s): 26-420/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Welwillendheid in het algemeen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; de klacht komt er grotendeels op neer dat verweerster zich in de procedure die klaagster namens haar cliënte voert volgens klaagster onbetamelijk heeft gedragen jegens haar cliënte. Bij klaagster als de advocaat van haar cliënte ontbreekt het aan een rechtstreeks eigen belang. De eventuele gevolgen van het handelen van verweerster treffen in de eerste plaats immers niet klaagster, maar haar cliënte. Klaagster - als advocaat - heeft hooguit een afgeleid belang bij de klacht over de houding van verweerster in onderliggende procedure en dat is onvoldoende om haar in haar klacht te ontvangen. De klacht is in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk. Het is de voorzitter verder niet gebleken dat verweerster in strijd gehandeld heeft met gedragsregel 24 of anderszins de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. De klacht is daarmee overigens kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 29 juni (bij vervroeging)
in de zaak 26-420/A/A

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 11 mei 2026 met kenmerk 2528816/EvR/AP, door de raad ontvangen op eveneens 11 mei 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster staat mevrouw M als advocaat bij in een geschil met VGA Verzekeringen (hierna: VGA) over de afwikkeling van letselschade ten gevolge van een verkeersongeval in 2019. Sinds 28 maart 2024 staat verweerster VGA bij.
1.2    Op 18 april 2024 heeft verweerster uitvoerig telefonisch contact gehad met de financieel medewerker bij het kantoor van klaagster, de heer T.
1.3    Op 21 mei 2024 heeft verweerster aan klaagster een brief gestuurd waarin zij onder meer ingaat op het standpunt van VGA over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Aan het eind van de brief schrijft verweerster het volgende:
“5. Hoe verder?
De wederzijdse standpunten zijn genoegzaam bekend. Het is duidelijk dat partijen het met elkaar oneens zijn. U heeft reeds een interne klachtenprocedure bij VGA volledig doorlopen en thans ligt er een directieklacht (waarover ik overigens door u niet werd geïnformeerd). U kunt deze brief beschouwen als een reactie op uw directieklacht.
VGA zal niet nader reageren op berichten van uw zijde aangaande dit geschil. Mocht u voornemens zijn een dagvaarding tegen VGA uit te brengen, dan kunt u deze aan mijn kantoor laten betekenen.”
1.4    Bij brief van 14 juni 2024 heeft klaagster als volgt gereageerd op voornoemde brief
“Uw brief d.d. 21-5-2024 is hier in goede orde ontvangen. Hierin licht u uw standpunten inzake het onbetaald laten van een gedeelte van de bgk [voorzitter: buitengerechtelijke kosten] door VGA uitvoerig toe. Hierop zal ik nog pareren. Echter, helaas trof ik geen reactie van u aan op onze standpunten uit de eerdere rechtstreekse klachtcorrespondentie met VGA zelf, te weten de wijze waarop cliënte is behandeld, terwijl dit overduidelijk onderdeel uitmaakte, en nog steeds uitmakend, van onderhavige kwestie.
Zoals ook eerder benoemd door ons; het gaat ons primair over het tekort schieten in de handelswijze van VGA naar cliënte toe (en in mindere mate mij als belangenbehartiger), de wijze waarop VGA in de klachtprocedure heeft gestaan, en pas in de laatste instantie de betalingsmoraliteit van VGA inzake de bgk nota's. In uw brief d.d. 21/5 jl. heeft u in algemene bewoordingen slechts de bgk benoemd. Echter, uw standpunten inzake de door ons aan bod gestelde zorgvuldigheid, die aan de dag gelegd moeten worden door een verzekeringsbedrijf, zoals VGA, en waarvan ik van mening dat er sprake is geweest van onzorgvuldigheid, mocht ik niet teruglezen in uw brief van 21 mei jl.
Daarnaast, treffend te noemen: op 20 maart 2024 hebben wij een klacht ingediend over de handelswijze van VGA bij de directie. Hierop is geen reactie of bevestiging ontvangen. Vervolgens hebben wij gerappelleerd bij [mevrouw Van H] (directeur en bestuurder) en ontvangen wij op 22-5-‘24 een bericht van haar dat de zaak is uitbesteed aan [naam kantoor] advocaten. Vervolgens snijdt u ([naam kantoor] advocaten) alleen het onderwerp van de buitengerechtelijke kosten aan!?”
1.5    Bij brief van 20 juni 2024 heeft verweerster als volgt gereageerd op deze brief: 
“Dank voor uw brief van 14 juni jl. U geeft hierin aan dat het wat u betreft primair gaat over de wijze waarop uw cliënte door VGA is behandeld en de wijze waarop VGA uw klacht heeft behandeld. U geeft aan dat ik in mijn brief van 21 mei jl. wel ben ingegaan op de kwestie van de buitengerechtelijke kosten maar niet op de hiervoor genoemde punten.
Bij uw brief van 14 juni jl. heeft u uw klacht over VGA van 14 december 2023 gevoegd alsmede de daarna tussen u en VGA gewisselde correspondentie. Uit die correspondentie blijkt dat VGA inhoudelijk heeft gereageerd op hetgeen u in uw klacht van 14 december 2023 schrijft. Zo is de heer S(…) in zijn bericht van 5 januari jl. ingegaan op de communicatie met VGA gedurende het schaderegelingstraject en op het rechtstreeks benaderen van uw cliënte. Hij heeft u geschreven dat VGA uw cliënte niet het slachtoffer wilde laten worden van een uitgebreide discussie over uw kosten en dat VGA daarom de slotbetaling rechtstreeks aan uw cliënte heeft overgemaakt. De heer S(…) heeft zijn bericht afgesloten met de volgende tekst: (…)
In de klacht die u op 17 mei jl. rechtstreeks aan VGA zond, benoemt u wederom de communicatie met VGA gedurende het schaderegelingstraject en het feit dat VGA uw cliënte rechtstreeks heeft benaderd teneinde de slotbetaling te kunnen verrichten, VGA is reeds op deze punten ingegaan en daarom zal ik dit namens VGA niet nogmaals doen.
De heer S(…) heeft u in zijn berichten van 8 en 12 maart jl. gewezen op de mogelijkheden die nu openstaan indien u het niet eens bent met de klachtafhandeling door VGA en u verwezen naar de website van VGA waar deze mogelijkheden staan vermeld: (…).
Gezien het voorgaande zal ik niet nader inhoudelijk reageren op berichten van uw zijde aangaande dit geschil.”
1.6    Bij brief van 10 juli 2024 heeft klaagster op haar beurt weer inhoudelijk gereageerd op de brief van verweerster van 20 juni 2024. Verweerster heeft hierop op 11 juli 2024 laten weten niet meer inhoudelijk op de kwestie te zullen ingaan.
1.7    Bij brief 17 oktober 2024 heeft klaagster verweerster, voor zover relevant, als volgt bericht:
“Er is reeds een lange tijd een geschil gaande over de betalingsmoraliteit van VGA en de benadering door VGA van cliënte.
Er is niet of nauwelijks gereageerd door u op onze inhoudelijke betogen. U heeft alleen een algemene brief geschreven over voornamelijk 6:96.
Er zijn in diverse brieven van ons inhoudelijk aangegeven hoe de dossierbehandeling cq. betalingen zijn verlopen. Er is geen inhoudelijke reactie ontvangen van u. Aantoonbare onjuiste weergaves van VGA zijn weerleg[d] door ons. Bijv. inzake de kantoorkosten, onbetaald gebleven medische facturen, het onjuist weergeven van ons uurtarief en zo zijn er meerdere zaken te noemen.
Wij hebben 9 keer aangeboden om tot een oplossing te komen. 
Er is niets mee gedaan alleen een ondermaatse aanbieding van 1.500,- zonder inhoudelijke motivatie. Door u is feitelijk niet ingegaan op onze gefundeerde onderbouwingen. 
U heeft aangegeven 'niet naderinhoudelijk te willen reageren op dit geschil'. Zie uw brief d.d. 11 juli jongstleden. 
(…) 
U stuurt met deze werkwijze aan op een dagvaarding terwijl onze intentie is dat wij oplossingsgericht willen werken.”
1.8    Op 12 november 2024 heeft verweerster telefonisch contact gehad met de heer T en bij e-mail van 19 november 2024 heeft verweerster gereageerd op de brief van 17 oktober 2024. Verweerster schrijft hierin, voor zover relevant: 
“Ik nam kennis van uw brief van 17 oktober jl.
U schrijft dat ik niet of nauwelijks heb gereageerd op uw inhoudelijke betogen. Dat is niet juist. Op 18 april jl. heb ik gedurende 70 minuten telefonisch overleg gehad met de heer T(…) van uw kantoor. In mijn brief van 21 mei jl. ben ik uitvoerig ingegaan op de zaak en heb ik het standpunt van VGA (nogmaals) duidelijk gemaakt en beargumenteerd. In die brief heb ik ook opgenomen dat er tussen u en VGA al heel veel is gecorrespondeerd en getelefoneerd over de kwestie voordat VGA het dossier aan mij overdroeg. Naar aanleiding van uw reactie op mijn brief van 21 mei jl. heb ik u op 20 juni jl. weer een brief gestuurd.
Op 11 juli jl. heb ik u laten weten niet meer inhoudelijk op de kwestie te zullen ingaan. In uw brief van 17 oktober jl. herhaalt u weer uw eerdere stellingen waarop zijdens VGA en door mij al uitvoerig is gereageerd. Indien u uw eerdere standpunten blijft herhalen, zou een (inhoudelijke) reactie van mijn kant daarom neerkomen op een herhaling van de standpunten zijdens VGA. Daarmee lossen wij het geschil niet op. 
In de kern betreft het geschil tussen u en VGA de vergoeding van uw uren. Hierover verschillen u en VGA van mening. Er zijn pogingen gedaan om dit vlot te trekken, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. We kunnen het eens zijn dat we het hierover oneens zijn. VGA heeft u eerder al geopperd om dit geschil voor te leggen aan de rechter teneinde een definitieve oplossing hierin te verkrijgen. Een procedure kan ook een oplossing zijn.”
1.9    Op 13 december 2024 heeft klaagster aan verweerster een brief gestuurd met daarbij een factuur voor aanvullende buitengerechtelijke kosten. In de brief staat, voor zover relevant:
“Uw schrijven d.d. 19 november jongstleden hebben wij ontvangen.     
U geeft weer dat er inhoudelijk is gereageerd en u verwijst hierin naar de brief van u d.d. 21 mei jl. en naar het telefoongesprek van 70 minuten. 
In uw schrijven d.d. 19 november jl. geeft u weer dat het vooral een bgk kwestie betreft. Dit is een onjuiste weergave. In de eerdere correspondentie -zie o.a. onze brief d.d. 14-6-‘24) en de brief d.d. 16-2-‘24- hebben wij meer dan overduidelijk naar voren gebracht dat door de handelswijze van VGA de beginselen van zorgvuldigheid en het vertrouwensbeginsel niet in acht zijn genomen door het verzekeringsbedrijf bij de behandeling van het dossier, jegens cliënte en ons. U bent met geen woord op het punt van deze beginselen van het verzekeringsbedrijf ingegaan, en evenmin op de aangevoerde beginselen uit o.a. onze voornoemde brieven. In plaats daarvan probeert u deze situatie af te leiden door de kwestie tot een loutere bgk discussie te verheffen, terwijl [mevrouw Van H] in haar schrijven d.d. 22 mei jl. heeft aangegeven dat u bent gevraagd inhoudelijk te reageren. 
Dat is tot op heden alleen gebeurd met algemene termijnen, terugverwijzingen naar VGA correspondentie, termen van 'we kunnen het niet eens worden' terwijl er inhoudelijk door u geen enkele keer is gereageerd op onze standpunten aangaande de geschonden zorgvuldigheidsbeginselen waarom wij en mw. M(…) [de voorzitter: de cliënte van klaagster] onrechtvaardig zijn behandeld. U schrijft in uw schrijven d.d. 19 november 'Er zijn pogingen gedaan dit vlot te trekken'. Ik kan dit niet plaatsen. Welke pogingen bedoelt u dan?”
1.10    Bij e-mail van 20 december 2024 heeft verweerster als volgt gereageerd op deze brief:
“Uw brief van 13 december jl. met bijlage ontving ik in goede orde. Ik reageer hier kort op.
Tijdens het 70 minuten durende telefoongesprek met de heer T(…) heb ik uitvoerig uitgevraagd op welke manier deze kwestie tot een goed einde kon worden gebracht en dat heeft tot niets geleid. Daarna hebben u en ik schriftelijk gecorrespondeerd. Op 12 november jl. sprak ik weer telefonisch met de heer T(…) en heb ik wederom gevraagd hoe wij de kwestie kunnen afronden. In dit gesprek zijn het voeren van een procedure en het vragen van advies aan de Deken als mogelijkheden benoemd. Het staat u vrij om de weg te kiezen die u het beste lijkt.
VGA heeft mij opdracht gegeven om niet meer inhoudelijk op uw brieven te reageren. Uw nota BGK die u meestuurde met uw brief van 13 december jl. zal niet worden voldaan.”
1.11    In maart 2025 heeft klaagster zich tot de deken gewend met een verzoek om bemiddeling. Nadat het standpunt van verweerster met betrekking tot het bemiddelingsverzoek was ontvangen, heeft de deken partijen bij e-mail van 7 april 2025 bericht dat zij in deze kwestie geen bemiddelende rol voor zichzelf zag weggelegd. Indien klaagster haar standpunt handhaaft dat de BGK niet volledig zijn voldaan, dient zij zich namens haar cliënte tot de civiele rechter te wenden. Klaagster heeft bij e-mail van 11 april 2025 op de e-mailbericht van de deken gereageerd en in die e-mail onder meer de Geschillencommissie Declaraties van de LSA onder de aandacht gebracht.
1.12    Op 5 juni 2025 heeft klaagster verweerster per e-mail als volgt bericht:
“Wij spraken elkaar zojuist telefonisch. In dit telefoongesprek heb ik u opnieuw aangegeven nog altijd open te staan voor een oplossing en u verzocht om hierover opnieuw in overleg te treden met VGA, en met een voorstel te komen. Zie de eerdere correspondentie in het dossier. U weet dat het laten voortduren van deze situatie onrechtvaardig is. In afwachting van uw reactie.”
1.13    Op 10 juli 2025 heeft verweerster klaagster per e-mail als volgt bericht: 
“Tijdens ons telefonisch overleg van 5 juni jl. heb ik u meerdere malen duidelijk gezegd dat mijn cliënte geen nieuw voorstel zal doen. U zult van mijn cliënte dan ook geen nieuw voorstel ontvangen.
Verder heb ik u al eerder geschreven en tijdens ons telefoongesprek van 5 juni jl. gezegd dat mijn cliënte mij opdracht heeft gegeven niet meer inhoudelijk te reageren.”
1.14    Op 5 september 2025 heeft klaagster een klacht ingediend bij de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerster. Op 9 september 2025 heeft de klachtenfunctionaris klaagster per e-mail als volgt bericht met betrekking tot haar klacht:
“Wij hebben hier nota van genomen, maar zien geen aanleiding voor een inhoudelijke reactie daarop. U heeft die reactie immers al ontvangen, o.a. in het kader van uw eerdere bemiddelingsverzoek aan de Deken. Na ontvangst van uw klachten aan de Deken heeft [verweerster] daarop haar uitvoerig gemotiveerde zienswijze gegeven. De Deken heeft toen geoordeeld geen mogelijkheden te zien voor bemiddeling en heeft u voor de inning van de bgk verwezen naar de civiele rechter. Wij staan achter de reactie van [verweerster] en hebben daar verder niets aan toe te voegen.”
1.15    Op 2 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: 
a)    verweerster reageert niet of niet inhoudelijk op de correspondentie van klaagster en draagt niet bij aan een oplossing. Op deze wijze zijn er extra tijd en kosten voor rekening van klaagster en haar cliënte gekomen. Ook wordt door de opstelling van verweerster, die niet bijdraagt aan een efficiënte, zorgvuldige en redelijke afwikkeling van de achterliggende kwestie, onnodige vertraging veroorzaakt. Verweerster verstoort moedwillig de onderlinge verhoudingen tussen klaagster en verweerster die gebaseerd dient te zijn op welwillendheid en vertrouwen (gedragsregel 24).
b)    verweerster stuurt aan op een proces. Verweerster doet niets met de niet door VGA betaalde buitengerechtelijke kosten en medische verschotten. Verweerster heeft niet onderzocht of er een minnelijke regeling mogelijk is en ook geen voorstellen daartoe gedaan. Ook reageert verweerster niet op het voorstel van klaagster om de kwestie voor te leggen aan de Geschillencommissie Declaraties van de LSA. Verweerster heeft voorts niet gedaan wat haar door haar cliënte zou zijn opgedragen, te weten het beoordelen van de wederzijdse standpunten.
c)    verweerster bevordert en faciliteert de laakbare gedragingen van haar cliënte. Zij had de opdracht dienen te beëindigen of zich terug moeten trekken. Door dat niet te doen heeft verweerster de kernwaarde integriteit geschonden. Dat verweerster stelt dat zij van haar cliënte de opdracht heeft gekregen niet meer te reageren op klaagsters correspondentie maakt dit niet anders. Verweerster draagt een eigen verantwoordelijkheid en behoort bij de behandeling van een zaak de leiding te hebben. Zij hoort boven de zaak te staan en zich niet door haar cliënte te laten leiden.

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in art. 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 
4.2    De voorzitter stelt vast dat klaagster de klacht over verweerster uitsluitend namens zichzelf heeft ingediend en niet (ook) namens haar cliënte, mevrouw M. Dit is relevant omdat op grond van de Advocatenwet alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. 
4.3    De klacht komt er grotendeels op neer dat verweerster zich in de procedure die klaagster namens haar cliënte (mevrouw M) voert volgens klaagster onbetamelijk heeft gedragen jegens de cliënte van klaagster. Naar het oordeel van de voorzitter ontbreekt het bij klaagster als de advocaat van mevrouw M in zoverre aan een rechtstreeks eigen belang. De eventuele gevolgen van het handelen van verweerster treffen in de eerste plaats immers niet klaagster, maar haar cliënte. Klaagster - als advocaat - heeft hooguit een afgeleid belang bij de klacht over de houding van verweerster in onderliggende procedure en dat is onvoldoende om haar in haar klacht te ontvangen.
4.4    Het voorgaande betekent concreet dat klaagster niet kan worden ontvangen in klachtonderdeel a), voor zover verweerster wordt verweten dat haar handelwijze extra tijd en kosten oplevert en niet bijdraagt aan een efficiënte, zorgvuldige en redelijke afwikkeling van de achterliggende kwestie. In dat kader merkt de voorzitter op dat klaagster niet duidelijk heeft gemaakt waarom eventuele kosten die door de cliënte van verweerster (VGA) onvergoed zouden blijven - zoals medische kosten, medische verschotten of facturen - dan voor rekening van klaagster komen. Voor zover de voorzitter heeft kunnen vaststellen, gaat het geschil in financieel opzicht uitsluitend over kosten waarvan klaagster meent dat haar cliënte daar recht op heeft. Ook voor zover verweerster meent dat zij voor haar doen extra veel tijd kwijt is aan de onderliggende zaak, geldt dat een eventuele vertraging in de onderliggende procedure alleen haar cliënte rechtstreeks raakt, wier procedure het immers betreft.  
4.5    Evenmin kan klaagster worden ontvangen in klachtonderdelen b) en c). Deze klachtonderdelen zien immers op gedragingen van verweerster die uitsluitend effect kunnen sorteren in het onderliggende geschil. Klaagster heeft niet toegelicht waarom zij ten aanzien van deze klachtonderdelen een rechtstreeks belang heeft.   
4.6    Voor zover klaagster verweerster in klachtonderdeel a) verwijt dat verweerster moedwillig de onderlinge verhoudingen tussen klaagster en verweerster heeft verstoord, heeft klaagster wel een rechtstreeks eigen belang. Dit klachtonderdeel is derhalve in zoverre ontvankelijk. Het is de voorzitter echter onvoldoende gebleken dat verweerster in dit verband een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De cliënte van verweerster heeft klaarblijkelijk een andere visie in het onderliggende geschil dan de cliënte van klaagster en het is de taak van verweerster om die visie te verwoorden. Verweerster heeft dat blijkens de overgelegde correspondentie steeds op zakelijke en correcte wijze gedaan en zich in haar correspondentie niet onnodig grievend of anderszins onbetamelijk uitgelaten. Het is de voorzitter dan ook niet gebleken dat verweerster in strijd gehandeld heeft met gedragsregel 24 of anderszins de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. In zoverre is klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond. 
4.7    Al hetgeen klaagster verder naar voren heeft gebracht, leidt de voorzitter niet tot een ander oordeel. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    klachtonderdelen a) (gedeeltelijk), b) en c), met toepassing van artikel 46j advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk; 

-    klachtonderdeel a) (overig), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026. 


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 29 juni 2026