We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:141 Raad van Discipline Amsterdam 25-813/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:141
Datum uitspraak: 29-06-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s): 25-813/A/A
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; verzet niet-ontvankelijk; te laat ingediend.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 29 juni 2026
in de zaak 25-813/A/A  
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 5 januari 2026 op de klacht van:

klaagster

over:

verweerster


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 30 april 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 21 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2485523/ER/AS van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 5 januari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) klachtonderdelen a), c) en d) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang en klachtonderdelen b), e) en f), eveneens met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is ook op 5 januari 2026 verzonden aan partijen.
1.4    Bij e-mail van 25 februari 2026 heeft de gemachtigde van klaagster, de heer B, namens klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter (het als bijlage meegestuurde verzetschrift is gedateerd op 13 februari 2026). De raad heeft het verzetschrift op eveneens 25 februari 2026 ontvangen. 
1.5    Op 26 februari 2026 heeft de (griffie van de) raad ook een brief van de heer B ontvangen, gedateerd op 13 februari 2026. Hierin geeft hij aan dat de beslissing van de voorzitter klaagster op 15 januari 2026 heeft bereikt, dat het door technische problemen tijdelijk niet mogelijk was om e-mails te versturen en dat het verzetschrift om die reden per post werd toegezonden.  
1.6    Bij e-mail van 26 februari 2026 heeft de (griffie van de) raad het volgende bericht aan de heer B gestuurd: 
“Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw e-mail van 25 februari 2026 en uw brief inzake verzet, ontvangen op 26 februari 2026.
Ik wijs u erop dat een verzetschrift, met daarin de gronden van het verzet, op grond van de wet binnen 30 dagen na verzending van de voorzittersbeslissing moet zijn ontvangen op de griffie van de raad van discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.
U stelt verzet in tegen de beslissing van 5 januari 2026, verzonden op 5 januari 2026. Nu uw e-mail en uw brief inzake het verzet te laat, namelijk na afloop van de termijn van 30 dagen na 5 januari 2026, is ontvangen, zal de raad u naar alle waarschijnlijkheid niet-ontvankelijk verklaren in het verzet.
In dat geval zal de raad niet toekomen aan de inhoudelijke behandeling van uw verzet.
Graag verneem ik of u ondanks het voorgaande het verzet wilt voortzetten.”
1.7    De heer B heeft hierop bij e-mail van 27 februari 2026 namens klaagster als volgt geantwoord: 
“Wij bevestigen dat wij het verzet handhaven. Wij betwisten dat het verzet niet tijdig zou zijn ingediend. De beslissing is op 15 januari 2026 aan ons toegezonden. Uitgaande van deze datum liep de termijn tot en met 14 februari 2026. Het verzetschrift is op 13 februari 2026 inhoudelijk afgerond en was bestemd om diezelfde dag per e-mail te worden ingediend. Als gevolg van een technisch probleem bij onze e-mailprovider was het echter objectief onmogelijk om e-mails te verzenden of te ontvangen. Dit probleem lag buiten onze invloedssfeer en was ons aanvankelijk niet onmiddellijk kenbaar. Na kennisname van de storing hebben wij het verzetschrift aangetekend per post ingediend. Een bevestiging van onze provider waaruit de technische onmogelijkheid blijkt, kan desgewenst worden nagezonden. Onder deze omstandigheden is sprake van een objectieve verhindering (overmacht). Wij verzoeken de raad derhalve het verzet ontvankelijk te verklaren en inhoudelijk te behandelen.”
1.8    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 18 mei 2026. Daarbij is namens klaagster met voorafgaand bericht niemand verschenen en was verweerster op de zitting aanwezig. 
1.9    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. 
1.10    Namens klaagster is bij e-mail van 15 mei 2026 nog een nader stuk ingediend. Dit stuk is niet aan het procesdossier toegevoegd, omdat het in strijd met artikel 2.4.2. van het Landelijk Procesreglement voor klachten bij de raden van discipline niet uiterlijk twee weken voor de zitting is ingediend. 

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2    Klaagster heeft in verzet gemotiveerd naar voren gebracht waarom zij van mening is dat de beslissing van de voorzitter niet juist is. De kern van het verzet luidt dat in redelijkheid moet worden betwijfeld of het gedocumenteerde totaalpatroon volledig is gewogen, centrale aspecten inhoudelijk zijn getoetst en of de drempel van ‘kennelijk ongegrond’ correct is toegepast. Gelet op de omvang en de documentatie van de klacht is twijfelachtig of de zaak als ‘kennelijk’ kon worden afgedaan. 
2.3    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.


3    FEITEN EN KLACHT
3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 


4    BEOORDELING

Ontvankelijkheid  
4.1    De raad ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klaagster kan worden ontvangen in haar verzet. Op grond van artikel 46j lid 4 jo artikel 46h lid 1 Advocatenwet kan binnen 30 dagen na de dag van verzending van het afschrift van de voorzittersbeslissing daartegen verzet worden ingesteld. 
4.2    De beslissing van de voorzitter is bij aangetekende e-mail van 5 januari 2026 aan de heer B gestuurd. Uit het statusoverzicht aangetekende mail volgt dat hij op 5 januari 2026 een aankondiging van de aangetekende mail heeft ontvangen. Op 10 januari 2026 en 15 januari 2026 heeft de heer B een herinnering ontvangen dat er een aangetekende mail klaarligt. Op 15 januari 2026 heeft de heer B de aangetekende mail opgevraagd en daarmee kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter van 5 januari 2026. 
4.3    De verzettermijn van 30 dagen is gelet op het bepaalde in artikel 46j lid 4 jo artikel 46h lid 1 Advocatenwet een dag na verzending op 5 januari 2026 gaan lopen en niet pas op 15 januari 2026, de datum waarop de aangetekende werd opgehaald, zoals klaagster ten onrechte aanneemt. Klaagster had derhalve uiterlijk op 4 februari 2026 een verzetschrift moeten indienen. Het verzetschrift van 25 februari 2026 is dan ook te laat ingediend. 
4.4    Voor zover klaagster stelt dat het verzetschrift al op 13 februari 2026 gereed was, maar toen wegens een storing niet kon worden verzonden, is dat niet relevant, aangezien de verzettermijn ook op 13 februari 2026 al was verstreken. 
4.5    De raad overweegt verder dat, nu niet is gebleken dat de overschrijding van de verzettermijn door klaagster verschoonbaar is, deze termijnoverschrijding voor rekening van klaagster behoort te blijven. De conclusie is dan ook dat het door klaagster ingestelde verzet niet-ontvankelijk is. De raad komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzet. 


BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart het verzet niet-ontvankelijk.   

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. C.C. Horrevorts en T. Felix, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2026.


Griffier    Voorzitter


Verzonden op: 29 juni 2026