ECLI:NL:TADRAMS:2026:137 Raad van Discipline Amsterdam 26-499/RO/W
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:137 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-499/RO/W |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking |
| Beslissingen: | Wraking |
| Inhoudsindicatie: | Wrakingsbeslissing; kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de Wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
als plaatsvervanger van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 26 juni 2026 in de zaak 26-499/A/RO/W
naar aanleiding van het verzoek om wraking van na te noemen tuchtrechter,
ingediend door:
verzoekster
gemachtigde:
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) is een
klachtzaak aanhangig onder zaaknummer 26-339/DH/RO met verzoekster als klaagster en
mr. M als verweerster (hierna: de klachtzaak). De heer P treedt in deze procedure
op als de gemachtigde van verzoekster.
1.2 Bij brief van de griffier van de raad van 21 april 2026 is aan de gemachtigde
van verzoekster onder meer meegedeeld dat verzoekster een beslissing van de voorzitter
krijgt òf een oproep voor een zitting, waarbij is vermeld dat als de zaak bij voorzittersbeslissing
wordt beslist, die beslissing in beginsel op 17 juni 2026 zou worden genomen.
1.3 Bij e-mail van 1 juni 2026 heeft de gemachtigde van verzoekster een wrakingsverzoek
ingediend gericht tegen de ‘handelende plv. Voorzitter’ in de klachtzaak. Wegens het
uitblijven van een reactie van de raad, heeft de gemachtigde op 15 juni 2026 een tweede
e-mail gestuurd waarin hij (tevens) het wrakingsverzoek verder heeft toegelicht.
1.4 Bij e-mail van (eveneens) 15 juni 2026 heeft de griffier van de raad de ontvangst
van het wrakingsverzoek bevestigd en meegedeeld dat de klachtzaak op dat moment ter
beoordeling voorlag bij mr. S.M. Krans en het wrakingsverzoek derhalve wordt aangemerkt
als gericht tegen mr. Krans (hierna: de tuchtrechter).
1.5 Bij verweerschrift van 23 juni 2026 heeft de tuchtrechter laten weten dat
hij niet in de wraking berust en gemotiveerd verweer gevoerd tegen het wrakingsverzoek.
Het verweer is op 25 juni 2026 aan de gemachtigde van verzoekster gestuurd. Die heeft
hierop bij e-mail van 26 juni 2026 (00:49 uur) gereageerd en deze reactie is ter informatie
aan de tuchtrechter doorgestuurd.
1.6 De wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna:
de wrakingskamer) heeft bij zijn beslissing kennisgenomen van de volgende stukken:
- de e-mail van 1 juni 2026 van de gemachtigde van verzoekster met als bijlage
het wrakingsverzoek;
- de e-mail van de gemachtigde van verzoekster van 15 juni 2026;
- het verweer van de tuchtrechter bij e-mail van 23 juni 2026, dat door de wrakingskamer
op 25 juni 2026 aan de gemachtigde van verzoekster is doorgezonden;
- De reactie op het verweer van de gemachtigde van verzoekster van 26 juni 2026.
2 BEOORDELING
2.1 Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering
is wraking van een tuchtrechter mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor
de (tucht)rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2 Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve
instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend
geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon
van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve
zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste
is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter
wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders
als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren
voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoekster,
althans dat de vrees daarvoor bij verzoekster objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer
zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden namens verzoekster zijn gesteld
en aannemelijk zijn geworden.
2.3 Aan het wrakingsverzoek is, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
De griffier van de raad heeft in de ontvangstbevestiging van 21 april 2026 geschreven
dat op 17 juni 2026 een beslissing zou worden genomen: 1. de zaak zal op zitting worden
behandeld 2. de zaak zal met een schriftelijke beslissing worden afgedaan. Met de
tweede optie is bedoeld dat de zaak zonder behandeling op zitting wordt afgedaan.
Deze optie is uitsluitend bestemd voor klachten die kennelijk niet-ontvankelijk of
kennelijk ongegrond zijn. De raad maakt misbruik van deze tweede optie om tuchtzaken
te vermijden en niet te behandelen of - met andere woorden - vriendjespolitiek uit
te oefenen en (collega) advocaten te verdedigen. Dit is een tactiek waartegen de klager
zich niet kan verzetten of hoger beroep kan instellen. De intentie van de raad is
derhalve overduidelijk om een ernstige zaak als de onderhavige in de prullenbak te
werpen. Uit gedragingen van de raad blijkt niet dat het de intentie van de tuchtrechter
is de zaak op zitting te behandelen, nu een dergelijke mededeling en planning binnen
vier weken dient te gebeuren. Verzoekster heeft een redelijke termijn (van 21 april
2026 tot 31 mei 2026) een uitnodiging of planning afgewacht en kan er inmiddels redelijkerwijs
vanuit gaan dat de raad geen intentie heeft om de zaak op zitting te behandelen en
duidelijk wel de intentie heeft de zaak af te blazen. Hiermee is kennelijk dat er
een objectieve vrees bestaat voor een partijdige rechter nu een zitting klaarblijkelijk
is uitgesloten en dan blijft de vooringenomenheid van de tuchtrechter om op 17 juni
2026 een afwijzing te zenden. Daarom wordt verzocht om de tuchtrechter per direct
te wraken en de zaak aan een nieuwe (plv.) voorzitter voor te leggen die conform het
beginsel van hoor en wederhoor, zonder prejudicie, partijdigheid en vooringenomenheid
op de zaak zal beslissen.
2.4 Het wrakingsverzoek slaagt niet. Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt
uit de ontvangstbevestiging van de griffier, anders dan door verzoekster wordt gesteld,
geen (schijn van) partijdigheid. Met deze brief staat immers nog niet vast dat daadwerkelijk
door de tuchtrechter schriftelijk op de klachtzaak zal worden beslist. Het komt met
enige regelmaat voor dat zaken die aan een (plaatsvervangend) voorzitter worden voorgelegd
toch op een zitting worden behandeld. Daarom biedt de brief ook twee mogelijkheden,
namelijk een afdoening van de klacht zonder zitting of een planning van de klacht
op een zitting. De wrakingskamer ziet in deze ontvangstbevestiging dan ook geen grond
voor een gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van de tuchtrechter ten aanzien
van de behandeling van de namens verzoekster ingediende klacht. De gronden van de
wraking zijn daarmee ontoereikend om tot de conclusie te komen dat sprake is van de
(schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid. Al hetgeen namens verzoekster verder
naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
2.5 Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De wrakingskamer zal, gelet op
artikel 4 van het Wrakingsprotocol raden van discipline, het verzoek zonder behandeling
ter zitting en enkelvoudig afwijzen. Dat betekent dat het verzoek om te worden gehoord
wordt afgewezen.
BESLISSING
De wrakingskamer:
- verklaart het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de behandeling van de klachtzaak met kenmerk 26-339/DH/RO zal worden hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd ingediend.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 juni 2026