We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:136 Raad van Discipline Amsterdam 26-375/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:136
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 30-06-2026
Zaaknummer(s): 26-375/A/A
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; verweerder heeft bij de vervulling van zijn taak als curator het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 22 juni 2026
in de zaak 26-375/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 29 april 2026 met kenmerk 2505042/EvR/JN, door de raad ontvangen op eveneens 29 april 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 
1.1    BM B.V. (hierna: BM) hield zich bezig met het onderhoud van door BDE B.V. (hierna: BDE) geproduceerde draaideuren (entreesystemen).
1.2    Klager is via zijn holding J Holding B.V. (J Holding) middellijk bestuurder en middellijk aandeelhouder van BM en BDE. De faillissementen van BM en BDE zijn aangevraagd door mr. S, die curator is in het faillissement van een andere aan klager gelieerde vennootschap. 
1.3    Bij vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 10 juni 2025 en 1 juli 2025 zijn BM en BDE in staat van faillissement verklaard met aanstelling van verweerder als de curator. 
1.4    In de periode van het faillissement van BM en BDE is regelmatig (correspondentie)contact geweest tussen klager en verweerder. Waar relevant zal deze correspondentie in de overwegingen nader geduid worden. 
1.5    Op 9 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 
1.6    Aangezien verweerder een kantoorgenoot is van de deken in het arrondissement Noord-Holland, is het onderzoek naar de klacht met instemming van klager overgedragen aan de deken in het arrondissement Amsterdam.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
a)    verweerder heeft zich meerdere malen respectloos en ongepast tegenover klager gedragen, onder meer door hem en een van zijn adviseurs een oplichter te noemen en - ten overstaan van de zoon en het personeel van klager - te verklaren dat hij ervoor zal zorgen dat klager “nimmer meer aan de bak komt”; 
b)    verweerder heeft op de dag van het faillissement van BM en BDE geheel onterecht en in opdracht van Rabobank (wat achteraf onwaar bleek) alle voertuigen van J Holding afgenomen;
c)    verweerder heeft de privacyregels geschonden door klager thuis op te zoeken en zich zonder toestemming van klager op zijn perceel te begeven; 
d)    verweerder heeft klager misleid door de indruk te wekken dat zijn schriftelijk voorstel om tot een finale kwijting met curator mr. S te komen kans van slagen had wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat zijn bedrijven definitief failliet zijn verklaard;
e)    verweerder heeft klager publiekelijk aan de schandpaal genageld door geheel ongebruikelijk alle ramen van de auto's en het pand waar de failliete bedrijven van klager kantoor houden, vol te plakken met het faillissementsvonnis;
f)    verweerder heeft geweigerd goederen van derden terug te geven;
g)    verweerder heeft klager valselijk beschuldigd van verduistering van goederen en zich daarmee schuldig gemaakt aan smaad. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.


4    BEOORDELING
Toetsingskader 
4.1    De klacht ziet op het handelen en/of nalaten van verweerder in zijn hoedanigheid van curator. 
4.2    Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, zoals in dit geval, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad.
4.3    De voorzitter overweegt dat de hiervoor onder 4.2 genoemde - beperkte - toetsingsmaatstaf meebrengt dat niet snel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake zal zijn. Dit komt onder meer omdat een curator bij de uitoefening van zijn taak uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen moet behartigen en dat hij bij het nemen van zijn beslissingen, die vaak geen uitstel kunnen lijden, ook rekening behoort te houden met belangen van maatschappelijke aard. Verder speelt een rol dat de curator zijn taak uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris is om te beslissen of het handelen van de curator zich binnen de wettelijke kaders afspeelt. Voor de tuchtrechter is daarbij in beginsel geen rol weggelegd (RvD ’s-Hertogenbosch 28 april 2026, ECLI:NL:TADRSHE:2026:53). 
4.4    Het is de voorzitter niet gebleken dat de gedragingen van verweerder bij de vervulling van zijn taak als curator op zichzelf beschouwd zodanig ernstig zijn dat sprake is van een schending van het vertrouwen in de advocatuur. Meer in het bijzonder overweegt de voorzitter naar aanleiding van de verschillende klachtonderdelen als volgt. 
Klachtonderdeel a) respectloos en ongepast gedragen 
4.5    Klager stelt dat verweerder zich agressief en respectloos jegens hem heeft opgesteld. Klager heeft in zijn klacht verschillende voorbeelden aangehaald van ongepaste uitlatingen die verweerder volgens hem zou hebben gedaan. Zo zou verweerder klager hebben uitgemaakt voor oplichter en ten overstaan van zijn zoon en personeel hebben verklaard dat hij ervoor zou zorgen dat klager nooit meer aan de bak zou komen. 
4.6    Verweerder betwist dat hij zich op een dergelijke wijze heeft uitgelaten; zijn toon was weliswaar op momenten stevig, maar gelet op de omstandigheden en zijn wettelijke plicht gerechtvaardigd en proportioneel. 
4.7    De voorzitter overweegt dat klager tegenover dit verweer van verweerder zijn klacht onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van dit verwijt, bijvoorbeeld in de vorm van documenten die de juistheid van klagers stellingen bevestigen. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. 


Klachtonderdelen b) en f) het afnemen van voertuigen en de weigering goederen van derden terug te geven 
4.8    De voorzitter overweegt dat de verwijten in deze klachtonderdelen, zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, betrekking hebben op het onderliggende geschil tussen partijen omtrent eigendom en verhaal. De beoordeling van daarvan is voorbehouden aan de rechter-commissaris danwel de civiele rechter; de tuchtrechter speelt hierin in principe geen rol, tenzij verweerder in tuchtrechtelijke zin over de schreef is gegaan. Dat is de voorzitter niet gebleken en daarmee zijn de klachtonderdelen b) en f) kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel c) het schenden van privacyregels 
4.9    De voorzitter overweegt dat - daargelaten de vraag of het schenden van de privacyregels onder de reikwijdte van het tuchtrecht valt - niet gebleken is dat verweerder met zijn bezoek aan het huis van klager zich zodanig heeft gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Hoewel de voorzitter begrijpt dat klager het als onprettig heeft ervaren dat verweerder hem bij zijn woning heeft bezocht en zijn perceel heeft betreden, geldt dat verweerder onbetwist heeft aangevoerd dat klager hem niet heeft verzocht zijn erf te verlaten en vrijwillig het gesprek met verweerder is aangegaan. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel d) – misleiding   
4.10    Volgens klager doet verweerder het voorkomen alsof hij klager probeert te helpen, maar dat hij hem vervolgens laat zakken. Klager heeft met verweerder overlegd over een voorstel dat klager aan mr. S zou kunnen doen en waarmee verweerder mr. S zou kunnen overtuigen om finale kwijting aan klager te verlenen. Verweerder heeft in dat verband zijn goedkeuring gegeven aan een door klager opgesteld voorstel, waarna klager het aan mr. S heeft gestuurd. Vervolgens heeft klager niets meer van mr. S danwel verweerder vernomen. Uiteindelijk gaf verweerder en passant aan dat mr. S niet akkoord was. Verweerder heeft klager misleid door de indruk te wekken dat hij wilde helpen en dat zijn schriftelijk voorstel om tot een finale kwijting met mr. S te komen kans van slagen had, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat zijn bedrijven definitief failliet zijn verklaard. Er is sprake van een vooropgezet samenspel tussen de twee curatoren.
4.11    Ook dit klachtonderdeel slaagt naar het oordeel van de voorzitter niet. Verweerder heeft onderbouwd aangevoerd dat hij klager niet heeft geadviseerd bij het opstellen van een voorstel aan mr. S. Zijn rol beperkte zich tot het doorgeven van informatie tussen partijen om de communicatie te bevorderen. Verweerder heeft zich niet met de inhoud van het voorstel bemoeid en toegelicht dat het niet tot de taak van de curator behoort om namens de boedel met individuele schuldeisers te onderhandelen over een afwending van het faillissement. Het stond klager vrij zijn eigen voorstellen te doen; dat deze niet zijn aanvaard, kan niet voor rekening van verweerder komen. Het is de voorzitter dan ook niet gebleken dat verweerder met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft aangetast. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond. 


Klachtonderdeel e) publiekelijk aan de schandpaal nagelen
4.12    Hoewel de voorzitter begrijpt dat het voor klager vervelend is dat het faillissementsvonnis en de beschikking van de rechter-commissaris zichtbaar waren aangebracht op het bedrijfspand en de voertuigen, heeft verweerder ook met dat handelen niet het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Verweerder heeft toereikend toegelicht dat deze aanpak gelet op de ontstane chaos en aanwijzingen van faillissementsfraude een noodzakelijke en proportionele maatregel betrof ter bescherming van de boedel en daarmee was ingegeven door zijn wettelijke taak om de boedel te beveiligen. Klachtonderdeel e) is dan ook kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel g) – smaad 
4.13    Klager verwijt verweerder dat hij hem valselijk heeft beschuldigd van verduistering van goederen uit het afgesloten bedrijfspand en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan smaad.  
4.14    Verweerder herkent zich niet in dit verwijt. Voor zover verweerder weet, heeft hij klager nooit beschuldigd van het verduisteren van goederen. Wel heeft verweerder klager aangesproken op zijn verplichtingen als bestuurder naar aanleiding van het verdwijnen van bepaalde goederen en de geconstateerde verwijdering van de digitale administratie. Alle uitlatingen zijn gebaseerd op feitelijke bevindingen en gerechtvaardigde zorgen over het beheer van de boedel. 
4.15    De voorzitter stelt vast dat het beheer van de boedel tot de wettelijke taak van verweerder als curator behoort en hij zodoende klager als bestuurder hierop mocht aanspreken. Of dat in het concrete geval terecht was, valt buiten het bestek van deze tuchtrechtelijke procedure. Van smaad of een andere onrechtmatige beschuldiging is de voorzitter niet gebleken en daarmee is klachtonderdeel g) eveneens kennelijk ongegrond.
4.16    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026. 

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 22 juni 2026