ECLI:NL:TADRAMS:2026:135 Raad van Discipline Amsterdam 26-117/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:135 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-117/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de eigen advocaat in een familierechtzaak, gedeeltelijk gegrond. Verweerster heeft inhoudelijk steken laten vallen en nagelaten klaagster (schriftelijk) te informeren dat haar declaratie substantieel hoger werd dan haar oorspronkelijke schatting. Waarschuwing met kostenveroordeling. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 22 juni 2026
in de zaak 26-117/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
gemachtigde: mr. H.J. Oosterhagen
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 24 februari 2025 (aangevuld op 17 maart 2025) heeft klaagster bij de deken
van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht
ingediend over verweerster.
1.2 Op 12 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2471582/EvR/BF
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij
waren klaagster en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 05. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 1 maart 2026 door klaagster nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerster heeft klaagster tussen februari 2023 en januari 2025 bijgestaan
in een echtscheidingsprocedure met haar ex-partner. Klaagster en haar ex-partner hebben
samen een minderjarig kind.
2.3 Bij brief van 4 april 2024 met als onderwerp ‘Samenwerkingsovereenkomst advocaat
en cliënt’ heeft verweerster aan klaagster meegedeeld, voor zover relevant:
“Je hebt mij gevraagd om je te adviseren en te vertegenwoordigen bij jouw echtscheiding,
kind regelingen en de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. Jouw vader zal je bij
staan en wordt op de hoogte gehouden in jouw zaak.
Jouw streven en opdracht aan mij is om -in eerste instantie- een oplossing te bereiken
buiten procedures bij de rechtbank om, waarbij een voor jou acceptabele oplossing
wordt bereikt over alle onderwerpen van de echtscheiding. Je hebt één minderjarig
kind waar een verzorgings- en opvoedingsregeling voor moet komen en er kinderalimentaties
bepaald dienen te worden. Je hebt een huis in gezamenlijk eigendom, hierover moeten
afspraken worden gemaakt. (…)
Wij kwamen overeen, ik deel je mee, dat je mijn uurtarief betaalt met ingang van
1 februari 2023, dit laatste begrijp je en ga je mee akkoord, ben je mee akkoord gegaan.
Het uurtarief wat ik in deze zaak hanteer voor adviezen is Euro 350,- ex 21% BTW en
ex 6% kantoorkosten. Het uurtarief wat ik in deze zaak hanteer voor het starten en
voeren van de echtscheidingsprocedure is Euro 325,- ex 21% BTW en ex 6% kantoorkosten.
Hiervan heb ik je op 7 februari 2023 al op de hoogte gesteld via een mail. Het starten
van de echtscheidingsprocedure is het moment dat ik voorlopige voorzieningen en/of
het echtscheidingsverzoek indien bij de rechtbank.”
2.4 Verweerster heeft bij aanvang van haar bijstand mondeling een kostenindicatie
van circa € 10.000,- gegeven.
2.5 Verweerster is namens klaagster een voorlopige voorzieningsprocedure gestart
bij de rechtbank Amsterdam. Op 16 september 2024 heeft verweerster aan klaagster een
conceptverzoekschrift toegezonden. Hierop heeft klaagster gereageerd bij e-mails van
23 september 2024, 24 september 2024, 1 oktober 2024 en 28 oktober 2024.
2.6 In het verzoekschrift is (voor zover relevant) verzocht om voor de duur van
de echtscheidingsprocedure te bepalen dat klaagster het alleengebruik van de echtelijke
woning kreeg en de ex-partner de woning met meer mocht betreden op straffe van een
boete. Verder is verzocht aan de ex-partner een voorlopige bijdrage op te leggen in
de verzorging en opvoeding van het kind van € 600,- per maand. Ten slotte is een voorlopige
zorgregeling verzocht waarbij het kind om het weekend bij de ex-partner is - van zondagochtend
na zondagles tot zondagavond 19:00 uur - en daarnaast op dinsdagmiddag na school tot
dinsdagavond 19:00 uur, waarbij de regeling kon worden uitgebreid als de ex-partner
zijn wietverslaving en het blowen in aanwezigheid van het kind kon stoppen via verslavingstherapie
en het agressieve gedrag (huiselijk geweld) tegenover klaagster ophield en de ex-partner
hiervoor een behandeltraject zou volgen.
2.7 De ex-partner heeft in verweer hierop (voor zover relevant) verzocht om het
gebruik van de echtelijke woning voor de duur van de procedure aan klaagster toe te
kennen en te bepalen dat het kind aan hem werd toevertrouwd, met vaststelling van
een zorgregeling.
2.8 Klaagster heeft op 17 november 2024 aan verweerster haar opmerkingen bij
het verweerschrift van de ex-partner gegeven. Verweerster heeft hier namens klaagster
op gereageerd.
2.9 Op 20 november 2024 heeft een zitting bij de voorzieningenrechter van de
rechtbank Amsterdam plaatsgevonden.
2.10 Bij beschikking van 4 december 2024 heeft de rechtbank Amsterdam voorlopig
beslist (i) dat klaagster bij uitsluiting gerechtigd was tot het gebruik van de echtelijke
woning, (ii) dat het minderjarige kind met onmiddellijke ingang aan de ex-partner
werd toevertrouwd, (iii) dat klaagster qua verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in week 1 van maandag na school tot woensdag na school het minderjarige kind bij zich
had en in week 2 van maandag na school tot woensdag na school en van vrijdag na school
tot de woensdag na school en (iv) dat klaagster € 211,- per maand moest betalen aan
de ex-partner als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige
kind.
2.11 Over de toevertrouwing van het kind heeft de rechtbank overwogen:
“Toevertrouwen minderjarige
4.10. De man verzoekt zelfstandig [het kind] voor de duur van de procedure aan hem
toe te vertrouwen.
4.11. De vrouw stelt dat het voorlopige hoofdverblijf van [het kind] bij de vrouw
in de echtelijke woning dient te zijn. De vrouw heeft in haar petitum echter geen
verzoek geformuleerd om [het kind] aan haar toe te vertrouwen.
4.12. De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen en [het kind] aan hem toevertrouwen.
Hierboven is overwogen dat co ouderschap aangewezen is. In dat geval kan de toevertrouwing
aan beide ouders plaatsvinden of worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank
is niet gebleken dat de belangen van [het kid] zich verzetten tegen toevertrouwing
van hem aan de man.”
2.12 Op 24 februari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerster
ingediend.
2.13 Op 17 maart 2025 heeft klaagster ook rechtstreeks bij het kantoor van verweerster
een klacht ingediend. Verweerster heeft klaagster (en haar ouders) met betrekking
tot de (kantoor)klacht bij e-mail van 22 april 2025 verwezen naar haar haar klachtenfunctionaris,
mr. L.
2.14 Klaagster heeft hierop laten weten dat zij niet wenste dat mr. L kennisnam
van de processtukken en correspondentie, omdat hij een bekende van haar en haar ouders
was. Zij zou daarom de bij het kantoor van verweerster ingediende klacht eveneens
ter behandeling aan de deken doorsturen. Dat heeft klaagster gedaan.
2.15 Het dossier bevat urenspecificaties van de werkzaamheden van verweerster
over de periode van april 2024 tot januari 2025. Verweerster heeft in totaal een bedrag
van € 45.632,49 gedeclareerd.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende:
a) de door verweerster verleende juridische bijstand staat niet in verhouding
tot de aanzienlijke kosten die in rekening zijn gebracht;
b) in het verzoekschrift is niet subsidiair de toevertrouwing/hoofdverblijfplaats
van het kind bij klaagster opgenomen, als een gevolg waarvan het aan de ex-partner
van klaagster is toevertrouwd;
c) aan de rechtbank is niet doorgegeven op welke dagen klaagster werkt/in opleiding
is en welke dagen zij dus beschikbaar is voor een co-ouderschapregeling;
d) slordig en onzorgvuldig zijn, waardoor vele correcties op concepten nodig
waren die vervolgens niet (juist) werden overgenomen en het per ongeluk doorsturen
van een vertrouwelijke e-mail aan een derde partij;
e) het inschakelen van een klachtenfunctionaris waarmee - naar verweerster weet
- een beladen geschiedenis met de familie van klaagster bestaat en die niet objectief
is.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter
is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de
in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake
is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Nieuw klachtonderdeel
5.3 Klaagster heeft in de nagezonden stukken van 1 maart 2026 een aanvullend
klachtonderdeel geformuleerd over het door verweerster gehanteerde tarief. Dit klachtonderdeel
zal buiten beschouwing blijven, omdat de raad op grond van artikel 46c lid 1 van de
Advocatenwet slechts kan oordelen over klachtonderdelen die eerst door de deken zijn
onderzocht. Nieuwe klachtonderdelen kunnen derhalve niet door de raad in behandeling
worden genomen.
Klachtonderdeel a) kosten in verhouding tot juridische bijstand
Ontvankelijkheid
5.4 De raad ziet zich eerst voor de vraag gesteld of klaagster kan worden ontvangen
in dit klachtonderdeel. Het meest verstrekkende verweer van verweerster is namelijk
dat klaagster niet kan worden ontvangen in dit klachtonderdeel, omdat zij geen eigen,
rechtstreeks belang heeft bij dit klachtonderdeel, maar slechts een afgeleid belang
omdat klaagster niet zelf maar haar ouders de facturen van verweerster betaalden.
5.5 De raad volgt verweerster niet in dit betoog en is van oordeel dat klaagster
een rechtstreeks eigen belang heeft bij dit klachtonderdeel. Klaagster is de opdrachtgeefster
en verweerster is gehouden ten opzichte van klaagster verantwoording af te leggen
over (de hoogte van) haar facturen. De vraag of klaagster de facturen zelf betaalde
is daarvoor niet relevant. De raad verwerpt het primaire verweer van verweerster en
zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van dit klachtonderdeel.
Inhoudelijk
5.6 De raad overweegt dat een advocaat gehouden is tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid
in financiële aangelegenheden. Bij het aangaan van een opdracht moet een advocaat
duidelijke afspraken maken met de cliënt over het te hanteren honorarium, de kosten
en de wijze van declareren. De advocaat dient vooraf transparant te zijn over deze
aspecten en een inschatting te geven van de te verwachten tijdsbesteding en het totaalbedrag
van het honorarium. Zodra de advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger
zal worden dan de aanvankelijk aan de cliënt opgegeven schatting, stelt de advocaat
zijn cliënt daarvan op de hoogte (vgl. gedragsregel 17 leden 1 tot en met 3).
5.7 Op grond van gedragsregel 16 lid 1 is een advocaat verder gehouden om zijn
cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie en dient hij belangrijke
informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen.
5.8 Met klaagster rekent de raad het verweerster aan dat zij bij aanvang van
haar bijstand (mondeling) een eerste kostenindicatie heeft gegeven van circa € 10.000,-
en dat verweerster uiteindelijk een totaalbedrag van € 45.632,49 heeft gedeclareerd.
In zoverre is het klachtonderdeel gegrond. Niet in geschil is dat verweerster bij
aanvang van haar werkzaamheden een totale kosteninschatting heeft gegeven van in totaal
€ 10.000,-. Verweerster heeft uiteindelijk bijna vijf keer zoveel gedeclareerd. Het
klachtdossier bevat geen concrete, schriftelijke afspraken over de te verwachten tijdsbesteding
en het totaalbedrag van het honorarium. Verweerster voert ter verdediging aan dat
het uiteindelijk een complexe echtscheidingsprocedure is geworden en dat zij in de
loop van de tijd wel (mondeling) met klaagster en haar ouders heeft besproken dat
er veel meer uren werden besteed dan voorzien. Klaagster betwist echter dat zij op
enig moment is gewaarschuwd dat de kosten zo uit de hand liepen en volgens klaagster
is er tussentijds geen duidelijke uitleg of waarschuwing gegeven. Nu het de raad niet
is gebleken dat verweerster haar waarschuwingen over de oplopende kosten op schrift
heeft gesteld, komt de onduidelijkheid hierover gelet op het bepaalde in gedragsregel
16 lid 1 voor rekening van verweerster. Het had op verweersters weg gelegen om - nadat
het voor haar duidelijk werd dat haar declaratie (substantieel) hoger zou worden dan
de oorspronkelijk schatting - een nieuwe en actuele schriftelijke raming op te stellen
van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig was om de procedure af te ronden.
Nu dit niet is gebeurd heeft verweerster niet gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat
betaamt. Klachtonderdeel a) is in zoverre gegrond.
5.9 Verder stelt klaagster in dit klachtonderdeel dat verweersters uurtarief
en het aantal geschreven uren buitensporig hoog zijn, waarbij verweerster standaard
minimaal 15 minuten per e-mail rekende ongeacht de lengte van de e-mail.
5.10 De raad begrijpt dit klachtonderdeel zo dat klaagster van mening is dat
verweerster excessief heeft gedeclareerd. Ten aanzien hiervan geldt dat de tuchtrechter
zich ter zake van de hoogte van declaraties beperkt tot een marginale toets. Er wordt
niet gekeken of de declaratie juist is, maar enkel of sprake is van excessief declareren.
Of een declaratie als excessief moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden
van het geval, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid
van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding
tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden.
5.11 Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat verweerster excessief
heeft gedeclareerd. Verweerster heeft onderbouwd toegelicht dat zij het uurtarief
heeft gehanteerd zoals overeengekomen in de opdrachtbevestiging en dat dit een zeer
gangbaar uurtarief is voor advocaten met de ervaring van verweerster. Verder heeft
verweerster toereikend toegelicht dat zij in totaal gedurende de periode van 2023
tot en met 2025 10 nota’s heeft verzonden en in totaal 105 uren heeft geschreven over
een periode van circa twee jaar. Gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals
de omvang van het dossier, de onverwachte wendingen in de zaak, het intensieve contact
met klaagster en haar ouders en de procedure die is gevoerd, acht de raad de geschreven
aantal uren niet buitensporig hoog. Het verwijt dat verweerster standaard een tijdseenheid
van 15 minuten schreef ongeacht of zij die minuten heeft gewerkt, is door klaagster
niet concreet onderbouwd en door verweerster betwist, zodat dit niet is komen vast
te staan. Tot slot is het de raad niet gebleken dat verweerster zichzelf onnodig werk
heeft toegeëigend door op eigen verzoek mee te gaan naar het politiebureau om aangifte
te doen, terwijl klaagster had aangegeven dat dat niet nodig was. Verweerster heeft
ter zitting onweersproken toegelicht dat zij op uitdrukkelijk verzoek van klaagster
is meegegaan naar het politiebureau om aangifte te doen. Van tuchtrechtrechtelijk
verwijtbaar handelen in dit opzicht is de raad dan ook niet gebleken zodat klachtonderdeel
a) is voor het overige ongegrond.
Klachtonderdeel b) toevertrouwing/hoofdverblijfplaats van het kind
5.12 Het verwijt in dit klachtonderdeel komt er in de kern op neer dat verweerster
niet subsidiair namens klaagster om toevertrouwing van het kind heeft verzocht en
dat het kind daardoor aan haar ex-partner is toevertrouwd. Na ontvangst van het verweerschrift
van de ex-partner, waarin hij concreet verzocht te bepalen dat het kind aan hem werd
toevertrouwd, heeft klaagster met verweerster besproken om extra verweer te voeren
en toevertrouwing van het kind aan klaagster te verzoeken. Dit heeft verweerster afgeraden
omdat dit gelet op de overgelegde voor klaagster belastende bewijsstukken in dit geval
een kansloos verzoek was. De raad volgt verweerster niet in dit betoog. Ook uit de
beschikking van de rechtbank blijkt (voor zover relevant weergegeven onder 2.3 van
de feiten) dat in het nadeel van klaagster heeft gewerkt dat zij geen verzoek had
geformuleerd om het kind aan haar toe te vertrouwen en het kind (mede) gelet daarop
aan de ex-partner is toevertrouwd. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster
steken laten vallen door niet alsnog toevertrouwing aan klaagster te verzoeken. De
raad acht klachtonderdeel b) dan ook gegrond.
Klachtonderdeel c) doorgeven beschikbaarheid co-ouderschapsregeling
5.13 Klaagster stelt dat verweerster is vergeten door te geven op welke dagen
klaagster opleiding/werk heeft en op welke dagen zij beschikbaar is voor de co-ouderschapsregeling.
Hierdoor werd een co-ouderschapsregeling vastgesteld die niet aansloot bij de beschikbaarheid
van klaagster.
5.14 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft aangevoerd dat zij afhankelijk
is van de input van klaagster en dat klaagster alle processtukken heeft gelezen en
goedgekeurd. Klaagster heeft ter zitting erkend dat zij voor wat betreft haar werkdagen
en opleidingsdagen haar fiat heeft gegeven aan verweerster om het op te schrijven
zoals verweerster dat had gedaan. Dat er derhalve een co-ouderschapsregeling is vastgesteld
die niet aansloot bij klaagsters beschikbaarheid, valt verweerster daarom niet aan
te rekenen. Bovendien heeft verweerster ter zitting onbetwist aangevoerd dat zij nog
aangeboden heeft om een wijzigingsverzoek in te dienen, maar dat zij hierop niets
meer heeft gehoord van klaagster. Klachtonderdeel c) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel d) slordig en onzorgvuldig
5.15 Klaagsters stelt dat verweerster behoorlijk slordig was. Zo waren er telkens
veel correcties nodig in de concepten van verweerster waarbij de aanpassingen van
klaagster zelfs na meerdere e-mailwisselingen niet juist werden overgenomen of aangepast.
Er is zelfs een vertrouwelijke e-mail per ongeluk doorgestuurd aan een niet betrokken
derde partij. Vervolgens werden al deze e-mails wel volledig gedeclareerd, aldus klaagster.
5.16 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Allereerste geldt dat bij gebreke van
voldoende onderbouwing daarvan, bijvoorbeeld door stukken die de juistheid van klaagsters
stelling bevestigen, de raad het verwijt dat verweerster slordig was niet kan vaststellen.
Verweerster heeft erkend dat zij per ongeluk een e-mail aan een derde partij heeft
doorgestuurd in de hectiek van haar drukke praktijk en de tijdrovende echtscheidingszaak
van klaagster. De adressant in de cc was een medebestuurslid van een nevenfunctie
van verweerster die dezelfde voornaam als de vader van klaagster heeft. Hierover heeft
verweerster met de ontvangende bestuurder contact opgenomen en die bevestigde dat
de e-mail was vernietigd. De raad oordeelt dat deze fout niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
is, omdat de vergissing daarvoor niet ernstig genoeg is en verweerster haar fout op
een adequate manier heeft opgelost. Klachtonderdeel d) is daarmee ongegrond.
Klachtonderdeel e) inschakeling klachtenfunctionaris
5.17 Klaagster verwijt verweerster dat zij de klacht die klaagster bij het kantoor
van verweerster had ingediend, had doorgestuurd naar mr. L, als zogenoemde klachtenfunctionaris.
Verweerster was bekend met de beladen familieverhouding met deze advocaat en had hem
nooit eerder als klachtenfunctionaris ingeschakeld. De aanstelling van mr. L als klachtenfunctionaris
door verweerster, lijkt volgens klaagster een poging om de behandeling van de klacht
van klaagster te frustreren.
5.18 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft toegelicht dat mr. L
fungeerde als klachtenfunctionaris en zodoende de klacht aan hem was doorgestuurd.
Het klopt dat mr. L niet eerder een klacht over verweerster heeft behandeld, dit omdat
er niet eerder een klacht over haar bij het kantoor was ingediend. Verweerster was
niet bekend met de voorgeschiedenis van mr. L. met de familie van klaagster. Vanwege
de bezwaren van klaagster is de klachtbehandeling uiteindelijk niet voortgezet bij
mr. L. Klachtonderdeel e) is in deze omstandigheden dan ook ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, komt aan de orde of
aan verweerster een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Verweerster heeft
financieel onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld door geen nieuwe en actuele schriftelijke
raming op te stellen van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig was om
deze procedure af te ronden, nadat het voor verweerster duidelijk werd dat haar declaratie
flink hoger zou worden dan de oorspronkelijk schatting. Daarnaast heeft verweerster
naar het oordeel van de raad steken laten vallen in de voorlopige voorzieningsprocedure.
De raad acht in dit geval de oplegging van een waarschuwing passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a) (gedeeltelijk) en b) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen a) (overigens), c), d), en e) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.3.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. D.V.A. Brouwer en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026