ECLI:NL:TADRAMS:2026:134 Raad van Discipline Amsterdam 26-054/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:134 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-054/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; gegronde klacht over de advocaat wederpartij. Verweerster heeft zich niet gedragen zoals het een behoorlijk advocaat betaamt door maandenlang de vele e-mails van klager te negeren. Ook als de advocaat van de wederpartij mocht van verweerster verwacht worden dat zij ten minste kort reageerde met de mededeling dat zij klager niet kon helpen. Daarnaast acht de raad het ongepast om beschuldigingen te uiten zonder enige feitelijke onderbouwing. Waarschuwing met kostenveroordeling. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 22 juni 2026
in de zaak 26-054/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 juni 2025 heeft bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 21 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2497640/EvR/AS
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 De heer Q is op 3 december 2004 overleden. Klager is een van de 11 erfgenamen
van de overledene. De nalatenschap omvat onder meer een registergoed (hierna: het
registergoed).
2.3 Bij notariële akte van 21 december 2006 is vastgelegd dat de erfgenamen (waaronder
klager) onder meer mevrouw VD, ex-echtgenote van de overledene, hebben gemachtigd
met betrekking tot het beheer en de vereffening van de nalatenschap van wijlen de
heer Q. Verweerster treedt op als de advocaat van (onder andere) mevrouw VD.
2.4 Klager heeft op 21 februari 2025, 5 maart 2025, 25 maart 2025, 22 april 2025,
9 mei 2025, 29 mei 2025 en 6 juni 2025 verweerster aangeschreven en informatieverzoeken
bij haar neergelegd. Daarbij gaat het onder meer om verzoeken tot verstrekking van
een gewaarmerkt afschrift van de verklaring van erfrecht, het geven van openheid omtrent
de juridische status van het registergoed en het afleggen van rekening en verantwoording
met betrekking tot het gevoerde beheer van de nalatenschap.
2.5 Verweerster heeft niet inhoudelijk op de verzoeken van klager gereageerd.
Bij e-mail van 12 juni 2025 heeft zij klager geschreven:
“Uw e-mails heb ik in goede orde ontvangen.
Niettemin is het mij nog steeds niet duidelijk wie u in deze kwestie vertegenwoordigt.
Anders dan u stelt, bent u gehouden om expliciet aan te geven namens wie u optreedt.
Evenmin is duidelijk namens wie u de volmacht intrekt. Ik verzoek u derhalve te preciseren
of u deze intrekking uitsluitend namens uzelf doet, dan wel mede namens derden.
Gezien de aard en complexiteit van de materie acht ik het in uw belang om u te laten
bijstaan door een advocaat. Nu u daarvoor verzekerd bent, kan een ter zake kundig
advocaat u voorzien van correct en passend juridisch advies.”
2.6 Klager heeft eveneens op 12 juni 2025 bij de deken een klacht over verweerster
ingediend.
3 KLACHT EN VERWEER
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster dat zij structureel en stelselmatig weigert om inhoudelijk te reageren
op gerechtvaardigde en juridisch onderbouwde informatieverzoeken van klager. Verweerster
handelt in strijd met haar informatieplicht, de beginselen van behoorlijke boedelafwikkeling
en de kernwaarden en gedragsregels voor advocaten. Ook frustreert en vertraagt verweerster
hiermee de afwikkeling van de nalatenschap onnodig, hetgeen direct schadelijk is voor
de belangen van klager en de andere erfgenamen.
3.2 Verweerster heeft hiertegen aangevoerd dat haar een ruime mate van vrijheid
toekomt om de belangen van haar cliënte te behartigen op de wijze die zij in overleg
met haar cliënte passend acht. Zij staat haar cliënte niet bij in de kwestie met betrekking
tot de afwikkeling van de nalatenschap van wijlen de heer Q. De door klager genoemde
onderwerpen - zoals de verklaring van erfrecht, de rechtsgeldigheid en reikwijdte
van de volmacht uit 2006, en de rekening en verantwoording van het beheer - vallen
dan ook buiten haar opdracht en behoren niet tot haar taak als advocaat in deze zaak.
Om die reden was verweerster van mening dat zij niet gehouden was aan klager de gevraagde
informatie te verstrekken. Het niet (inhoudelijk) reageren op de verzoeken van klager,
vloeit niet voort uit onzorgvuldig of onprofessioneel handelen, maar uit het feit
dat deze verzoeken betrekking hebben op de erfrechtelijke afwikkeling, waarbij verweerster
niet betrokken is dan wel dat zij in overleg met haar cliënte niet tot een reactie
kon overgaan. Verweerster heeft verder opgemerkt dat klager zich (telefonisch) heeft
voorgedaan als een van zijn broers teneinde het cliëntendossier op haar kantoor op
te vragen, maar dat dit niet was gelukt.
3.3 Klager heeft hierop een aanvullend klachtonderdeel geformuleerd. Het is volgens
klager feitelijk onjuist dat hij zich heeft voorgedaan als één van zijn broers teneinde
het cliëntendossier op het kantoor van verweerster op te vragen. Klager heeft zich
nooit voorgedaan als één van zijn broers, noch heeft hij op die wijze enig verzoek
bij het kantoor van verweerster ingediend. Dit betreft een onrechtmatige en beschadigende
beschuldiging, aldus klager.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling klacht
5.2 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
gehandeld door pas in juni 2025 te reageren op de vele informatieverzoeken die klager
al sinds februari had gedaan. Dat de onderwerpen waarover klager haar aanschreef buiten
haar opdracht vielen en haar cliënte had aangegeven dat zij hier niet (inhoudelijk)
op mocht reageren, ontslaat verweerster er niet van om klager ten minste kort te informeren
dat zij hem niet van dienst kon zijn. Door maandenlang niet te reageren op de vele
e-mails van klager heeft verweerster niet gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat
betaamt. De raad acht het dan ook aannemelijk dat verweerster, zoals klager heeft
gesteld, de afwikkeling van de nalatenschap onnodig heeft gefrustreerd en vertraagd
door niet direct duidelijk te maken dat klager met zijn vragen bij haar aan het verkeerde
adres was.
5.3 Verder biedt het klachtdossier geen feitelijke grondslag voor verweersters
stelling dat klager zich als een van zijn broers had voorgedaan om zo het cliëntendossier
te verkrijgen. Ook op de zitting heeft verweerster haar stelling niet voldoende kunnen
onderbouwen, terwijl klager betwist dat hij zo heeft gehandeld. Verweerster had deze
beschuldiging niet zonder voldoende feitelijke onderbouwing mogen uiten. Ook dit handelen
acht de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar. De klacht van klager is dan ook gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster zich niet gedragen zoals het
een behoorlijk advocaat betaamt door maandenlang de vele e-mails van klager te negeren.
Ook als de advocaat van de wederpartij mocht van verweerster verwacht worden dat zij
ten minste kort reageerde met de mededeling dat zij klager niet kon helpen. Daarnaast
acht de raad het ongepast om beschuldigingen te uiten zonder enige feitelijke onderbouwing.
De raad acht een waarschuwing in deze omstandigheden passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan
haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster
door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline” en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. D.V.A. Brouwer en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026