ECLI:NL:TADRAMS:2026:133 Raad van Discipline Amsterdam 26-055/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:133 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-055/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening, voor zover tijdig, gegrond. Het behoort tot de taak van een advocaat zijn de cliënt bij aanvang van een zaak een gedegen voorlichting te geven over de aanpak van de zaak en de kansen en de risico’s die spelen. De advocaat moet zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van een gekozen aanpak voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen (gedragsregel 16 lid 1). Verweerder is op deze punten richting klager tekortgeschoten. Waarschuwing met kostenveroordeling. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 22 juni 2026
in de zaak 26-055/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 21 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2484121/EvR/AP
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij
waren klager (door middel van een beeldverbinding) en verweerder aanwezig. Van de
behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de door klager op 9 maart 2026 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft verweerder in december 2018 benaderd met het verzoek of er een
link naar een lijst waarop zijn naam voorkwam uit Google over hem verwijderd kon worden.
Klager heeft verweerder de desbetreffende URL toegezonden.
2.3 Verweerder heeft vervolgens een conceptbrief opgesteld en aan klager voorgelegd.
Klager heeft hierop bij e-mail van 1 februari 2019 als volgt gereageerd:
“Goedemorgen [verweerder]
Allereerst bedankt ik vind het keurig verwoord.
Zou u misschien een kopie ook naar de ambassade van panama in den haag willen sturen
na dat dit vertaald is? Zij precies over deze zaak weten en met hun al een jaar communicatie
is geweest over dit onderwerp. Ik neem aan dat zij dit bij de juiste instelling zullen
deponeren omdat ze toen mijn vriendin wel geantwoord hadden en na vraag voor haar
hebben gedaan.
Bij voorbaat dank.”
2.4 De brief is vervolgens vertaald en in maart 2019 aan de bronpagina waar de
link opstond verstuurd maar daarop is geen reactie gekomen. Verweerder heeft daarna
een conceptverzoekschrift opgesteld en op 11 juni 2019 met klager gedeeld. Klager
had geen opmerkingen bij het concept en het verzoekschrift is vervolgens vertaald
en bij Google ingediend. Verweerder heeft daarna geen verdere actie meer ondernomen.
2.5 Ongeveer vier jaar later, op 22 april 2023, heeft klager via WhatsApp contact
opgenomen met verweerder en hem gevraagd of hij in aanmerking kwam voor een schadevergoeding.
Klager had namelijk een artikel gelezen in de Telegraaf waarin iemand stelde (onterecht)
op een terroristenlijst te staan en om die reden een schadevergoeding had geclaimd
en ontvangen. Klager vermoedde dat zijn naam nog op een terroristenlijst in de Verenigde
Staten stond en wilde ook een schadevergoeding.
2.6 Op 8 mei 2023 heeft verweerder eveneens per WhatsAppbericht aan klager geantwoord
als volgt:
“Goedemorgen. ik heb het dossier afgelopen week doorgenomen en zal deze week een
brief opstellen waarin we uitvragen hoe ze aan de informatie komen dat jij als "terrorist"
bekend staat. zodra we bewijs hebben dat dat vanuit amerika komt kunnen we de aansprakelijkheidsstelling
verzenden. tegelijkertijd zal ik ook contact opnemen met het consulaat”
2.7 Hierna is er tot 11 oktober 2023 geen contact geweest tussen klager en verweerder.
Op 11 oktober 2023 heeft klager vervolgens verweerder via WhatsApp gevraagd of er
inmiddels iets was gedaan in zijn zaak.
2.8 Klager heeft op 1 april 2025 bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
Op advies van de deken heeft klager daarna een klacht ingediend bij het kantoor van
verweerder. Na het doorlopen van de klachtprocedure bij het kantoor, zou (via een
videocall) een overleg plaatsvinden met verweerder, maar dit is nooit gebeurd. Op
17 juni 2025 heeft klager de deken laten weten dat hij zijn klachtprocedure wenste
voort te zetten.
2.9 Op 7 juli 2025 heeft een telefoongesprek tussen klager en verweerder plaatsgevonden.
Daarbij is getracht een oplossing te vinden voor het geschil. In dit gesprek heeft
verweerder erkend dat hij in 2023 niet correct heeft gehandeld. Verweerder heeft klager
aangeboden om de eigen bijdrage terug te storten, maar dat heeft klager geweigerd.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Klager verwijt verweerder dat hij niet (tijdig) reageerde op (WhatsApp)berichten
en gebrekkig communiceerde. Ter toelichting heeft klager gesteld dat verweerder hem
in 2018 heeft bijgestaan in verband met het verwijderen van een link waarin de overheid
van Panama klager er onterecht van beschuldigde een terrorist te zijn. In april 2023
heeft klager opnieuw contact opgenomen met verweerder, die hem had hem laten weten
de zaak weer op te pakken. In een Whatsappbericht van 8 mei 2023 had verweerder toegezegd
dat hij een brief zou opstellen en contact zou opnemen met het consulaat. In oktober
2023 heeft klager gevraagd naar de stand van zaken, omdat hij sinds mei 2023 niets
meer van verweerder had vernomen. Nadat klager een klacht bij verweerders kantoor
had ingediend en de interne klachtenprocedure van het kantoor had doorlopen, zou verweerder
via een videocall contact opnemen met klager. Dit is echter ook niet gebeurd.
b) Klager verwijt verweerder dat hij afspraken niet is nagekomen en dat hij misleidende
informatie heeft verstrekt. Ter toelichting heeft klager gesteld dat verweerder hem
in 2023 niet (juist) heeft geïnformeerd over de strategie en voortgang in de achterliggende
kwestie. Verweerder heeft klager niet op de hoogte gehouden van de stand van zaken
en de voortgang. Daarbij heeft verweerder ook geen procedure gestart, terwijl dit
volgens klager wel was afgesproken. De feiten die verweerder verder heeft geschetst
komen niet overeen met de werkelijkheid. De bewuste link was eind 2019 niet uit Google
verwijderd, deze is tot op heden nog zichtbaar. Verweerder heeft in 2019 verzuimd
het verzoekschrift in te dienen. Ook klopt het niet dat klager tussen 2019 en 2023
vier jaar lang geen contact met verweerder zou hebben gezocht en evenmin klopt het
dat het telefoontje van klager uit 2023 betrekking had op een nieuwe schadevergoedingszaak.
Immers, het betrof de voortgang van de oorspronkelijke zaak uit 2018/2019.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft aangevoerd dat hij naar aanleiding van het initiële verzoek
van klager adequaat heeft gehandeld. Verweerder heeft in februari 2019 eerst een conceptbrief
aan Google opgesteld, die met klager is gedeeld. De brief is vervolgens verzonden
aan Google. Toen Google niet reageerde op de brief, heeft verweerder namens klager
een verzoekschrift opgesteld. Het verzoekschrift is op 11 juni 2019 in concept met
klager gedeeld. Toen klager geen commentaar op het conceptverzoekschrift had, heeft
verweerder dit verzoekschrift aan de webhost gestuurd. Kort daarna is de link van
internet verwijderd en dit heeft verweerder aan klager laten weten.
4.2 Verweerder heeft vervolgens vier jaar lang niets van klager vernomen totdat
klager in 2023 opnieuw contact opnam met verweerder met de vraag of hij een schadevergoeding
kon krijgen. Klager had in de krant gelezen dat dit mogelijk was. Daarop heeft verweerder
geantwoord dat hij het dossier niet meer helder voor de geest had en om meer informatie
verzocht. Indien deze informatie ertoe zou leiden dat er een mogelijkheid was om schadevergoeding
te vorderen, dan zou hij een brief verzenden. Verweerders conclusie was echter dat
dit niet mogelijk bleek. Verweerder erkent dat hij dit beter had moeten communiceren
met klager en zijn inschatting schriftelijk aan klager had moeten bevestigen. Verweerder
betreurt dat hij dit niet heeft gedaan en rekent dat zichzelf aan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht.
5.2 Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter
is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de
in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake
is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3 In de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd,
waaruit volgt dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke
informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand daarover moet de advocaat
belangrijke informatie en afspraken schriftelijk vastleggen. Indien de advocaat dit
niet doet, komt het bewijsrisico daarvan op de advocaat te rusten.
Ontvankelijkheid klacht
5.4 De raad zal eerst te boordelen of de klacht van klager (volledig) ontvankelijk
is. Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager
op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd
(artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit
objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat
klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit
is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar
niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten
waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat
klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De
achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van
dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.5 De raad overweegt dat de klacht, voor zover deze betrekking heeft op gedragingen
van verweerder in 2018/2019 buiten de driejaarstermijn - namelijk pas op 1 april 2025
- is ingediend en daarom te laat is. De uitzondering van artikel 46g lid 2 van de
Advocatenwet is niet van toepassing. Verder is de raad niet gebleken van feiten of
omstandigheden die termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Dit betekent dat zowel
klachtonderdeel a) als klachtonderdeel b) niet-ontvankelijk worden verklaard, voor
zover deze gaan over gedragingen van verweerder van voor 1 april 2022. Aan een inhoudelijke
beoordeling komt de raad in zoverre niet toe.
Klachtonderdelen a) en b) - voor zover tijdig
5.6 De raad ziet aanleiding voor een gezamenlijke behandeling van de klachtonderdelen,
voor zover deze wel tijdig zijn ingediend en overweegt het volgende. Het behoort tot
de taak van een advocaat zijn de cliënt bij aanvang van een zaak een gedegen voorlichting
te geven over de aanpak van de zaak en de kansen en de risico’s die spelen. De advocaat
moet zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen
van een gekozen aanpak voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie
en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen (gedragsregel 16 lid 1).
5.7 De raad stelt vast dat verweerder op deze punten richting klager tekortgeschoten is. Uit de stukken blijkt dat klager verweerder in 2023 opnieuw heeft benaderd met de vraag of hij een schadevergoeding kon krijgen, omdat hij vermoedde dat hij op een terroristenlijst in Amerika stond. De vraag of dit een voortzetting was van de zaak van 2018 of een nieuwe zaak betrof, is naar het oordeel van de raad verder niet relevant. Verweerder heeft naar aanleiding van klagers verzoek in zijn Whatsappbericht van 8 mei 2023 laten weten dat hij het dossier had doorgenomen, die week nog een brief zou opstellen en dat hij zodra er bewijs was uit Amerika een aansprakelijkheidsstelling zou verzenden en bovendien tegelijkertijd contact zou opnemen met het consulaat. Over een inschatting van de kansen en risico’s van klagers zaak wordt niets gezegd. Verweerder heeft weliswaar betoogd dat hij klager telefonisch zou hebben geïnformeerd dat er wel bewijs nodig was dat klager op een dergelijke lijst stond, maar van een dergelijk gesprek is niets op schrift gesteld. Daardoor kan de raad niet vaststellen of dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden en wat verweerder daarin precies heeft geadviseerd. Klager verkeerde in ieder geval in de veronderstelling dat verweerder uitvoering zou geven aan verweerders voorstellen in zijn bericht van 8 mei 2023. Hieruit volgt dat verweerder hierover onvoldoende duidelijk heeft gecommuniceerd met klager. Verweerder heeft klager na 8 mei 2023 niet meer gesproken en geen handelingen meer verricht in klagers zaak en hierover niets aan klager teruggekoppeld. Daarmee heeft verweerder klager in het ongewisse gelaten over zijn zaak en zijn zorgplicht jegens klager veronachtzaamd. Deze handelwijze is in strijd met hetgeen van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. De klachtonderdelen zijn gelet hierop, voor zover tijdig ingediend, gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Met het voorgaande is komen vast te staan dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld jegens klager. Dit rechtvaardigt de oplegging van een
maatregel. De raad houdt er rekening mee dat verweerder geen tuchtrechtelijk verleden
heeft en ter zitting blijkgegeven heeft van reflectie op zijn handelen. De raad acht
de maatregel van een waarschuwing in dit geval passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen a) en b) niet-ontvankelijk voor zover ingediend
buiten de driejaarstermijn;
- verklaart de klachtonderdelen a) en b) overigens gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.3.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. D.V.A. Brouwer en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026