We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:132 Raad van Discipline Amsterdam 26-092/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:132
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 30-06-2026
Zaaknummer(s): 26-092/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; ongegronde klacht van een advocaat over een advocaat. Geen sprake van grievende uitlatingen of het verkondigen van bewust onjuiste informatie.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 22 juni 2026
in de zaak 26-092/A/A 
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 31 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 4 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2509614/EvR/JN van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.  

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager en zijn partner zijn sinds juni 2025 de nieuwe eigenaren van een appartement (het appartement). Dit appartement maakt onderdeel uit van een appartementencomplex met nog een appartement en een bedrijfsruimte in het souterrain. Verweerder is de advocaat van de eigenaar van het andere appartement.  
2.3    Klager en zijn partner willen een dakterras realiseren en hierover is een geschil ontstaan met de eigenaar van het andere appartement. 
2.4    De rechtsvoorganger van klager (mevrouw W) heeft in het verleden in strijd met het splitsingsreglement zonder toestemming van de andere eigenaren een dakterras gerealiseerd op een deel van het dak van de parkeergarage bij het appartementencomplex. Dit dakterras is jarenlang gedoogd. In de jaren daarna is de rechtsvoorganger van klager steeds met plannen gekomen om de bestaande situatie te legaliseren. 
2.5    Verweerder heeft destijds namens zijn cliënt op enig moment aan de VvE en de rechtsvoorganger van klager kenbaar gemaakt dat voor een dergelijk gebruik van het dak van de parkeergarage een splitsingswijziging vereist is en dat zijn cliënt daaraan niet zou meewerken. 
2.6    Eind 2024 is het appartement via de website Funda.nl te koop gezet waarbij de schijn is gewekt dat bij appartement een dakterras hoorde. Verweerder heeft toen namens zijn cliënt per brief zowel de VvE als de rechtsvoorganger van klager en haar makelaar op de hoogte gesteld van de bezwaren tegen de inhoud van de advertentie op Funda.nl. 
2.7    Op 13 juli 2025 hebben klager en zijn partner een e-mail aan verweerder gestuurd met het verzoek om in overleg te treden om te bezien of - en zo ja onder welke voorwaarden - cliënt van verweerder zich kon vinden in hun voorstel om een (legaal) dakterras te realiseren.  
2.8    Verweerder heeft hier namens zijn cliënt in e-mails van 28 juli 2025 en 31 juli 2025 afwijzend op gereageerd. Bij e-mail van 28 juli 2025 schrijft verweerder voor zover relevant: 
“Ik begin met een voor u onprettige mededeling: u begint aan een mission impossible.
(…)
U bent van de bezwaren van cliënt tegen de gang van zaken op de hoogte gesteld voordat u het appartement kocht, dus u wist waar u aan begon. Daarover kan geen misverstand bestaan.
(…)
Met andere woorden: u kunt als lid niet eens voorstellen aan de VvE om een deel van het dak van de parkeergarage mede te bestemmen als dakterras, want u gaat daar in het geheel niet over. Met de opmerking in uw brief dat u voornemens bent het dakterras alsnog te realiseren, slaat u daarom de plank volledig mis.
Wat u doet komt er in wezen om neer dat u aan een denkbeeldige wat oudere buurman voorstelt om een deel van zijn tuin in gebruik te nemen en in ruil daarvoor het onderhoud van dat deel voor uw rekening te nemen. Natuurlijk kan deze buurman denken: wat grappig, zo’n brutaal voorstel, ik doe het gewoon. Maar hij kan ook zeggen: beste buurman, ik vind u misschien best aardig, maar het is mijn tuin en daar heeft u niets te zoeken. Dat laatste standpunt vertegenwoordig ik in de onderhavige kwestie namens mijn cliënt.”
2.9    Bij e-mail van eveneens 28 juli 2025 heeft klager hierop als volgt gereageerd, voor zover relevant: 
2.10    “Kennelijk zit deze kwestie u erg hoog, want wat een intens onaardig – en onnodig grievend – bericht van uw zijde. Daar schrok ik eerlijk gezegd van. Communiceert u altijd zo fel namens uw cliënten? Wij stuurden uw cliënt (al zeg ik het zelf) een vriendelijke e-mail waarin wij hoopten op een dialoog. Dat u het daar niet mee eens bent, is uiteraard uw goed recht, maar zo’n reactie was toch helemaal niet nodig?
Kunnen we wellicht opnieuw beginnen en dit telefonisch bespreken, of is het hiermee definitief klaar? Het lijkt me toch goed om elkaar te vriend te houden, aangezien via mijn woning het gemakkelijkst het dak van de garage kan worden betreden voor onderhoud. (…). Hopelijk kunnen we toch nog nader tot elkaar komen.”
2.11    Bij e-mail van 29 juli 2025 heeft verweerder namens zijn cliënt gereageerd, voor zover relevant: 
“Cliënt heeft niets tegen u persoonlijk, maar wel tegen een voortzetting van de campagne die mevrouw W (…) [de rechtsvoorganger van klager] tot vervelens toe heeft gevoerd om voor zichzelf een dakterras te realiseren. Wat dat betreft is het misschien zo dat u de onaangename vruchten plukt die het gevolg zijn van de niet aflatende pogingen van mevrouw W(…) om de situatie in haar voordeel te veranderen.
(…) Met andere woorden: u kunt als lid niet eens voorstellen aan de VvE om een deel van het dak van de parkeergarage mede te bestemmen als dakterras, want u gaat daar in het geheel niet over.
(…) Artikel 20 van de gewijzigde splitsingsakte d.d. 26 oktober 2009 maakt voor eens en voor altijd duidelijk dat de appartementseigenaars van de appartementen met indices 2 en 3 niet het gebruik toekomt van het dak van het parkeergarage. Een dergelijke bepaling is niet te omzeilen, als de VvE dat al zou moeten willen. Daarvoor is zonder meer een splitsingswijziging nodig, waartoe gezien de goederenrechtelijke verschuiving die dit zou meebrengen, slechts unaniem zou kunnen worden besloten.
(…) Cliënt begrijpt uw wens en streven, maar zal hier om hem moverende redenen niet aan meewerken. Hij heeft er alles aan gedaan om te voorkomen dat bij potentiële kopers de indruk zou worden gewekt dat het met toestemming van de VvE realiseren (of handhaven) van een dakterras op de parkeergarage tot de mogelijkheden behoort. Hij vreest voor een herhaling van zetten en heeft dit daarom meteen duidelijk proberen te maken. U hebt de brief die ik daarover laatstelijk aan de makelaar van mevrouw W(…) heb verzonden, in handen. Daarom is het toch wel verbazingwekkend, dat u het toch weer probeert. En dat daarop dan een misschien wat felle reactie komt, is dan weer niet zo verbazingwekkend.
Cliënt verzoekt u bij dezen om uw pogingen om hem toch van het tegendeel te overtuigen, voorgoed te staken.
Mocht voor toekomstig onderhoud aan of herstel van het dak uw medewerking noodzakelijk zijn, dan valt deze ook langs andere wijze af te dwingen (art. 5:56 BW). Maar dat lijkt mij geen kwestie van cliënt, maar van de VvE.”
2.12    Klager heeft hierop bij e-mail van 31 juli 2025 geantwoord, voor zover relevant: 
“Zou u zo vriendelijke willen zijn om concreet aan te geven welke bezwaren er bestaan? Als uw cliënt er eenvoudigweg geen zin in heeft, is dat natuurlijk ook een antwoord.
Ik benadruk dat ik er helemaal geen belang bij heb om problemen te maken, maar enkel om in goed overleg tot een oplossing te komen die voor alle partijen werkbaar is.
Ten slotte viel mij op dat u afsluit met de opmerking dat mijn medewerking voor de belangen van uw cliënt zo nodig ‘langs andere wijze kan worden afgedwongen’. Die toevoeging acht ik wederom onnodig vijandig en weinig constructief - zeker nu ik nergens heb laten blijken niet bereid te zijn tot redelijke medewerking (integendeel, ik heb juist benadrukt dat het goed is om elkaar te vriend te houden).”
2.13    De reactie van verweerder hierop bij e-mail van 31 juli 2025 luidt: 
“Nu moet u toch echt ophouden.
U wilt iets dat niet van u is. Mijn cliënt is u totaal niets verplicht, laat staan dat hij u de redenen zou moeten noemen waarom hij niet wil dat er aan u iets gegund zou worden waarop u geen recht hebt.
Ik verbaas mij over uw vasthoudendheid, die ik overigens vanuit het door u gecreëerde eigenbelang wel begrijp. Deze discussie leidt echter tot niets.”
2.14    Op 31 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder heeft zich onnodig grievend en vijandig uitgelaten richting klager en dat heeft geleid tot een onaangename en intimiderende situatie; 
b)    verweerder heeft in zijn brief van 28 juli 2025 feitelijke onjuistheden opgenomen die hij kende of redelijkerwijze moest kennen en daarmee bij klager een misleidende voorstelling van zaken gewekt. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Maatstaf 
5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2    Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3    In gedragsregel 7 is bepaald dat een advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten. Advocaten dienen zich in het algemeen te uiten in zakelijke bewoordingen en met enige distantie tot het geschil tussen de cliënt en de wederpartij; de woordkeuze moet passen in de context van het debat. Dit neemt echter niet weg dat een advocaat in zijn woordkeuze de eigen emoties of die van de cliënt tot uitdrukking mag brengen


Klachtonderdeel a)
5.4    Klager stelt dat hij verweerder op een beleefde en constructieve wijze om een toelichting heeft gevraagd op de bezwaren van zijn cliënt tegen het realiseren van het dakterras. In plaats van inhoudelijk te reageren, ontving klager tussen 28 en 31 juli 2025 drie e-mails van verweerder met onnodig grievende en intimiderende reacties. Klager benoemt ter illustratie de volgende passages: 
“U begint aan een mission impossible” (28 juli 2025)
“U slaat de plank volledig mis.” (28 juli 2025)
“…zo’n brutaal voorstel…” (28 juli 2025)
“Nu moet u toch echt ophouden.” (31 juli 2025)
“U wilt iets dat niet van u is.” (31 juli 2025)
“Mijn cliënt is u totaal niets verplicht.” (31 juli 2025)
5.5    Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerder beoogde met zijn woordkeuze een zinloze, voortslepende correspondentie en daarmee gepaard gaande kosten voor zijn cliënt te voorkomen. De gebruikte formuleringen zijn naar het oordeel van de raad niet onnodig grievend of intimiderend, maar vormen een duidelijke en gerechtvaardigde weergave van het standpunt van zijn cliënt. Verweerder heeft de grenzen van het betamelijke met de gekozen bewoordingen niet overschreden; klachtonderdeel a) is derhalve ongegrond.   
Klachtonderdeel b) 
5.6    Klager stelt dat verweerder in zijn brief van 28 juli 2025 feitelijk onjuiste standpunten heeft ingenomen met als doel hem op het verkeerde been te zetten. Zo is het standpunt dat klager als VvE-lid geen stem- en agenderingsrecht toekomt om in de VvE een voorstel te doen voor een eventueel dakterras, onjuist. Ook is feitelijk onjuist het standpunt dat voor gebruik van een deel van het dak van de parkeergarage een splitsingswijziging nodig is, waarvoor unanimiteit vereist is. Klager wijst op de krachttermen die verweerder verbindt aan zijn standpunten en stelt dat verweerder het doet voorkomen alsof er geen enkele juridische mogelijkheid bestaat tot het realiseren van een dakterras, hetgeen niet zo is. 
5.7    Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerder heeft het (juridische) standpunt van zijn cliënt verwoord. Dat stond hem vrij en was bovendien als partijdig belangenbehartiger zijn taak. De vraag of dit standpunt juridisch houdbaar is, valt buiten het bestek van dit tuchtrechtelijk geschil. Dat verweerder een misleidende voorstelling van zaken gewekt heeft de raad niet kunnen vaststellen. Van verwijtbaar handelen is geen sprake en daarmee is klachtonderdeel b) eveneens ongegrond. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht ongegrond. 


Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. D.V.A. Brouwer en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.


Griffier    Voorzitter


Verzonden op: 22 juni 2026