We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:130 Raad van Discipline Amsterdam 25-735/A/NH/D 25-738/A/NH/D 25-739/A/NH/D

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:130
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 30-06-2026
Zaaknummer(s):
  • 25-735/A/NH/D
  • 25-738/A/NH/D
  • 25-739/A/NH/D
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
  • Maatregelen, subonderwerp: Schorsing
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Dekenbezwaar. Niet toegestaan samenwerkingsverband. Verweerders hebben ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door een niet toegestaan samenwerkingsverband aan te gaan met E B.V., een bedrijf dat een platform biedt voor allerlei diensten, waaronder juridische diensten die raken aan de diensten die verweerders als advocaten ook aanbieden. Niet alleen hebben verweerders hiermee de regels van de Voda geschonden, maar hebben zij ook in strijd gehandeld met de voor de advocatuur belangrijke kernwaarde onafhankelijkheid. Verweerders 1 en 2 hebben daarnaast ook nog gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit. De aard en ernst hiervan rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Bij de oplegging van een maatregel ziet de raad aanleiding om aan verweerder 1 een zwaardere maatregel op te leggen dan aan verweerders 2 en 3, omdat verweerder 1 met zijn ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Voorwaardelijke schorsing voor verweerder 1, berisping voor verweerder 2 en waarschuwing voor verweerder 3.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 22 juni 2026
in de zaken 25-735/A/NH/D, 25-738/A/NH/D en 25-739/A/NH/D
naar aanleiding van het bezwaar van:
 
deken

tegen

1. verweerder 1
2. verweerder 2
3. verweerder 3
hierna ook samen te noemen: verweerders
gemachtigde van verweerders: mr. B.D.W. Martens, advocaat te Den Haag.  

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 9 oktober 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline op gezamenlijk verzoek van de dekens van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland en het arrondissement Den Haag de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) aangewezen om ook het dekenbezwaar tegen verweerder 3 te behandelen.
1.2    Op 23 oktober 2025 heeft de deken bij de raad zijn bezwaar tegen verweerders ingediend. Ten aanzien van verweerder 3 heeft de deken zijn bezwaar ingediend namens de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag. De raad heeft het bezwaar op dezelfde datum digitaal ontvangen. 
1.3    De raad heeft het bezwaar tegen verweerders behandeld op de zitting van 23 maart 2026.  Daarbij waren de deken, vergezeld door de adjunct-secretaris van het Ordebureau Noord-Holland, verweerders en de gemachtigde van verweerders aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde bezwaar, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 en van de verwijzingsbeslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline van 9 oktober 2025. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails met bijlagen van de gemachtigde van verweerders van  
21 november 2025 en 6 maart 2026.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van het bezwaar gaat de raad, gelet op het dossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Op 20 maart 2025 heeft de deken een klacht ontvangen over verweerder 1. Deze klacht is ingediend namens een voormalige cliënte van verweerder 1, bedrijf S. In 2021 heeft bedrijf S. verweerder 1 om advies gevraagd vanwege liquiditeitsproblemen als gevolg van de COVID-pandemie. 
2.3    Verweerder 1 heeft bedrijf S. verwezen naar twee vennootschappen, E B.V. en BC B.V. 
2.4    E. B.V. is in mei 2021 opgericht door vier aandeelhouders, onder wie verweerder 1. In de akte van oprichting is vermeld dat de vennootschap tot doel heeft om insolvente bedrijven te begeleiden en bedrijfskundig, juridisch en financieel advies te verlenen. Verweerder 1 en verweerder 2 houden samen 20% van de aandelen van E B.V. via hun gezamenlijke vennootschappen. Verweerder 3 houdt 20% van de aandelen van E B.V. via zijn vennootschap.
2.5    De kantoren van verweerders zijn op grond van een in mei 2021 tot stand gekomen aansluitingsovereenkomst als partner aangesloten bij E B.V. In de op deze overeenkomst van toepassing zijnde aansluitingsvoorwaarden is vermeld:
‘1.1 De voornaamste uitgangspunten van de samenwerking tussen [E B.V.] en haar Partners zijn
ieders zelfstandigheid, onafhankelijkheid, vakmanschap en discretie.
(…)
2.1 Partijen ondersteunen elkaar zoveel als redelijkerwijs mogelijk en wenselijk bij het binnenhalen en uitvoeren van opdrachten (hierna: de "Opdracht") bij opdrachtgevers die in organisatorische en financiële problemen verkeren (hierna: de "Klant").
(…)
2.3 [E B.V.] vervult, behoudens andersluidende afspraken, een initiërende en coördinerende rol bij de werving en uitvoering van de Opdrachten en heeft een algemene regiefunctie ten behoeve van de Klant.
(…)
2.5 Bij de uitvoering van de werkzaamheden en samenwerking tussen Partijen zal te allen tijde voorop staan (en zal mitsdien als uitgangspunt gelden) dat Partijen zelfstandig optreden voor eigen rekening en risico en iedere Partij zijn eigen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot zijn of haar beroepsmatig handelen. Partijen zullen elkaars vrije en onafhankelijke beroepsuitoefening eerbiedigen en zich onthouden van al datgene wat een inbreuk kan opleveren op de voor hen geldende beroeps- en gedragsregels. Dat geldt in ieder geval voor de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de bij de Partners werkzame beroepsbeoefenaren en de daaruit voortvloeiende organisatorische en/of administratieve inrichting van hun onderneming(en).’

2.6    Daarnaast houden verweerder 1 en verweerder 2 samen 20% van de aandelen van BC B.V. via een van hun gezamenlijke vennootschappen. Verweerder 3 houdt 20% van de aandelen van BC B.V. via zijn vennootschap.
2.7    Op de website van E B.V., inmiddels offline, stonden de namen van de kantoren van verweerders expliciet vermeld als partners van E B.V. Ook stond verweerder 2 met foto en naam op de website van E B.V. vermeld onder het kopje ‘Bekijk ons hele team hieronder’.
2.8    Bedrijf S. was een vaste cliënt van verweerder 1 en verzocht zijn advies in verband met liquiditeitsproblemen als gevolg van de Covid-pandemie. Verweerder 1 heeft bedrijf S naar E B.V. doorverwezen. Op 8 december 2021 heeft bedrijf S. met E B.V. een overeenkomst van opdracht gesloten. 
2.9    Op 7 maart 2022 heeft bedrijf S. met BC B.V. een participatieovereenkomst gesloten. Onderdeel van deze overeenkomst is dat bedrijf S. 20% van haar aandelen verkoopt aan BC B.V. voor een bedrag van € 1. Na de beëindiging van de samenwerking tussen bedrijf S. en E B.V. heeft bedrijf S. geweigerd de aandelen te leveren. BC B.V. is een procedure tegen bedrijf S. gestart voor de levering van de aandelen.
2.10    Op 28 juni 2022 heeft verweerder 1 een e-mail gestuurd aan onder meer bedrijf S. met als onderwerp ‘Sv’. In deze e-mail heeft verweerder 1 een aantal punten voor een bespreking opgenomen over de overname door bedrijf S. van de activiteiten/activa of aandelen van Sv:
‘Bespreking Teams inzk dossier [Sv]
(…)
Onderwerpen:
• Bespreking structuur verkoper. Daarin hebben we geen adviserende rol maar kunnen we wel vaststellen waar de mogelijke knelpunten aan de zijde van verkoper bestaan. Een en ander kan ook gevolgen hebben voor de structuur van de deal;
• Gewenste structuur koper; om de koopprijs te kunnen financieren (door [BC B.V.]) is het noodzakelijk dat alle schepen (registergoederen) in een aparte BV worden geplaatst. Daarmee heeft [BC B.V.] de zekerheid voor de lening welke zij verstrekt
• Overname activa of aandelen – wat heeft de voorkeur (…)’

2.11    Op 2 januari 2023 heeft verweerder 1 bedrijf S. voorgesteld om te bemiddelen in het geschil dat met BC B.V. is ontstaan over de koop van de aandelen:
‘(…)
Ter info – ik heb vanmorgen uitgebreid gesproken met […] en ik ga […] benaderen om te zien hoe hard ze erin staan. Als ze echt stug erin staan dan wordt het wellicht een juridische strijd en daarin kan ik jou noch de andere kant bijstaan. Ik adviseer je wel dringend om het hier niet op aan te laten komen want de kosten zullen hoog zijn. Wellicht zijn beide partijen gebaat bij mijn objectieve juridische mening hierin en biedt dat wat houvast om eruit te komen. Moet daar wel even over nadenken of ik dat op papier wil zetten. Ik heb jou al mondeling laten weten hoe ik het in grote lijnen zie. Ik zal datzelfde doen richting [BC B.V.]. Volgens mij is het meest belangrijk dat partijen “redelijk” zijn naar elkaar en niet teveel gaan vasthouden aan de teksten in contracten. Als het die kant opgaat dan kan dit wel eens een vervelend dossier worden en daar is echt niemand bij gebaat.’
2.12    Op 24 juli 2024 heeft de rechtbank Amsterdam de vordering van BC B.V. tot levering van de aandelen afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft BC B.V. hoger beroep ingesteld. Tijdens het opstellen van een memorie van antwoord is de nieuwe advocaat van bedrijf S. erachter gekomen dat verweerder 1 medeaandeelhouder is van E B.V. en BC B.V., waarna de klacht over verweerder 1 bij de deken is ingediend. 
2.13    Op 7 april 2025 heeft verweerder 1 op de klacht gereageerd. In zijn reactie erkent verweerder 1 dat hij onvoldoende zorg heeft betracht ten aanzien van de kenbaarheid van de hoedanigheid waarin hij heeft opgetreden. Daarbij heeft verweerder 1 opgemerkt dat hij ervan uitging dat hij mondeling duidelijk heeft gemaakt dat hij een indirect belang houdt in E B.V. en BC B.V. Volgens verweerder 1 was het de bedoeling dat wanneer BC B.V. de procedure tegen bedrijf S. zou winnen en de aandelen geleverd zouden worden, de vennootschap van hem en verweerder 2 daar niet betrokken bij zou zijn, omdat hij als advocaat geen (indirecte) participatie mag houden in een cliënte.
2.14    In het kader van bemiddeling heeft de deken contact opgenomen met de advocaat van bedrijf S., mr. R., om een gesprek tussen bedrijf S. en verweerder 1 te plannen. Mr. R. heeft opgemerkt dat een bespreking alleen zin heeft als ook BC B.V. vertegenwoordigd zou zijn en bereid is om te praten over een intrekking van het hoger beroep tegen de uitspraak van 24 juli 2024.
2.15    Op 14 april 2025 heeft verweerder 1 de deken bericht dat BC B.V. bereid is om het hoger beroep in te trekken als bedrijf S. de tuchtklacht over hem laat vallen en de kwestie daarmee is opgelost. De deken heeft mr. R. op 15 april 2025 gevraagd een vaststellingsovereenkomst op te stellen.
2.16    Op 30 april 2025 en 25 juni 2025 hebben verweerders via hun bv’s als aandeelhouders van E B.V. hun aandelen in E B.V. om niet overgedragen aan E B.V.
2.17    De deken heeft verweerder 1 laten weten dat hij nader onderzoek zal instellen naar de gang van zaken.
2.18    Op 19 december 2025 is tussen onder meer bedrijf S., BC B.V. en E B.V. een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan bedrijf S. het verzoek tot dekenbemiddeling zal intrekken en de klacht over verweerder 1 niet zal laten doorsturen aan de raad van discipline, en BC B.V. het hoger beroep tegen het vonnis van 24 juli 2024 zal intrekken. 
2.19    Op 10 februari 2026 heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep van BC B.V. van de rol verwijderd.

3    BEZWAAR
3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. 
De deken verwijt verweerders het volgende: 
a)    verweerders hebben gehandeld in strijd met artikel 5.4 van de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda) en met de kernwaarde onafhankelijkheid als bedoeld in artikel 10 a lid 1 onder a Advocatenwet door een samenwerkingsverband aan te gaan met E B.V. waar verweerders (indirect) aandeelhouders van zijn; 
b)    verweerders hebben gehandeld in strijd met gedragsregel 9 en artikel 7.4 van de Voda door niet op de website van E B.V. te vermelden dat zij indirect medeaandeelhouders zijn van  
E B.V., terwijl de activiteiten van E B.V. (adviseren van insolvente bedrijven) ook worden verricht door de kantoren van verweerders;
c)    verweerders hebben gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit ter zake van de aankoop van aandelen in de cliënte van verweerder 1 door deze situatie te laten bestaan en te laten voortduren.

Daarnaast verwijt de deken verweerder 1 het volgende:
d)    verweerder 1 heeft in strijd gehandeld met artikel 7.4 lid 1 van de Voda, gedragsregels 1 en 9 en de kernwaarde integriteit als bedoeld in artikel 10a lid 1 onder d Advocatenwet door zijn cliënte bedrijf S. te verwijzen naar E B.V. zonder te melden dat hij een aandeelhouder van deze vennootschap is. Daarmee heeft verweerder 1 een misleidende althans onvolledige voorstelling van zaken gegeven over de wijze van praktijkuitoefening en over enige vorm van samenwerking;
e)    verweerder 1 heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit als bedoeld in artikel 10a lid 1 onder d Advocatenwet ter zake van zijn advies en voorgestelde bemiddeling tussen bedrijf S. en BC B.V. Verweerder had bedrijf S. direct moeten vertellen dat hij aandeelhouder was van E B.V. en BC B.V., maar in elk geval toen het geschil was ontstaan en hij bedrijf S. op 2 januari 2023 mailde. Door dit niet te doen en door voor te wenden alsof hij een objectieve mening kon geven, heeft verweerder 1 niet integer gehandeld;
f)    verweerder 1 heeft in strijd gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit als bedoeld in artikel 10a lid 1 onder a en d Advocatenwet ter zake van de aankoop van aandelen en de voorgestelde financiering van zijn cliënte. Verweerder 1 heeft namens zijn cliënte bedrijf S. onderhandeld dat BC B.V. financiering aan bedrijf S. zou verstrekken met als onderpand de schepen van bedrijf S. Daaruit blijkt dat het de intentie van verweerder 1 is geweest dat een vennootschap waar hij aandelen in houdt zijn cliënte zou gaan financieren. Daarmee heeft verweerder 1 zijn cliënte niet alleen 20% van haar aandelen laten verkopen aan een vennootschap waar hij medeaandeelhouder van was, maar ook dat hij via een vennootschap waarvan hij medeaandeelhouder was zijn cliënte wilde gaan financieren.
3.2    Ter zitting heeft de deken een onderdeel van het dekenbezwaar ingetrokken. De raad zal hierna op de resterende onderdelen van het bezwaar ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerders voeren verweer tegen het bezwaar. In dat verband hebben verweerders gezamenlijk het volgende aangevoerd:
a)    er is niet gehandeld in strijd met artikel 5.4 van de Voda of met de kernwaarde onafhankelijkheid, omdat geen sprake is van een samenwerking als bedoeld in artikel 5.3 van de Voda. E B.V. presenteert zich niet als advocatenkantoor, dus van verwarring of gevaar daarvoor is geen sprake. Verweerders zijn nooit bestuurders van E B.V. en BC B.V. geweest, zij waren minderheidsaandeelhouders. De onafhankelijkheid van verweerders ten opzichte van E B.V. was duidelijk geregeld in de bij de aansluitingsovereenkomst horende aansluitingsvoorwaarden;
b)    er is niet gehandeld in strijd met gedragsregel 9 of artikel 7.4 van de Voda. Verweerders traden niet op in een andere hoedanigheid zoals in gedragsregel 9 lid 2 wordt bedoeld. Zij zouden als advocaat optreden. Nergens in de toelichting op artikel 7.4 van de Voda staat dat een ‘partner werkzaam bij gerenommeerde professionele organisatie’ op een verwijzingswebsite moet aangeven dat hij (indirect) aandelen in die verwijzingswebsite heeft. Zoals verweerders het contract en de aansluitingsvoorwaarden hadden geregeld, was het niet nodig om op de website van E B.V. ook nog aan te geven dat zij aandeelhouder waren. Bepalend is of zij zeggenschap hadden en dat hadden zij niet;
c)    er is niet gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit ter zake van de aankoop van aandelen in de cliënte van verweerder 1 (bedrijf S.). Verweerders erkennen bekend te zijn geweest met de overeenkomst tussen bedrijf S. en BC B.V. en met de zaak die BC B.V. tegen bedrijf S. heeft ingesteld. Verweerders waren echter aandeelhouders van BC B.V., geen bestuurders. Verweerders 2 en 3 zijn niet actief betrokken geweest bij de kwestie bedrijf S. waarover de klacht over verweerder 1 is ingediend;
    Daarnaast heeft verweerder 1 nog het volgende aangevoerd:
d)    bedrijf S. wist al sinds 8 december 2021 dat verweerder 1 bij E B.V. betrokken was en dus een tegenstrijdig belang had. Verweerder vraagt zich af wat het dan nog uitmaakt of hij aandeelhouder van E B.V. was. Als bedrijf S. dat al dan niet wist dan is dat niet genoeg om strijd met de Voda en schending van fundamentele waarden van de advocatuur aan te nemen. Verweerder vindt dat hij daarover nog meer duidelijkheid had kunnen en moeten verschaffen, maar dat staat volgens hem los van de tuchtrechtelijke beoordeling;
e)    verweerder 1 merkt op dat hij correct heeft gehandeld toen het conflict tussen bedrijf S. en BC B.V. ontstond. Daarbij wijst verweerder 1 op zijn e-mail van 2 januari 2023 waarin hij zijn neutrale positie duidelijk heeft gemaakt en meedacht over een oplossing voor beide partijen met zijn aanbod om zijn ‘objectieve juridische mening’ op papier te zetten. Volgens verweerder 1 heeft het als een dilemma gevoeld, maar handelde hij gedragsrechtelijk correct toen hij zijn hulp aan beide partijen aanbood;
f)    volgens verweerder 1 is sprake van een misverstand. Verweerder 1 voert aan dat hij na de verwijzing naar E B.V. diverse andere zaken voor bedrijf S. is blijven doen omdat zijn kantoor huisadvocaat van bedrijf S. was en al diverse zaken van bedrijf S. had lopen. Na de verwijzing naar E B.V. heeft bedrijf S. op enig moment weer contact met verweerder 1 gezocht voor bijstand bij de overname van het bedrijf Sv. De e-mail van 28 juni 2022 heeft volgens verweerder 1 niets te maken met een overdracht van 20% van de aandelen van bedrijf S. aan BC B.V. Verweerder benadrukt dat hij nooit de intentie heeft gehad om een vennootschap waar hij aandelen in had een cliënte te laten financieren. De overname van Sv door bedrijf S. moest gefinancierd worden en de financiering kwam van BC B.V. die al een jaar bij bedrijf S. betrokken was. 
4.2    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetst aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels of de Voda, maar die kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.2    Voor de beoordeling van het dekenbezwaar zijn gedragsregels 1 en 9 en artikelen 5.3, 5.4 en 7.4 van de Voda van belang. 
- In gedragsregel 1 is bepaald dat de advocaat is gehouden tot een betamelijke beroepsuitoefening jegens zijn cliënt, de overige betrokkenen bij de rechtspleging en zijn beroepsgroep. 
- In gedragsregel 9 is bepaald dat de advocaat tegenover zijn cliënt en in zijn contacten met derden ervoor dient zorg te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt.
- In artikel 5.3 is bepaald dat van een samenwerkingsverband uitsluitend sprake is indien een advocaat met een andere natuurlijk persoon, een samenwerkingsverband of een rechtspersoon (a) voor gezamenlijke rekening en risico de praktijk uitoefent, of (b) de zeggenschap of eindverantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening deelt. In de toelichting op dit artikel is opgenomen dat van een samenwerkingsverband geen sprake is als de samenwerking uitsluitend gericht is op het (door)verwijzen van cliënten. 
- In artikel 5.4 van de Voda is onder meer bepaald dat een advocaat uitsluitend een samenwerkingsverband kan aangaan met andere advocaten, praktijkrechtspersonen en samenwerkingsverbanden. In de toelichting op dit artikel is opgenomen dat er met het oog op het beschermen van de onafhankelijkheid van de advocaat beperkingen zijn gesteld aan degenen met wie de advocaat een samenwerkingsverband mag aangaan.
- In artikel 7.4 lid 1 van de Voda is bepaald dat de advocaat in zijn optreden naar buiten vermijdt dat een onjuiste, misleidende of onvolledige voorstelling van zaken wordt gegeven over de wijze van praktijkuitoefening en over enige vorm van samenwerking. In de toelichting hierop is opgenomen dat een advocaat zich niet misleidend mag presenteren over de wijze van praktijkuitoefening. Het is de verantwoordelijkheid van de advocaat om een juiste voorstelling van zaken te geven. 
Onderdeel a) is gegrond
5.3    De raad is op grond van het dossier en de ter zitting gegeven toelichtingen van oordeel dat verweerders hebben gehandeld in strijd met artikel 5.4 van de Voda door een samenwerkingsverband aan te gaan met E B.V. waar zij via hun vennootschappen medeaandeelhouders van zijn. 
Activiteiten E B.V. 
5.4    Uit de akte van oprichting van 31 mei 2022 blijkt dat E B.V. naast het adviseren van insolvente bedrijven ook tot doel heeft om deze bedrijven van juridisch advies te voorzien. Dat blijkt ook uit de website van E B.V., inmiddels offline, waarop de kantoren van verweerders zijn vermeld als partners en waar verweerders worden gepresenteerd als onderdeel van ‘ons team’. Uit de aansluitingsvoorwaarden leidt de raad tot slot af dat de samenwerking tussen verweerders en E B.V. verder ging dan het enkel doorverwijzen van bedrijven naar E B.V. Weliswaar wordt in deze voorwaarden onafhankelijkheid als een van de uitgangspunten genoemd, maar uit artikelen 2.1 en 2.3 blijkt tegelijkertijd dat samenwerking werd voorzien, ook op juridisch vlak. De raad gaat niet mee in het verweer dat E B.V. slechts gericht zou zijn op ‘het genereren van leads’. Verweerders hebben niets aangevoerd waaruit blijkt dat de rol van E B.V. daartoe beperkt was, terwijl uit de hiervoor genoemde stukken en website blijkt dat die rol toch breder was voorzien en ook juridische advisering omvatte.
Samenwerkingsverband
5.5    De samenwerking tussen verweerders en E B.V. is een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.3 van de Voda, omdat in dit geval aan beide, niet cumulatieve, voorwaarden is voldaan. Verweerders kunnen via hun vennootschappen als minderheidsaandeelhouders delen in de opbrengsten van E B.V., zodat is voldaan aan de voorwaarde dat een advocaat met een ander voor gezamenlijke rekening en risico de praktijk uitoefent. Uit de context van de Voda volgt dat met ‘praktijk’ hier de rechtspraktijk wordt bedoeld. 
5.6    Ook is voldaan aan de voorwaarde dat de advocaat met een ander de zeggenschap of eindverantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening deelt. Volgens de toelichting op artikel 5.3 is het hiervoor toereikend als anderen dan de advocaat formeel of feitelijke invloed uitoefenen op de door de advocaat te maken keuzes in een zaak of bij het aannemen van een zaak. Volgens verweerders was van een praktijkuitoefening geen sprake, omdat E B.V. zich na verwijzing naar een partner in het netwerk niet meer met de afhandeling van die zaak zou bezighouden. Ook hebben verweerders aangevoerd dat anderen dan advocaten geen invloed hebben gehad op het werk van de advocaat. De raad constateert op grond van de activiteiten van E B.V., zie de overwegingen in 5.4, de akte van oprichting, de website van E B.V. en de aansluitingsvoorwaarden echter dat een bredere rol voor E B.V. was voorzien, waaronder het geven van juridisch advies en het hebben van een regiefunctie en een coördinerende rol bij de uitvoering van opdrachten. In dat opzicht is dan ook sprake van inmenging van E B.V. bij de juridische behandeling van zaken van bedrijven die via  
E B.V. terecht zouden komen bij (de kantoren van) verweerders en dus van een gedeelde zeggenschap of eindverantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening. De vraag is of hier sprake was van een toegestaan samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.4 van de Voda.
5.7    De raad stelt, mede op basis van het verweer van verweerders, vast dat naast (de kantoren van) verweerders ook niet-advocaten onderdeel zijn van E B.V. en dat een van deze niet-advocaten bestuurder is. Deze bestuurder is ook een zogenoemde ‘turnaround- manager’, evenals de heren X, Y, en Z. Zij vallen niet binnen de in artikel 5.4 van de VODA genoemde kring van personen met wie een samenwerkingsverband is toegestaan. Daarmee is gegeven dat verweerders door een samenwerkingsverband aan te gaan met E B.V. artikel 5.4 van de Voda hebben geschonden. 
5.8    In deze samenwerking lag tevens het risico besloten dat de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van het beroep van verweerders, met inbegrip van de behartiging van het partijbelang en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt, in gevaar kon worden gebracht. In artikel 5.1 is bepaald dat dit niet is toegestaan.
Conclusie
5.9    Verweerders zijn met E B.V. een samenwerkingsverband aangegaan dat op grond van de Voda niet is toegestaan. Niet alleen hebben zij daarmee de regels van de Voda over het aangaan van een samenwerkingsverband geschonden, maar ook de kernwaarde onafhankelijkheid als bedoeld in artikel 10a lid 1 onder a Advocatenwet. Daarmee hebben verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel a) is dan ook gegrond. 
Onderdeel b) is ongegrond
5.10    De raad oordeelt dat verweerders niet tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld ten aanzien van hun hoedanigheid van en praktijkuitoefening als advocaten als bedoeld in gedragsregel 9 of artikel 7.4 van de Voda. Hoewel een advocaat transparant moet zijn over zijn hoedanigheid en daarover geen misverstand moet laten bestaan, is er geen algemene regel dat een advocatenkantoor een aandeelhouderschap (van partners) in andere bedrijven op de kantoorwebsite moet publiceren. Die vermelding kan ook in de algemene voorwaarden staan of in een e-mail. Klachtonderdeel b) is dan ook ongegrond. 
Onderdeel c) is gegrond ten aanzien van verweerders 1 en 2
5.11    De raad oordeelt dat verweerders 1 en 2 hebben gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit door via BC B.V., een vennootschap waar zij medeaandeelhouder van zijn, aandelen te (proberen te) kopen van bedrijf S., de cliënte van verweerder 1, en door deze situatie te laten voortduren, ook toen er een juridisch geschil tussen BC B.V. en bedrijf S. ontstond. Hoewel bedrijf S. een cliënte van verweerder 1 was wist verweerder 2 als kantoorgenoot van verweerder 1 en als medeaandeelhouder van BC B.V., dan wel had hij redelijkerwijs kunnen weten, dat bedrijf S. een cliënte van zijn kantoor was en dat er tegen deze kantoorcliënte werd geprocedeerd door BC B.V. Helemaal nu hij verweerder 1 wel eens heeft vervangen. Dat ligt wel anders voor verweerder 3, omdat bedrijf S. geen cliënte was van hem of zijn kantoor. Klachtonderdeel c) is dan ook gegrond ten aanzien van verweerders 1 en 2 en ongegrond ten aanzien van verweerder 3.
Onderdelen d), e) en f) zijn gegrond
5.12    Onderdelen d), e) en f) gaan in de kern over de rol van verweerder 1 bij de verwijzing van zijn cliënte bedrijf S. naar E. B.V., de totstandkoming van de overeenkomst tussen bedrijf S. en BC B.V. en bij het geschil tussen bedrijf S. en BC B.V. De raad zal deze onderdelen van het dekenbezwaar daarom gezamenlijk beoordelen.
5.13    De raad oordeelt dat verweerder 1 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zijn cliënte bedrijf S. naar E B.V. te verwijzen zonder op enig moment expliciet schriftelijk aan bedrijf S. kenbaar te maken en te bevestigen dat hij medeaandeelhouder was van dat bedrijf en van BC B.V., de vennootschap waarmee zijn cliënte een participatieovereenkomst zou aangaan. Zelfs toen er tussen zijn cliënte en BC B.V. een juridisch conflict was ontstaan heeft verweerder hierover niets schriftelijk aan zijn cliënte bevestigd, ook niet in zijn e-mail aan bedrijf S. van 2 januari 2023. Het zou kunnen dat verweerder 1 een en ander mondeling met bedrijf S. heeft besproken, zoals verweerder 1 heeft aangevoerd en door bedrijf S. wordt betwist, maar het had op zijn weg gelegen om deze belangrijke informatie schriftelijk aan bedrijf S. te bevestigen. Door dit niet te doen, heeft verweerder zijn cliënte niet dan wel onvoldoende geïnformeerd over zijn betrokkenheid bij E B.V. en BC B.V. en dat is in strijd met de integriteit die van een redelijk handelende advocaat mag worden verwacht.
5.14    Verder vindt de raad het onbegrijpelijk dat verweerder 1, als medeaandeelhouder van E B.V. en BC B.V., in zijn e-mail van 2 januari 2023 aan zijn cliënte heeft voorgesteld om te bemiddelen in het ontstane geschil met BC B.V. over de verkoop van de aandelen en dat hij in die mail zijn ‘objectieve juridische mening’ aanbiedt. Het feit dat verweerder 1, via zijn eigen vennootschap, medeaandeelhouder is van BC B.V., en dus een financieel belang heeft, betekent immers al dat verweerder 1 niet objectief kon zijn. Verweerder 1 heeft hierover aangevoerd dat het voor hem als een dilemma voelde, maar dat hij gedragsrechtelijk correct handelde toen hij zijn hulp aan beide partijen aanbood. Daarmee geeft verweerder er blijk van dat hij niet inziet dat het zijn verantwoordelijkheid als advocaat van bedrijf S. is om zijn cliënte volledig te informeren over zijn medeaandeelhouderschap en dat hij als advocaat van bedrijf S. alleen de belangen van bedrijf S. zou moeten behartigen. Door hierover niet duidelijk te communiceren met zijn cliënte en door zich niet te realiseren dat hij geen objectieve mening aan zijn cliënte kon geven, heeft verweerder niet integer gehandeld.
5.15    Tot slot oordeelt de raad dat verweerder 1 in strijd met de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit heeft gehandeld ten aanzien van de aankoop van de aandelen van zijn cliënte aan BC B.V. en de voorgestelde financiering van zijn cliënte. Verweerder 1 heeft ervoor gezorgd dat bedrijf S., zijn cliënte, aandelen aan BC B.V. heeft verkocht, terwijl verweerder 1 medeaandeelhouder van BC B.V. is. Feitelijk heeft verweerder 1 dus een eigen cliënte bewogen tot een financiering door en verkoop van aandelen aan een bedrijf waar hij, via zijn eigen vennootschap, aandelen in heeft. Het mag zo zijn dat verweerder 1, zoals hij heeft aangevoerd, nooit de intentie heeft gehad om een vennootschap waar hij aandelen in had een cliënte te laten financieren, maar dit is wel wat er feitelijk is gebeurd. Verweerder 1 had moeten begrijpen dat dit, gelet op het evidente belangenconflict, op geen enkele wijze tuchtrechtelijk door de beugel kan.
5.16    Uit het bovenstaande volgt dat klachtonderdelen d), e) en f) gegrond zijn. 

6    MAATREGEL
6.1    Verweerders hebben ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door een niet toegestaan samenwerkingsverband aan te gaan met E B.V., een bedrijf dat een platform biedt voor allerlei diensten, waaronder juridische diensten die raken aan de diensten die verweerders als advocaten ook aanbieden. Niet alleen hebben verweerders hiermee de regels van de Voda geschonden, maar hebben zij ook in strijd gehandeld met de voor de advocatuur belangrijke kernwaarde onafhankelijkheid. Verweerders 1 en 2 hebben daarnaast ook nog gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit. De aard en ernst hiervan rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Bij de oplegging van een maatregel ziet de raad aanleiding om aan verweerder 1 een zwaardere maatregel op te leggen dan aan verweerders 2 en 3, omdat verweerder 1 met zijn ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
Verweerder 1
6.2    Ten aanzien van verweerder 1 weegt de raad mee dat verweerder 1 met verweerders 2 en 3 een niet toegestaan samenwerkingsverband met E B.V. is aangegaan en daarmee het risico heeft genomen dat zijn onafhankelijkheid als advocaat in het geding zou komen. Ook weegt de raad mee dat verweerder 1 zijn cliënte op geen enkel moment expliciet schriftelijk heeft geïnformeerd over zijn betrokkenheid bij E B.V. en bij BC B.V. In dat verband rekent de raad het verweerder 1 zwaar aan dat hij zijn cliënte bedrijf S. heeft voorgesteld te bemiddelen in het geschil met BC B.V. en zijn objectieve juridische mening te geven, terwijl van objectiviteit geen sprake was vanwege het financiële belang van verweerder 1 als medeaandeelhouder van BC B.V. Daarnaast rekent de raad het verweerder 1 zwaar aan dat hij zijn cliënte heeft bewogen tot een financiering door en verkoop van aandelen aan BC B.V., een bedrijf waar hij, via zijn eigen vennootschap, aandelen in heeft. Verweerder 1 had moeten inzien dat hij hiermee, vanwege de overduidelijke belangenverstrengeling, de grenzen van het tuchtrechtelijk toelaatbare overschreed. Verweerder 1 heeft er tijdens de zitting geen blijk van gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. 
6.3    Op grond van alle omstandigheden van deze zaak ziet de raad, ondanks het feit dat niet eerder aan verweerder 1 een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, aanleiding om aan verweerder 1 de maatregel op te leggen van een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van vier weken.

Verweerder 2 
6.4    Ten aanzien van verweerder 2 weegt de raad mee dat verweerder 2 met verweerders 1 en 3 een niet toegestaan samenwerkingsverband met E B.V. is aangegaan en daarmee ook zijn onafhankelijkheid als advocaat in de waagschaal heeft gelegd. Ook weegt de raad mee dat verweerder 2, als kantoorgenoot van verweerder 1, niet integer heeft gehandeld door via een vennootschap waar hij medeaandeelhouder van is, aandelen te kopen van bedrijf S., de cliënte van verweerder 1, en dat hij deze situatie heeft laten voortduren, ook nadat er een juridisch geschil tussen BC B.V. en bedrijf S. was ontstaan. 
6.5    Verder weegt de raad mee dat verweerder 2 als kantoorgenoot van verweerder 1 de zaak van bedrijf S. niet heeft behandeld, maar dat wel sprake is van belangenverstrengeling omdat bedrijf S. een cliënt van het kantoor van verweerders 1 en 2 was. Tot slot weegt de raad mee dat aan verweerder 2 niet eerder een tuchtmaatregel is opgelegd. De raad legt aan verweerder 2 een berisping op.

Verweerder 3
6.6    Ten aanzien van verweerder 3 houdt de raad er rekening mee dat verweerder 3 met verweerders 1 en 2 een niet toegestaan samenwerkingsverband met E B.V. is aangegaan en daarmee zijn onafhankelijkheid als advocaat op het spel heeft gezet. Verweerder 3 heeft echter verder geen betrokkenheid gehad bij de doorverwijzing van bedrijf S. naar E B.V. en het ontstane juridische conflict tussen bedrijf S. en BC B.V. Ook weegt de raad mee dat aan verweerder 3 niet eerder een tuchtmaatregel is opgelegd. De raad legt aan verweerder 3 een waarschuwing op.


7    KOSTENVEROORDELING
7.1    Nu de raad aan verweerders een maatregel oplegt, zal de raad verweerders daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet ieder apart veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.2    Verweerders moeten ieder apart het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.


BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart onderdeel a) van het bezwaar ten aanzien van verweerders gegrond;
-    verklaart onderdeel b) van het bezwaar ten aanzien van verweerders ongegrond; 
- verklaart onderdeel c) van het bezwaar ten aanzien van verweerders 1 en 2 gegrond en ten aanzien van verweerder 3 ongegrond;
- verklaart onderdelen d), e) en f) ten aanzien van verweerder 1 gegrond; 
-    legt aan verweerder 2 een berisping op;
- legt aan verweerder 3 een waarschuwing op;
-    legt aan verweerder 1 de maatregel van een schorsing in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van vier weken op; 
-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder 1 de navolgende algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerder 1 zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.
-    veroordeelt verweerders ieder apart tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;
-    bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar. 

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed, D. Horeman,  
I.J. de Laat en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 22 juni 2026