We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:128 Raad van Discipline Amsterdam 26-370/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:128
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 30-06-2026
Zaaknummer(s): 26-370/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over de kwaliteit dienstverlening kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 22 juni 2026
in de zaak 26-370/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 28 april 2026 met kenmerk 2492344/ EvR/KV, door de raad ontvangen op eveneens 28 april 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager was van 2016 tot 2024 gedetineerd en heeft tijdens zijn detentie verschillende klachtprocedures gevoerd. Verweerster heeft klager in deze procedures bijgestaan.
1.2    Op 17 juni 2022, 8 november 2022, 10 november 2022 en 28 november 2022 heeft de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) toevoegingen verstrekt ter zake van rechtsbijstand in acht afzonderlijke klachtzaken voor gedetineerden. De toevoegingen, met zaaknummers 4PD8407, 4PI7075, 4PI7076, 4PI7077, 4PJ4336, 4PJ4339, 4PJ4340 en 4PJ4341, zijn voor klager aangevraagd door verweerster.
1.3    Op 6 mei 2025 heeft klager brieven ontvangen van de RVR over de verleende toevoegingen met zaaknummers 4PD8407, 4PI7075, 4PI7077, 4PJ4336, 4PJ4339, 4PJ4340 en 4PJ4341. In deze brieven staat voor zover relevant het volgende: 
“Op grond van de Wet op rechtsbijstand kan de raad een eerder verstrekte toevoeging met terugwerkende kracht intrekken.
Uw advocaat heeft om intrekking van deze toevoeging gevraagd aangezien het beklag niet toevoegwaardig was. Na het intrekken van de toevoeging kan de advocaat u een factuur sturen voor de kosten. Indien u niet akkoord gaat met het verzoek tot intrekking, heeft u tot de onderstaande reactie-termijn om te reageren op dit verzoek.
Op grond van het vorenstaande heeft de raad het voornemen de toevoeging met terugwerkende kracht in te trekken. Het gevolg van de mogelijke intrekking is, dat u met terugwerkende kracht geen aanspraak hebt op gesubsidieerde rechtsbijstand. De raad geeft u veertien dagen de mogelijkheid schriftelijk te reageren op dit voornemen. Als de raad binnen veertien dagen geen reactie van u heeft ontvangen, volgt een beslissing op grond van de in het dossier aanwezige gegevens. Die beslissing zal te zijner tijd aan u worden toegestuurd.”
1.4    Op 9 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster allereerst dat zij toevoegingen heeft aangevraagd voor beklagzaken terwijl zij weet - althans had moeten weten - dat deze niet toevoegingswaardig waren, en dat zij deze toevoegingen vervolgens heeft laten intrekken en hieraan geld overgehouden heeft. Verder verwijt klager verweerster dat mogelijk sprake is van een belangenconflict en dat verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan belediging, smaad en discriminatie.  

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Aanvragen toevoegingen niet toevoegingswaardige beklagzaken
4.2    Klager stelt dat verweerster een aantal toevoegingen voor hem heeft aangevraagd, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de zaken niet toevoegingswaardig waren. Verweerster had contact kunnen opnemen met de RvR om na te gaan of klager ten behoeve van de beklagzaken in aanmerking kwam voor een toevoeging. Volgens klager is sprake van oplichting en corruptie. Verweerster heeft stagegelopen bij mr. C, die hem in het verleden ook heeft bijgestaan en waarvan klager weet dat hij bij de RvR heeft gewerkt. Verweerster wist van mr. C hoe zij de oplichting moest bewerkstelligen en kon - met zijn geboortedatum en einddatum van zijn strafzaak - in de acht beklagzaken een groot bedrag cashen door de toevoegingen weer in te trekken. Dit laatste heeft verweerster gedaan zonder zijn instemming of medeweten en zonder hem te informeren over de gevolgen van de intrekking. Bij klager bestond de indruk dat de zaken nog in behandeling waren, of dat zij in elk geval niet formeel waren afgerond. 
4.3    Dit klachtonderdeel faalt. Verweerster heeft onderbouwd toegelicht dat zij klager in 2022 heeft bijgestaan in een reeks beklagzaken. Het betroffen in beginsel afzonderlijke procedures, waarvoor telkens een toevoeging is aangevraagd. De klachten overlapten elkaar echter (deels) of werden door de behandelende instantie samengevoegd. Hierdoor bleven er toevoegingen openstaan die feitelijk niet meer aan de orde waren of waren aangevraagd in zaken die niet meer afzonderlijk inhoudelijk werden behandeld. Deze toevoegingen konden daardoor niet (meer) worden gedeclareerd, maar bleven wel op naam van verweerster staan. Verweerster heeft getracht klager hierover te bereiken, maar dat is haar niet gelukt. Verweerster heeft de RvR daarom na drie jaar verzocht om beëindiging van die toevoegingen. De RvR heeft haar bevestigd dat dit de beste optie was. Omdat klager vervolgens bezwaar maakte tegen de beëindiging van de toevoegingen, heeft verweerster - in overleg met de RVR - die toevoegingen laten herleven. Hoewel dit niet wenselijk was, is de situatie dus hersteld naar de oude toestand en kan klager niet zijn benadeeld. Verweerster heeft verder aangevoerd dat zij niets uitbetaald heeft gekregen en dat zij geen enkel financieel voordeel heeft behaald. 
4.4    Dat de gang van zaken anders zou zijn geweest, heeft klager niet aannemelijk gemaakt en is de voorzitter ook niet uit de stukken gebleken. Van corruptie of oplichting van de zijde van verweerster is dan ook geen sprake. Voor de suggestie dat verweerster van mr. C - op wiens kantoor verweerster ooit stage heeft gelopen - zou hebben geleerd hoe zij oplichting moest bewerkstellingen, ontbreekt iedere feitelijke onderbouwing. De klacht is in zoverre kennelijk ongegrond. 
Overige verwijten 
4.5    Klager verwijt verweerster dat zij niet transparant is geweest over de betrokkenheid en rol van mr. C en dat er contact is geweest tussen verweerster en mr. C, waarbij mogelijk informatie is gedeeld. Daarmee zou sprake kunnen zijn van een belangenconflict, of een relatie die de onafhankelijkheid of het vertrouwen van klager als cliënt zou kunnen raken. 
4.6    Verweerster heeft betwist dat mr. C klager heeft bijgestaan. Daarnaast is er geen contact geweest tussen haar en mr. C over de zaken van klager. De onafhankelijkheid van verweerster is volledig gewaarborgd geweest en er bestaat evenmin enige basis voor de door klager veronderstelde belangenverstrengeling. Nu de stukken geen enkele steun bieden voor deze aan verweerster gemaakte verwijten, acht de voorzitter de klacht ook in zoverre kennelijk ongegrond. 
4.7    Tot slot overweegt de voorzitter nog dat klager geen onderbouwing heeft gegeven van zijn verwijten dat verweerster zich schuldig zou hebben gemaakt aan belediging, smaad en discriminatie. Ook dit blijkt in het geheel niet uit het klachtdossier. 
De klacht is daarmee volledig kennelijk ongegrond. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026. 


Griffier         Voorzitter


Verzonden op: 22 juni 2026