ECLI:NL:TADRAMS:2026:127 Raad van Discipline Amsterdam 25-378/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:127 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 29-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-378/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klager die jarenlang gedetineerd was in de Verenigde Staten en onlangs naar Nederland is overgebracht heeft een klacht ingediend over verweerder die geadviseerd heeft over zijn terugkeer naar Nederland. Dit is niet de eerste klacht die klager over verweerder heeft ingediend. In een eerdere klachtprocedure heeft klager verweerder verweten dat hij zich schuldig had gemaakt aan belangenverstrengeling door eerst betrokken te zijn bij de zaak van klager en later het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa) te adviseren. Over deze klacht heeft de raad in zijn beslissing van 11 december 2023, ECLI:NL:TADRAMS:2023:233, geoordeeld dat klager en BuZa hetzelfde, gemeenschappelijke belang hadden, namelijk het terughalen van klager naar Nederland en verweerder daarom met zijn advisering aan klager en BuZa geen tegenstrijdige belangen had gediend. Het Hof van Discipline heeft de beslissing van de raad op 27 september 2024 bekrachtigd (ECLI:NL:TAHVD:2024:249). In onderhavige klachtprocedure is de advisering van verweerder aan klager en daarna aan BuZa opnieuw aan de orde gesteld. Na een Woo-procedure zijn volgens klager documenten vrijgekomen die een ander licht werpen op de zaak. De raad is van oordeel dat de door klager naar voren gebrachte omstandigheden geen hernieuwde beoordeling van de aan verweerder verweten belangenverstrengeling rechtvaardigen. De klacht hierover is daarom niet-ontvankelijk. Verder is het de raad niet gebleken dat verweerder in de vorige klachtprocedure bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn bijstand aan klager. De klacht hierover is ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 29 juni 2026
in de zaak 25-378/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. R.S. Imamkhan
over
verweerder
gemachtigde: mr. P.P.J. van der Meij
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 17 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 11 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2395342/JS/YH
van de deken ontvangen.
1.3 De zaak is behandeld op de zitting van de raad van 18 mei 2026. Daarbij waren
klager en verweerder met hun gemachtigden aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Verder heeft de raad
kennisgenomen van de volgende stukken:
- de op 21 april 2026 namens klager nagezonden stukken;
- het op 4 mei 2026 namens verweerder nagezonden stuk.
- de door de raad opgevraagde stukken: het beroepschrift van klager van 9 januari
2024 in de procedure bij het Hof van Discipline (hierna: het hof) met kenmerk 240010,
het verweerschrift van verweerder van 5 april 2024 en de spreekaantekeningen van verweerder
ten behoeve van de zitting bij het hof op 5 juli 2024;
- het proces-verbaal van de zitting van de raad van 27 oktober 2023 en de pleitnotities
ten behoeve van die zitting in de procedure met kenmerk 23-323/A/A, die ambtshalve
door de raad aan het procesdossier zijn toegevoegd.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is sinds 10 april 1984 gedetineerd in de Verenigde Staten en wordt
sinds 2011 bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. I.
2.3 Verweerder, tot 1 januari 2019 advocaat, is een deskundige op het gebied
van het Amerikaans en Internationaal strafrecht.
2.4 Mr. I heeft zich in 2013 op instigatie van het Ministerie van Buitenlandse
Zaken (hierna: BuZa) tot verweerder gewend met de vraag naar de juridische mogelijkheden
voor klager om terug te keren naar Nederland.
2.5 In 2014 hebben mr. I en verweerder tweemaal overleg gehad over de zaak van
klager. Het contact tussen mr. I en verweerder is in 2015 geëindigd.
2.6 Op 27 juli 2018 heeft verweerder in opdracht van BuZa een rapport uitgebracht
over de zaak van klager en de stappen die Nederland zou kunnen ondernemen om de terugkeer
van klager naar Nederland mogelijk te maken.
2.7 Op 23 september 2021 heeft mr. I namens klager bij de Nationale Ombudsman
(hierna: de NO) een klacht ingediend tegen BuZa over de gebrekkige hulpverlening door
BuZa met betrekking tot de detentie van klager. De klacht bestaat uit vijf onderdelen.
Klachtonderdeel drie ziet op “het uitblijven van de aanstelling van een vertrouwensadvocaat,
ondanks herhaalde verzoeken en het zonder motivatie afwijzen van diens aanstelling.”
2.8 In een brief van 13 december 2022 aan mr. I heeft de NO uitspraak gedaan
in de klacht van klager. In deze brief schrijft de NO ten aanzien van de klacht over
het niet inzetten van een vertrouwensadvocaat, voor zover relevant: (…)“Wij hebben
achterhaald dat een tweede vertrouwensadvocaat in 2018 naar de gevolgde rechtsgang
heeft gekeken. In een toelichtend gesprek op de interventie liet [BuZa] weten dat
[verweerder] hierover een rapport heeft uitgebracht. Het is volgens [BuZa] aan [BuZa]
zelf om het rapport wel of niet te delen met de gedetineerde en/of diens gemachtigde.
(…)U kunt het rapport daarvan opvragen bij [BuZa]. (…)”.
2.9 Op 5 januari 2023 heeft BuZa het rapport aan klager en mr. I toegezonden.
2.10 Op 2 februari 2023 heeft klager eerder bij de deken een klacht over verweerder
ingediend. De klacht hield in dat verweerder zich schuldig had gemaakt aan belangenverstrengeling
door eerst als advocaat voor klager op te treden, en daarna in opdracht van BuZa een
rapport over de zaak van klager uit te brengen.
2.11 Op 10 maart 2023 heeft mr. I een brief gestuurd aan BuZa. Hierin heeft zij,
voor zover relevant, het volgende geschreven: “(…) Voor een volledig en onafhankelijk
onderzoek had een gedegen feitenonderzoek moeten plaatsvinden door een onafhankelijke
jurist, en hadden alle betrokken partijen gehoord moeten worden. Het rapport heeft
met zijn gebreken en tekortkomingen op bepaalde onderdelen aanleiding gegeven tot
misverstanden die schadelijk zijn voor [klager]. Met een selectieve weergave van passages
uit het rapport zet de Nederlandse Staat in op kansloze procedures, terwijl de Staat
weet dat de parole en gratieprocedures geen reële kans van slagen hebben. De voor
[klager] relevante passages die zijn WOTS-verzoek ondersteunen zijn achtergehouden.
Dit handelen kan aangemerkt worden als onbehoorlijk bestuurlijk handelen. (…)”
2.12 BuZa heeft in een brief van 26 mei 2023 aan de raad de rol van verweerder
bij de totstandkoming van het rapport toegelicht. De brief luidt als volgt, voor zover
relevant:
“[BuZa] heeft in het verleden regelmatig een beroep gedaan op [verweerder] voor
advies toen hij als advocaat werkzaam was. Ook in de zaak van de Nederlandse gedetineerde
in de Verenigde Staten, [klager], heeft het ministerie op verschillende momenten [verweerder]
gevraagd om advies. (…) [BuZa] heeft [verweerder] in 2018 niet aangesteld als vertrouwensadvocaat.
Wel heeft [BuZa] [verweerder] in 2018 op basis van zijn specifieke ervaring, kennis
en expertise om advies gevraagd met het oog op de destijds naderende parole hearing
van [klager] in september 2018. [BuZa] heeft het rapport van [verweerder] uit 2018
intern behandeld en destijds niet doorgestuurd aan de advocaat van [klager] in Nederland
(…) en aan [mr. I]. [Verweerder] was op generlei wijze bij de interne afhandeling
op [BuZa] betrokken en hij had hiervan geen kennis. (…)”
2.13 De raad heeft de klacht van 2 februari 2023 bij beslissing van 11 december
2023 (ECLI:NL:TADRAMS:2023:233) ongegrond verklaard en hiertoe overwogen dat hoewel
niet blijkt dat tussen klager en verweerder een formele opdrachtrelatie heeft bestaan,
noch dat verweerder daadwerkelijk als (vertrouwens)advocaat voor klager heeft opgetreden,
in de gegeven omstandigheden wel kan worden vastgesteld dat sprake was van een hieraan
gelijk te stellen situatie. De raad heeft echter niet kunnen vaststellen dat sprake
is geweest van het door verweerder dienen van een tegenstrijdig belang.
2.14 Klager heeft tegen deze beslissing op 9 januari 2024 hoger beroep ingesteld
bij het hof. Verweerder heeft op 5 april 2024 een verweerschrift ingediend en klager
heeft op 21 juni 2024 aanvullende stukken ingediend. De zaak is behandeld op de zitting
van 5 juli 2024 en bij beslissing van 27 september 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:249) heeft
het hof de beslissing van de raad bekrachtigd en hiertoe overwogen, voor zover relevant:
“Omvang van de klacht
7.3 Klager verwijt verweerder dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling.
Ter zitting is door klager aangegeven dat de klacht inzake belangenverstrengeling
niet alleen is verwoord in gedragsregel 15, maar dat ook gedragsregels 2 (onafhankelijkheid),
3 (vertrouwelijkheid) en 9 (kenbaarheid hoedanigheid advocaat) bij de beoordeling
van het handelen van verweerder dienen te worden betrokken. De verwijzing naar de
gedragsregels dient volgens klager als nadere onderbouwing van de klacht ter zake
van belangenverstrengeling. Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen uitbreiding van
de klacht door klager door, naast artikel 15, tijdens de zitting bij de raad ook een
beroep te doen op gedragsregels 2, 3 en 9. Indien en voor zover klager de intentie
heeft gehad in hoger beroep nieuwe verwijten te formuleren, laat het hof deze buiten
beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht
door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1
en 3 Advw). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.
(…)
Oordeel hof
7.5 Klager verwijt verweerder dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling
door eerst als advocaat voor klager op te treden, en daarna in opdracht van BuZa een
rapport over de zaak van klager op te stellen terwijl sprake is van tussen klager
en BuZa bestaande tegengestelde belangen.
Relatie klager en verweerder in 2013/2014 en klager en BuZa in 2017/2018
7.6 Voorop staat de vraag of kan worden vastgesteld dat er tussen verweerder en
klager, en later tussen verweerder en BuZa sprake is geweest van een advocaat-cliënt
relatie dan wel dat die relaties in de gegeven omstandigheden van zodanige aard zijn
geweest, dat deze gelijk te stellen zijn met de situatie dat er wel advocaat-cliënt
relaties tot stand zouden zijn gekomen; eerst tussen klager en verweerder en later
tussen BuZa en verweerder. Zie ook de uitspraak van het Hof van Discipline ’s-Hertogenbosch
van 13 januari 2020 (ECLI:NL:TADRAMS:2020:19).
7.7 In augustus 2013 heeft BuZa mr. I, zijnde de advocaat van klager, gesuggereerd
om contact op te nemen met verweerder om te bezien of hij de zaak van klager open
zou kunnen breken. Mr. I heeft vervolgens als advocaat van klager contact met verweerder
opgenomen. Mr. I en verweerder hebben in 2014 tweemaal overlegd over de zaak van klager
en mr. I heeft aan verweerder stukken over de zaak van klager verstrekt. Mr. I en
verweerder zijn ook op 16 juli 2014 samen naar BuZa gegaan om te praten over de zaak
van klager. Mr. I was teleurgesteld over hetgeen verweerder bij het gesprek bij BuZa
naar voren heeft gebracht. Nadien heeft verweerder over de zaak van klager geen contact
meer gehad met mr. I. Hoewel er geen formele opdrachtrelatie tussen verweerder en
klager heeft bestaan, en verweerder niet als advocaat voor klager heeft opgetreden,
kan er naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden wel worden vastgesteld
dat er sprake was van een hieraan gelijk te stellen situatie. De contacten tussen
verweerder en de advocaat van klager, mr. I, zijn immers van een zodanig inhoudelijke
aard geweest, dat deze gelijk te stellen zijn met de situatie dat er wel een advocaat-cliënt
relatie tot stand zou zijn gekomen tussen klager en verweerder. Dat dit contact na
het bezoek aan BuZa in de zomer van 2014 is beëindigd, doet daar niet aan af.
7.8 BuZa heeft hierna verweerder in 2017 opdracht gegeven om de situatie van klager
te beoordelen en te adviseren over de door Nederland reeds genomen en mogelijk te
nemen stappen met betrekking tot de situatie van klager. Op 27 juli 2018 heeft verweerder
een rapport uitgebracht (rov 3.10). Ook uit de inleiding van het aan BuZa geadresseerde
rapport volgt dat verweerder bij zijn advisering voor BuZa optreedt. Die inleiding
luidt: “U heeft mij gevraagd om vanuit mijn specifieke ervaring en expertise als advocaat
in het Amerikaans en internationaal strafrecht de situatie van [klager] in Californië
te beoordelen en te adviseren over de door Nederland reeds genomen en mogelijk te
nemen stappen.” Dit betekent naar het oordeel van het hof dat tussen verweerder en
BuZa op dat moment een advocaat-cliënt relatie bestond.
7.9 Tussen partijen is niet in geschil dat de conclusies in het rapport uit 2018
niet afwijken van hetgeen verweerder eerder op 16 juli 2014 bij het bezoek aan BuZa
naar voren heeft gebracht.
(…)
Belangenverstrengeling
7.13 Klager heeft gesteld dat er sprake is geweest van belangenverstrengeling. De
klacht van klager spitst zich toe op de vraag of verweerder tegen een cliënt of een
voormalig cliënt heeft opgetreden. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
7.14 Het hof stelt vast dat verweerder zowel klager als BuZa heeft geadviseerd over
in de kern hetzelfde onderwerp en met hetzelfde doel, te weten de vraag hoe de overdracht
van klager aan Nederland kan worden bereikt.
7.15 Klager en BuZa hadden van aanvang af hetzelfde, gemeenschappelijke belang.
Niet is in geschil immers dat er zowel in 2014 als in 2018 gekoerst werd op het terug
naar Nederland halen van klager. Zowel klager als BuZa heeft verweerder precies op
dat punt om advies gevraagd. Dat verweerder in zijn advisering andere belangen dan
dit terugkeerbelang van klager voor ogen heeft gehad is niet gebleken. Het feit dat
verweerder beide keren hetzelfde advies heeft gegeven brengt ook niet mee dat hij
dat belang niet (of niet langer) heeft gediend. Verweerder heeft zich steeds op hetzelfde
standpunt gesteld, te weten dat de Nederlandse overheid zich op diverse manieren moest
inzetten voor de terugkeer van klager naar Nederland. Verweerder heeft daarbij aangegeven
dat de verschillende manieren waarop dit zou kunnen worden bewerkstelligd nevengeschikt
zijn, en niet dat de ene manier ondergeschikt zou zijn aan de andere manier. Klager
heeft zijn, door verweerder betwiste, stelling dat het rapport ten nadele van klager
niet volledig is en op onderdelen onjuist, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het feit
dat klager mogelijk op een ander rapport had gehoopt, maakt ook niet dat verweerder
klachtwaardig heeft gehandeld.
7.16 Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat klager onvoldoende aannemelijk
heeft gemaakt dat verweerder ‘tegen’ een voormalig cliënt heeft opgetreden.”
2.15 Naar aanleiding van een Woo-verzoek van mr. I namens klager heeft BuZa bij
brief van 22 mei 2024 kenbaar gemaakt dat verweerder advies heeft uitgebracht onder
een dienstverleningsovereenkomst ten behoeve van de Staat. Deze brief luidt als volgt:
“In uw brief van 22 april 2024 met kenmerk ‘Tuchtklacht [klager] - [verweerder]’
stelt u meerdere vragen. Hierbij ontvangt u een reactie op uw brief.
Op uw vragen die gaan over de overeenkomst tussen [BuZa] en [verweerder] ga ik niet
Inhoudelijk en gedetailleerd In. [BuZa] heeft als onderdeel van de rijksoverheid een
dienstverleningsovereenkomst afgesloten. De adviesdienst is ingeroepen ten behoeve
van de Staat en tegen die achtergrond is het gebruikelijk dat zowel [BuZa] als het
ministerie van Justitie en Veiligheid over de resultaten uit de dienst beschikken.
Het rapport, waarin de resultaten van de adviesdienst zijn vastgelegd, hebt u 5
januari 2023 integraal ontvangen. Onder meer In mijn eerdere brief van 21 augustus
2023 heb ik toelichting en achtergrond gegeven.
U voert onder meer over het standpunt van de Staat ten aanzien van [klager] een
procedure bij het gerechtshof in Den Haag. Ook om die reden ligt het niet op mijn
weg om op verdere punten in te gaan.”
2.16 Op 17 december 2024 heeft klager bij de deken opnieuw een klacht over verweerder
ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Het rapport van verweerder van 27 juli 2018 is in strijd met de Nederlandse
regelgeving tot stand gekomen. In de eerste plaats is sprake van schending van het
beginsel van hoor en wederhoor, doordat klager en zijn advocaten niet door verweerder
zijn gehoord in het kader van het onderzoek dat heeft geleid tot het rapport. In de
tweede plaats zijn niet alle relevante feiten in het rapport meegenomen. Er heeft
geen gedegen feitenonderzoek plaatsgevonden en uiterst belangrijke feiten zijn niet
in het rapport opgenomen of (deels) onjuist weergegeven. In de derde plaats heeft
verweerder zijn hoedanigheid als feitenonderzoeker niet kenbaar gemaakt aan partijen
(gedragsegel 9 lid 1) en geen duidelijkheid verschaft in welke hoedanigheid en voor
wie hij optrad. Ten slotte is er sprake van belangenverstrengeling in de zin van toepassing
van gedragsregels 2, 3 en 9, in samenhang met gedragsregel 15.
b) Verweerder heeft over (de totstandkoming van) het rapport in de eerdere klachtprocedure
bij de raad en het hof feitelijke informatie verstrekt, waarvan hij weet, althans
behoort te weten, dat die onjuist is en daarmee in strijd met gedragsregel 8 gehandeld.
Na de zitting bij het hof van 5 juli 2024 zijn diverse stukken boven water gekomen.
Klager verwijst naar een brief van BuZa van 22 mei 2024, waaruit volgt dat er een
dienstverleningsovereenkomst was tussen verweerder en de Staat en dat verweerder op
de hoogte was van het feit dat dit rapport gedeeld zou worden met derden, waaronder
het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Verweerder heeft klager in de waan gelaten
dat hij BuZa slechts zijn mening had gegeven, dat het derhalve geen rapport betrof
en dat hij ‘om niet’ werkte. Voorts deed verweerder het voorkomen alsof hij pas in
2018 is gevraagd door BuZa om een rapport op te stellen, terwijl uit een e-mail van
verweerder aan BuZa van 25 augustus 2017 volgt dat hij reeds in 2017 was aangesteld
als advocaat-onderzoeker ter voorbereiding op de totstandkoming van het rapport. Ook
zou verweerder in strijd met de waarheid hebben gezegd dat hij niet zou zijn opgetreden
als vertrouwensadvocaat.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid klachtonderdeel a)
5.1 De raad dient allereerst te beoordelen of klager kan worden ontvangen in
klachtonderdeel a). In het tuchtrecht geldt namelijk het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”
dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw
kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder
al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat,
over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel
op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen
waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
5.2 Verder moeten klachten over het optreden van een advocaat zoveel mogelijk
worden gebundeld. Voorkomen moet immers worden dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde
feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures moeten worden gevoerd. Het indienen van
een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd zijn met de beginselen van een
behoorlijke tuchtprocesorde (zie Hof van Discipline 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111).
5.3 Voor zover klager verweerder in onderhavige klacht opnieuw verwijt dat hij
zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling op grond van gedragsregel 15,
is de raad van oordeel dat hierover door het hof bij beslissing van 27 september 2024
onherroepelijk tuchtrechtelijk is geoordeeld. Het feit dat klager in de onderhavige
klacht naast gedragsregel 15, ook gedragsregels 2, 3 en 9, aan het verwijt ten grondslag
heeft gelegd, leidt niet tot het oordeel dat daarmee aan verweerder een nieuw verwijt
wordt gemaakt. Ook de omstandigheid dat het hof de aanvulling van de klacht met deze
gedragsregels niet heeft kunnen toestaan op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet,
maakt dat niet anders. Het verwijt komt er namelijk in beide klachtprocedures in essentie
op neer dat verweerder, volgens klager, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld,
door eerst in 2014 voor klager op te treden, en daarna in 2018 in opdracht van BuZa
een rapport over de zaak van klager uit te brengen. De klacht is in zoverre dan ook
niet-ontvankelijk ingevolge artikel 47b Advocatenwet.
5.4 Met betrekking tot de overige verwijten in dit klachtonderdeel is niet in
geschil dat deze betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex als waarover in de vorige
klachtprocedure reeds is geoordeeld, namelijk de totstandkoming, de duiding en het
gebruik van het rapport dat verweerder op 27 juli 2018 voor BuZa heeft opgesteld.
Klager is van mening dat dit gegeven er niet aan in de weg staat zijn onderhavige
klacht inhoudelijk te beoordelen, omdat deze klacht berust op feiten en omstandigheden
die klager tijdens de vorige klachtprocedure niet kende en ook niet kon kennen. In
het najaar van 2024 en 2025 zijn na een Woo-procedure volgens klager documenten vrijgekomen
die een ander licht werpen op het onderliggende geschil. Verweerder heeft in de vorige
klachtprocedure bij de deken, de raad en het hof verklaard dat hij slechts zijn onafhankelijke
mening had gegeven en dat hij geen vertrouwensadvocaat was. Uit de in de Woo-procedure
vrijgekomen stukken blijkt echter dat verweerder wel degelijk onder een vertrouwensadvocaat-raamovereenkomst
viel en dat BuZa op 22 mei 2024 te kennen heeft gegeven dat verweerder advies heeft
uitgebracht (zijnde het bewuste rapport) onder een dienstverleningsovereenkomst ten
behoeve van de Staat. Uit de inventarisstaat Woo-verzoek blijkt dat verweerder, anders
dan hij heeft betoogd, wel onder een vertrouwensadvocaat-raamovereenkomst viel en
verweerder heeft het in zijn e-mail van 25 augustus 2017 ook zelf over een onderzoek
en het horen van partijen. De NO heeft eveneens vastgesteld dat verweerder als vertrouwensadvocaat
is opgetreden. Hieruit blijkt volgens klager dat de totstandkoming van het rapport
geheel anders was dan verweerder destijds heeft voorgesteld. De resultaten van het
rapport zijn bovendien met derden gedeeld, waaronder het Ministerie van Justitie en
Veiligheid. Uit de brief van 24 mei 2024 kan worden afgeleid dat verweerder ervan
op de hoogte was dat dit zou gebeuren. Al deze omstandigheden leiden volgens klager
tot de conclusie dat verweerder - destijds aangesteld als advocaat-onderzoeker - niet
de nodige zorgvuldigheidsnormen in acht heeft genomen met betrekking tot het opstellen
van het rapport, waaronder het horen van klager en zijn advocaten, waarover klager
thans klaagt.
5.5 Naar het oordeel van de raad rechtvaardigen de door klager naar voren gebrachte
omstandigheden geen hernieuwde beoordeling van dit feitencomplex. Uit de gedingstukken
volgt allereerst dat mr. I op 10 maart 2023 al in een brief aan BuZa aan de orde heeft
gesteld dat er een volledig en onafhankelijk onderzoek en een gedegen feitenonderzoek
had moeten plaatsvinden waarin alle betrokken partijen gehoord hadden moeten worden.
Hieruit blijkt dat klager destijds al de mening was toegedaan dat het rapport niet
voldeed aan de vereisten, waaraan een onderzoek van een advocaat-onderzoeker moet
voldoen. Klager had daarom zijn specifieke klachten daarover al in de vorige klachtprocedure
kunnen en moeten formuleren. Waar klager meent dat de aspecten waarover hij thans
klaagt - bijvoorbeeld dat het rapport met derden is gedeeld - voorzienbaar waren voor
verweerder, geldt dit evengoed voor klager. Hij had dit zonder meer in de eerdere
klachtprocedure naar voren kunnen brengen, maar heeft dat niet gedaan. Ook de e-mail
van verweerder van 25 augustus 2017, de kwalificatie door de ombudsman en de inventarislijst
van het Ministerie van Justitie en Veiligheid waarin verweerder wordt geclassificeerd
als vertrouwensadvocaat, zijn geen nova die rechtvaardigen dat dit feitencomplex wederom
aan de tuchtrechter wordt voorgelegd. Al in de brief van de NO aan mr. I van 13 december
2022 heeft de NO - al dan niet terecht - vastgesteld dat verweerder als vertrouwensadvocaat
heeft opgetreden, zodat niet valt in te zien waarom klager hierover niet al in de
vorige klachtprocedure had kunnen klagen. Ook het bestaan van een dienstverleningsovereenkomst
tussen verweerder en BuZa - ongeacht of klager hier wel of niet mee bekend was - kan
er niet toe leiden dat klager thans alsnog moet worden ontvangen in zijn klacht. Zwaarder
weegt dat verweerder er na afloop van de vorige klachtprocedure op moet kunnen vertrouwen
dat de klacht(en) over zijn optreden in dit feitencomplex daarmee waren afgewikkeld.
Het enkele bestaan van de dienstverleningsovereenkomst en van nieuwe argumenten, betekent
niet dat opnieuw verwijten vanuit een andere invalshoek kunnen worden ingediend, voor
zover deze hun grondslag vinden in eenzelfde feitencomplex. Naar het oordeel van de
raad zou dit in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde.
Klachtonderdeel a) is daarmee ook voor het overige niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel b) in strijd handelen met gedragsregel 8
5.6 Klager verwijt verweerder dat hij in strijd met gedragsregel 8 over (de totstandkoming
van) het rapport in de eerdere klachtprocedure bij de raad en het hof bewust feitelijk
onjuiste informatie heeft verstrekt. Zo heeft verweerder volgens klager ten onrechte
verkondigd dat hij BuZa slechts zijn mening heeft gegeven en geen rapport heeft opgesteld
en dat hij ‘om niet’ werkte. Verweerder zou verder niet gehandeld hebben als vertrouwensadvocaat
en deed het voorkomen alsof hij pas in 2018 door BuZa was gevraagd om een rapport
op te stellen, terwijl er dus in 2017 al een dienstverleningsovereenkomst bestond.
5.7 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Uit de overgelegde stukken blijkt allereerst
dat verweerder tijdens de zitting bij het hof naar voren heeft gebracht dat hij op
verzoek van BuZa op basis van een eerdere raamovereenkomst een rapport heeft opgesteld,
dat er (eveneens) een dienstverleningsovereenkomst was gesloten en dat hij voor het
opstellen van het rapport een vergoeding heeft ontvangen. Ook tijdens de eerdere zitting
bij de raad heeft verweerder dit verklaard, zoals de raad op grond van de dossierstukken
heeft kunnen vaststellen. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de raad helder
en transparant over de genoemde punten verklaard. Dat verweerder een andere status
toekent aan het rapport dan klager, betreft een verschil van inzicht en betekent niet
dat hij daarmee bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. Verder is ook uit de overige
stukken in het klachtdossier aan de raad niet gebleken dat verweerder op enig moment
zou hebben verklaard dat hij BuZa, zoals klager stelt, ‘om niet’ had geadviseerd.
Ter zitting heeft mr. I nader toegelicht dat verweerder dit niet op de zitting bij
het hof, maar in de aanloop ernaartoe heeft gezegd. Ook dat is de raad niet gebleken
en acht de raad evenmin aannemelijk. Het ligt immers voor de hand dat verweerder een
vergoeding ontvangt voor zijn werkzaamheden voor BuZa. Met betrekking tot de vraag
of verweerder als vertrouwensadvocaat heeft opgetreden, heeft de raad evenmin kunnen
vaststellen dat verweerder hierover bewust onjuiste informatie heeft verkondigd. Dat
de NO de kwalificatie ‘vertrouwensadvocaat’ heeft gebruikt en dat deze benaming is
te vinden in de inventarisstaat WOO-onderzoek, acht de raad hierin niet leidend. Verweerder
neemt hierover slechts een ander standpunt in dan klager, namelijk dat hij in deze
kwestie als onafhankelijke deskundige en niet als vertrouwensadvocaat heeft geadviseerd
over de in de VS gevolgde procedure en de mogelijkheden om te bewerkstelligen dat
klager zijn straf verder in Nederland zou kunnen uitzitten. Het feit dat verweerder
een ander standpunt inneemt dan klager, betekent niet dat hij daarmee bewust onjuiste
informatie heeft verstrekt. Klachtonderdeel b) is daarmee ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdeel b) ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. T. Felix en C.M. Peeperkorn leden,
bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 29 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 29 juni 2026