ECLI:NL:TADRAMS:2026:126 Raad van Discipline Amsterdam 26-352/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:126 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-352/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk ongegrond. Hoewel het beter was geweest als verweerder neutralere bewoordingen had gekozen in het bemiddelingsgesprek met klaagster, is geen sprake van onnodig grievende uitlatingen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
15 juni 2026
in de zaak 26-352/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 21 april 2026 met kenmerk 2547890/ER/AS, door de raad ontvangen op 21 april 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klaagster op 6 mei 2026 nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster heeft zich in 2022 gewend tot verweerder voor juridische bijstand
in verband met een geschil met haar verhuurder.
1.2 Op 9 maart 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Midden-Nederland een klacht ingediend over verweerder. Volgens
klaagster had verweerder haar zaak onzorgvuldig behandeld en daarnaast onvoldoende
en onduidelijk met haar gecommuniceerd.
1.3 In het kader van het onderzoek naar de klacht heeft op 19 juni 2024 bij de
deken Midden-Nederland een gesprek plaatsgevonden waarbij klaagster, verweerder en
een stafmedewerker van de deken Midden-Nederland aanwezig waren. Dit gesprek heeft
niet tot een oplossing geleid en de klacht van klaagster is doorgestuurd naar de raad
van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden.
1.4 Bij beslissing van 13 januari 2025 (kenmerk 24-632/AL/MN) heeft de raad van
discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden de klacht van klaagster in beide onderdelen
ongegrond verklaard.
1.5 Met ingang van 1 juli 2025 is verweerder overgestapt naar het arrondissement
Amsterdam waardoor verweerder onder toezicht van de Amsterdam deken is komen te vallen.
1.6 Op 8 januari 2026 heeft klaagster bij de Amsterdamse deken een klacht ingediend
over verweerder in verband met zijn uitlatingen tijdens de bespreking bij de deken
Midden-Nederland op 19 juni 2024.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder dat hij zich tijdens de bespreking op 19 juni 2024 onnodig grievend over
klaagster heeft uitgelaten.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De tuchtrechter toetst bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet
omschreven normen, onder andere inhoudende dat de advocaat zich dient te onthouden
van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Bij deze toetsing
is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gelet
op het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn. Of sprake
is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.2 Op grond van gedragsregel 7 dient een advocaat zich niet onnodig grievend
uit te laten.
Oordeel
4.3 Klaagster heeft ter toelichting op haar klacht gesteld dat verweerder haar
tijdens de bespreking op 19 juni 2024 heeft uitgemaakt voor een ‘achtervolgende bloedhond’.
Toen het ging over de schade aan de woning van klaagster, heeft verweerder gezegd
‘ik heb bijna zin om de gaten zelf te dichten’. Als verweerder goed naar de foto's
had gekeken, had hij kunnen zien dat er veel meer beschadigingen zijn. Volgens klaagster
heeft de stafmedewerker tijdens de bespreking gezegd dat verweerder harde en forse
bewoordingen gebruikte en dat verweerder zich netjes behoorde te gedragen. Volgens
klaagster moeten zulke bewoordingen tijdens een bemiddelingsgesprek niet mogen. Klaagster
betwist de stelling van verweerder dat hij de uitlatingen over klaagster als bloedhond
sprake zou zijn van een bestendige beeldspraak. Ook zou de stafmedewerker volgens
klaagster hebben gezegd dat zij heeft geprobeerd verweerder te begrenzen.
4.4 Verweerder betwist dat hij zich tijdens het gesprek onnodig grievend heeft
uitgelaten. Verweerder heeft alleen gezegd dat hij het gevoel heeft dat klaagster
hem achtervolgt als een bloedhond. Dat is volgens verweerder wel een bestendige beeldspraak
waarbij verweerder uitsluitend refereerde aan de vasthoudendheid van klaagster. Ook
de opmerking over het dichtsmeren van de gaten is niet grievend bedoeld. Klaagster
wilde haar zaak maar steeds uitbreiden. Klaagster stuurde verweerder foto's van plekjes
in haar muur waarvan zij vond dat de bouwvakkers die niet netjes hadden afgewerkt.
Verweerder heeft haar afgeraden dat bij de zaak te betrekken en dat heeft zij geaccepteerd.
Later kwam klaagster er steeds weer op terug, waarover verweerder inderdaad tijdens
dat gesprek heeft gezegd dat hij wel eens heeft gedacht dat het sneller was om zelf
die gaten te komen dichten.
4.5 De klacht slaagt niet. De voorzitter begrijpt dat klaagster onaangenaam getroffen
is door de wijze waarop verweerder zich tijdens de bespreking heeft uitgedrukt. Het
was zorgvuldiger geweest als verweerder daarbij neutralere bewoordingen had gekozen.
Hoewel de formulering van verweerder ongelukkig en onhandig was, gaat het te ver om
het handelen van verweerder als klachtwaardig aan te merken.
4.6 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht kennelijk ongegrond
verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 juni 2026