ECLI:NL:TADRAMS:2026:124 Raad van Discipline Amsterdam 26-340/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:124 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-340/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een incasso/faillissementskwestie in alle onderdelen kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 15 juni 2026 in de zaak 26-340/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Noord-Holland (hierna: de deken) van 20 april 2026 met kenmerk mr/ss/25-164/2481928
en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 11.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft opgetreden voor de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor
het beroepsvervoer over de weg (PF Vervoer) en de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds
voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (SOOB,
tezamen ook de fondsen) in een geschil met de onderneming van klaagster.
1.2 Op 8 november 2022 heeft verweerder, namens de fondsen, de onderneming van
klaagster gesommeerd tot betaling van in de brief gespecificeerde premies, rente,
incassokosten en kosten voor een faillissementsaanvraag. Het totale bedrag van de
vordering is € 9.110,81.
1.3 In reactie op de sommatie heeft klaagster, zakelijk weergegeven, gevraagd
om een betalingsregeling.
1.4 Op 3 januari 2023 heeft verweerder daarop laten weten dat een betalingsregeling
mogelijk is, maar dat hoe dan ook een faillissementsverzoek zal worden ingediend omdat
de onderneming verkeert in een toestand waarin zij is opgehouden te betalen.
1.5 Op 6 januari 2023 heeft verweerder namens de fondsen een faillissementsaanvraag
ingediend tegen de onderneming van klaagster in verband met verschuldigde premies.
De in het verzoek genoemde bedragen zijn gelijk aan de bedragen in de sommatiebrief
van 8 november 2022. Het faillissementsverzoek is mondeling behandeld op 31 januari
2023. De behandeling vormde aanleiding voor overleg tussen partijen.
1.6 Op 8 februari 2023 heeft verweerder klaagster gevraagd om informatie over
werknemers/dienstverbanden bij de onderneming van klaagster. Ondanks reminders op
14 en 21 februari 2023 heeft klaagster hierop niet gereageerd.
1.7 Op 28 februari 2023 heeft verweerder aan klaagster laten weten dat loon-
en premiegegevens zijn aangeleverd en dat dat heeft geleid tot correcties van € 1.839,91
en € 350,- en dat deze bedragen in mindering strekken “op het bedrag zoals vermeld
in de sommatiebrief”. Het bedrag van € 350,- betreft een “correctie ambtshalve aanslag
SOOB”. Het bedrag van € 1.839,91 betreft correcties op de basispensioenregeling en
het aanvullende arbeidsongeschiktheidspensioen van PF Vervoer.
1.8 Op 21 maart 2023 heeft verweerder het volgende aan klaagster geschreven:
“Op grond van de sommatie d.d. 8 november 2022 was u verschuldigd: € 9.110,81. Daarop
is in mindering gestrekt € 1.839,91 en € 350,00, zodat resteert: € 6.920,90. Indien
het bedrag van € 6.920,90 niet binnen uiterlijk 48 uur is bijgeschreven op mijn derdengeldenrekening,
zal op 28 maart 2023 aan de rechtbank verzocht worden uw faillissement uit te spreken.”
1.9 Op 28 maart 2023 heeft een tweede behandeling van het faillissementsverzoek
plaatsgevonden. Op 28 maart 2023, voor de behandeling, heeft de onderneming van klaagster
een bedrag van € 840,04 betaald.
1.10 Op 21 april 2023 heeft verweerder, na een daartoe strekkend verzoek van
klaagster, een gespecificeerde opgave van de vordering naar klaagster gestuurd. De
vordering bedroeg op dat moment € 7.783,51. Het ging om hoofdsom, rente en incassokosten
van PF Vervoer en SOOB, kosten van de faillissementsaanvraag, kosten van de zittingen
op 31 januari en 28 maart 2023 en “nieuwe achterstanden” bij de fondsen.
1.11 Op 24 april 2023 heeft klaagster aan verweerder laten weten dat zij het
met de opgave niet eens is.
1.12 Uiteindelijk hebben de fondsen de faillissementsaanvraag in april 2023 ingetrokken,
omdat de vorderingen die eraan ten grondslag lagen werden betwist.
1.13 Op 19 december 2023 heeft PF Vervoer een dwangbevel uitgevaardigd tegen
de onderneming van klaagster voor de invordering van achterstallige premies, rente
en kosten tot een bedrag van € 5.267,55.
1.14 In een conceptdagvaarding van SOOB aan de onderneming van klaagster staat
dat SOOB een vordering heeft van € 1.000,94 bestaand uit achterstallige premies, rente
en kosten.
1.15 Op 23 december 2024 heeft verweerder de onderneming van klaagster gesommeerd
tot betaling van onbetaalde vorderingen tot een gespecificeerd bedrag van € 9.442,43.
Het gaat om € 6.541,65 “verschuldigd conform dwangbevel d.d. 19-12-2023”, € 900,78
aan premies rente, incassokosten en btw voor SOOB en € 2000,- “kosten faillissementsaanvraag”.
1.16 Op 15 januari 2025 is heeft verweerder wederom een verzoek tot faillietverklaring
van de onderneming van klaagster ingediend. Het verzoek is op 4 februari 2025 mondeling
behandeld.
1.17 Op 25 februari 2025 heeft verweerder een toelichting gestuurd naar de rechtbank.
Hij heeft geschreven dat de fondsen voor de premies een dwangbevel hebben uitgevaardigd,
waartegen geen verzet is ingesteld. Evenmin is er betaald, waardoor de vordering volgens
verweerder summierlijk vaststaat. Verweerder heeft verder geschreven dat de vordering
van de tweede aanvrager niet is betwist en nog moet worden voldaan, met als kanttekening
dat het gaat om ambtshalve opgelegde premies omdat de het SV loon over bepaalde periodes
niet bekend is gemaakt door de onderneming. Over bedragen heeft verweerder het volgende
geschreven:
“Voor gerekwestreerde zijn er voor de periode april 2019 t/m 1 april 2022 pensioenpremies
in rekening gebracht voor een bedrag van totaal € 15.574,73. Voor al deze nota’s heeft
gerekwestreerde zelf de gegevens aangeleverd voor de weknemers [B] en [Ő] (zie de
Excel bestanden). In de bijlage zit een rekening-courant. Voor de periode 2 april
2022 t/m december 2022 zijn er ambtshalve nota’s gefactureerd, omdat gerekwestreerde
zijn personeel niet uit dienst had gemeld. Dat is op 27-2-2023 voor een bedrag van
€ 1.839,81 gecorrigeerd (zie bijlage nota “correctienota april tm december 2022”).
Daarnaast heeft gerekwestreerde op of omstreeks 29-4-2022 met terugwerkende kracht
aanvullende gegevens aangeleverd over de periode april 2021 t/m maart 2022 (zie bijlage
nota “correctie april 2021 tm maart 2022”) voor een bedrag van € 2.361,04.
Totaal is er dan ook voor een bedrag van € 4.200,85 gecorrigeerd (€ 1.839,81 + €
2.361,04). Het bedrag van € 4.200,85 is verrekend met nota’s welke gerekwestreerde
wel had moeten voldoen, daar zit immers een betalingsverplichting op. Dat is te zien
in het rekening courant (PDF). Voor het restant verschuldigde van € 3.644,47 is het
dwangbevel uitgevaardigd (€ 5.429,31 - € 1.784,84 = € 3.644,47) vermeerderd met rente
en kosten. Nogmaals: tegen het dwangbevel is geen verzet ingesteld, zodat het dwangbevel
onherroepelijk is geworden.
Nu gerekwestreerde verkeert in een toestand waarin zij is opgehouden te betalen,
zal op 4 maart 2025 door mr. V(…) (cc) gepersisteerd worden bij de faillissementsaanvraag.
Deze e-mail is in cc ook toegezonden aan gerekwestreerde.”
1.18 In de reactie van 4 maart 2025 op het faillissementsverzoek heeft klaagster
onder meer geschreven dat verzet is ingesteld tegen het dwangbevel en dat zij “hierin
gelijk gekregen” heeft. Volgens klaagster heeft het pensioenfonds schriftelijk bevestigd
dat er sinds 2 april 2022 “geen personeel meer in dienst is”.
1.19 Op 4 maart 2025 heeft een tweede mondelinge behandeling van het faillissementsverzoek
plaatsgevonden.
1.20 Het faillissement van de onderneming van klaagster is op 18 maart 2025 uitgesproken.
In de beslissing staat onder meer het volgende:
“(…) In aanmerking genomen dat het dwangbevel in elk geval in het verzoek tot faillietverklaring
van 15 januari 2025 wordt genoemd, en dat verweerster in elk geval ter zitting van
4 februari 2025 over dit verzoekschrift beschikte, moet het er naar de rechtbank voor
worden gehouden dat het dwangbevel inmiddels onherroepelijk is geworden. (…)
Ten aanzien van de vordering van verzoekster sub 2 wordt door verzoeksters gesteld
dat het hier ambtshalve opgelegde premies betreft, die verweerster verschuldigd is
zolang zij het definitieve SVloon over 2020 niet heeft aangeleverd. Verweerster heeft
niet, althans onvoldoende gemotiveerd gesteld dat van een dergelijke aanlevering (inmiddels)
sprake is geweest. Daarmee staat ook de vordering van verzoekster sub 2 (summierlijk)
vast. (…)”
1.21 Op 21 maart 2025 heeft verweerder het volgende geschreven aan mr. B, advocaat
van klaagster:
“Wat is er fout gegaan? Op de dag van de zitting is de SOOB vordering voldaan, aldus
na indiening van het verzoek en daar is ook melding van gemaakt. Nogmaals het voorstel
is niet akkoord. Alle kosten zijn gemaakt en de korting is gebaseerd op de onjuiste
veronderstelling dat fouten zouden zijn gemaakt. Die zijn niet gemaakt.”
1.22 Tegen de beslissing waarbij het faillissement van de onderneming van klaagster
is uitgesproken is hoger beroep ingesteld.
1.23 Op 25 maart 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
1.24 Op 7 mei 2025 heeft de advocaat van klaagster een tweede uitstelverzoek
gedaan voor de mondelinge behandeling bij het gerechtshof. Deze reden voor het uitstelverzoek
is dat klaagster naar het ziekenhuis moest voor een afspraak in verband met een knie-tumor
waar zij eerder ook al voor was behandeld.
1.25 Verweerder heeft dezelfde dag als volgt gereageerd:
“Namens cliënten maak ik bezwaar tegen een nieuwe aanhouding. Het faillissement
is al enige tijd geleden uitgesproken en hoewel cliënten de situatie van failliet
betreuren, hechten zij ook aan een spoedige afwikkeling van de kwestie. Dit standpunt
is mede ingegeven door de aangehechte productie 23 waaruit blijkt dat sprake is van
een aanzienlijke schuld bij de Belastingdienst.
Indien uw hof toch beslist om de zaak aan te houden dan treft u hieronder de verhinderdata
aan: (…)”
1.26 Het hoger beroep tegen het faillissement is ingetrokken voordat het gerechtshof
uitspraak heeft gedaan.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft onzorgvuldig en misleidend gecommuniceerd.
Verweerder heeft herhaaldelijk onduidelijke en wisselende bedragen opgevoerd in
de correspondentie, zonder correcte onderbouwing of specificatie. De opgevoerde bedragen
liepen uiteen van € 6.1631,81 tot € 3.106,96 en later zelfs tot een vermeend dwangbevel
van € 5.267,65. Dit zonder duidelijkheid over de berekeningswijze of legitimiteit.
b) Verweerder heeft niet gereageerd op essentiële verzoeken.
Ondanks meerdere verzoeken, waaronder een verzoek van de rechtbank, heeft verweerder
geen duidelijk en volledig overzicht verstrekt van de gestelde vorderingen. Dit maakte
het onmogelijk om klaagster adequaat te verdedigen tegen de vorderingen.
c) Verweerder heeft de faillissementsaanvraag als incassomiddel heeft ingezet.
Verweerder heeft misbruik gemaakt van het faillissementsverzoek door dit structureel
in te zetten als drukmiddel, in strijd met jurisprudentie.
d) Verweerder heeft cruciaal bewijs genegeerd.
Herhaaldelijk is door klaagster aangetoond dat er sinds 2 april 2022 geen personeel
meer in dienst was, wat zowel door PF Vervoer als SOOB is bevestigd. Desondanks bleef
verweerder premies vorderen over deze periode, zonder deze feiten in de beoordeling
te betrekken.
e) Verweerder heeft relevante documenten verzwegen of genegeerd.
De zogenaamde dwangbevelen waarop verweerder zich baseerde, zijn nooit aan klaagster
verstrekt. Tevens werden deze niet genoemd in latere dagvaardingen (waaronder die
van Vesting Finance). Dat roept ernstige vragen op over hun daadwerkelijke uitvaardiging
en over de transparantie van de procesvoering.
f) Verweerder heeft in de hoger beroepszaak een onethische houding aangenomen
door geen rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van klaagster
In de hoger beroepszaak heeft de advocaat van klaagster namens klaagster een verzoek
gedaan tot uitstel van de zitting, wegens een mogelijk teruggekeerde tumor. Hiervoor
moet klaagster een reeks medische onderzoeken ondergaan, waaronder een afspraak op
de dag van de zitting. Ondanks deze zeer serieuze omstandigheden, reageert verweerder
met een volstrekt kille houding en maakt hij bezwaar tegen het uitstel. Dit terwijl
hij eerder zelf wegens tijdsgebrek om uitstel heeft gevraagd. Het is duidelijk dat
verweerder op geen enkele manier rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden
van klaagster en zich puur richt op de snelle afhandeling van de zaak, zonder oog
voor de menselijke kant. Deze houding gaat in tegen de kernwaarden van de advocatuur,
waarbij integriteit, zorgvuldigheid en respect voor de persoon centraal moeten staan.
Zijn gebrek aan empathie en medemenselijkheid acht klaagster in strijd met de ethische
normen die van een advocaat verwacht mogen worden.
g) Verweerder heeft zich in het kader van het hoger beroep tegen de faillissementsbeslissing
onbetamelijk gedragen.
Volgens klaagster heeft verweerder geweigerd om een schikking te beproeven. Toen
hij daar tijdens de zitting bij het gerechtshof toch toe bereid was, stelde hij de
onaanvaardbare eis dat klachten bij de deken het Kifid ingetrokken zouden worden.
173
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) onzorgvuldige en misleidende communicatie
4.2 Verweerder heeft aangevoerd dat hij wel overzichten heeft verstrekt en verwijst
daarvoor naar de correspondentie met de onderneming van klaagster.
4.3 De voorzitter stelt op basis van de onder de feiten weergegeven correspondentie
vast dat de aanvankelijke bedragen gaandeweg het debat over de betalingsverplichting
van de onderneming van klaagster zijn gewijzigd door een betaling en correcties doorgevoerd
door de fondsen. Verweerder heeft de wijzigingen telkens toegelicht en voorzien van
een onderbouwing. De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder op dit punt is
tekortgeschoten en klachtonderdeel a is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) niet reageren op essentiële verzoeken
4.4 Zoals hiervoor ook al overwogen heeft verweerder de bedragen telkens toegelicht,
in zijn correspondentie en in de processtukken. Op 21 april 2023 heeft verweerder
op verzoek van klaagster een toelichting gegeven op de vorderingen van de fondsen.
Naar het oordeel van de voorzitter is klachtonderdeel b kennelijk ongegrond. De voorzitter
voegt hier nog aan toe dat niet is gebleken dat verweerder (bewust) onjuiste informatie
heeft verstrekt.
Klachtonderdeel c) faillissementsaanvragen als incassomiddel
4.5 Verweerder heeft aangevoerd dat het geoorloofd is om faillissement in te
zetten als incassomiddel en dat het faillissement van de onderneming van klaagster
uiteindelijk ook is uitgesproken.
4.6 De voorzitter overweegt dat het verweerder vrijstond om namens de fondsen
het faillissement van de onderneming van klaagster aan te vragen, omdat betaling van
premies uitbleef. Dat het eerste verzoek is ingetrokken, brengt niet mee dat het als
een ongeoorloofd drukmiddel moet worden gekwalificeerd; de informatie die naar aanleiding
van het verzoek bekend werd gaf de fondsen aanleiding om het verzoek in te trekken.
Omdat vervolgens betaling nog altijd uitbleef is het tweede verzoek ingediend. Uit
de omstandigheid dat het tweede faillissementsverzoek is toegewezen volgt al dat faillissement
niet ten onrechte is aangevraagd. Klachtonderdeel c is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen d en e) bewijs/documenten verzwijgen en negeren
4.7 Verweerder heeft aangevoerd dat het tweede faillissementsverzoek is ingediend
met een dwangbevel als grondslag. Dat dwangbevel was volgens verweerder onherroepelijk,
omdat er tegen geen verzet was ingesteld. Of wel of geen personeel in dienst was,
was daarom niet relevant. Verweerder heeft er verder op gewezen dat er is verzocht
om ontbrekende gegevens aan te leveren. Als er geen personeel in dienst zou zijn geweest,
dan had het volgens verweerder op de weg van de onderneming van klaagster gelegen
om gegevens aan te leveren bij het pensioenfonds. Gebeurt dat niet, dan is de onderneming
de ambtshalve opgelegde premies verschuldigd.
4.8 De voorzitter stelt voorop dat het niet aan de tuchtrechter is om de juistheid
van het oordeel van de rechter die het faillissement heeft uitgesproken te toetsen.
De tuchtrechter kan wel beoordelen of verweerder op een goede manier is omgegaan met
de informatie die hij ter beschikking had.
4.9 Uit de correspondentie van verweerder blijkt dat hij al vanaf 8 februari
2023 heeft gevraagd om informatie over eventueel in de onderneming werkzaam personeel
en om opgave van het SV-loon. In het kader van de behandeling van het tweede faillissementsverzoek
heeft klaagster naar voren gebracht dat er vanaf april 2022 geen personeel meer in
dienst was. Uit de correspondentie van verweerder blijkt dat hij rekening heeft gehouden
met deze informatie. Hij heeft in zijn e-mail van 25 februari 2025 geschreven dat
klaagster nog het definitieve SV-loon tot en met 2 april 2022 moet aanleveren, en
dat er tot die tijd sprake is van ambtshalve opgelegde premies. Dat de onderneming
van klaagster het definitieve SV-loon niet heeft aangeleverd en dat daarom ambtshalve
premies zijn opgelegd kan verweerder niet worden verweten. De voorzitter wijst er
in dit verband op dat de rechter in de beslissing van 18 maart 2025 heeft aangenomen
dat het SV-loon over 2020 niet is opgegeven en dat het dwangbevel onherroepelijk is
geworden. De voorzitter heeft gelet op een en ander geen grond om aan te nemen dat
verweerder relevantie informatie heeft genegeerd of achtergehouden. Klachtonderdelen
d en e zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) geen rekening houden met persoonlijke omstandigheden klaagster
4.10 Verweerder heeft zakelijk gereageerd op het uitstelverzoek en heeft de belangen
van zijn cliënt bij voortzetting van het hoger beroep vooropgesteld. Dit stond hem
vrij en is niet onbetamelijk. Klachtonderdeel h is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g) voorwaarden stellen aan schikking
4.11 De voorzitter stelt voorop dat het verweerder vrij stond om aanvankelijk
het verzoek tot het beproeven van een schikking namens zijn cliënten van de hand te
wijzen, in aanmerking genomen dat de pensioenfondsen al enige jaren probeerden betaling
van de onderneming van klaagster te verkrijgen en dat het faillissement in eerste
aanleg was uitgesproken.
4.12 Het stond verweerder ook vrij om intrekking van de klacht bij Kifid namens
de fondsen als voorwaarde te stellen. Intrekking van de tuchtklacht als voorwaarde
voor een schikking is slechts onbetamelijk als daarmee ongeoorloofde druk wordt uitgeoefend.
Dat daarvan sprake was heeft klaagster onvoldoende onderbouwd. Klachtonderdeel g is
kennelijk ongegrond.
Slotsom
4.13 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing
van artikel 46j Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 juni 2026