ECLI:NL:TADRAMS:2026:123 Raad van Discipline Amsterdam 26-336/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:123 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-336/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij kennelijk ongegrond. Verweerster mocht uitgaan van de juistheid van het feitenmateriaal van haar cliënte. Daarnaast was het haar taak om het standpunt van haar cliënte te verkondigen. Dat klaagster het hier niet mee eens is, is inherent aan het onderliggende geschil tussen partijen en maakt niet dat verweerster een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
15 juni 2026
in de zaak 26-336/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 16 april 2024 (bedoeld wordt: 2026) met kenmerk 2482471/ EvR/AP, door de raad ontvangen op 16 april 2026 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klaagster op 13 mei 2026 nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is op 16 december 2024 benoemd tot mentor van mevrouw G. Mevrouw
G was, tot de datum van haar overlijden op 11 mei 2025, in zorg bij de Stichting Zorggroep
Amsterdam-Oost (hierna: de stichting).
1.2 Op 20 januari 2025 is de stichting een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank
Amsterdam gestart, waarin is verzocht om klaagster als mentor te ontslaan en een professionele
mentor voor mevrouw G te benoemen.
1.3 Eerder, op 5 januari 2025, is in dat kader door de executeur testamentair
een brief aan de rechtbank gestuurd over de opheffing en intrekking van het mentorschap
en de bewindvoering, ‘i.o. geschreven en ondertekend’ namens mevrouw G. In deze brief
is onder meer de volgende passage opgenomen:
“Wat mentorschap betreft, heb ik me tot mijn spijt laten misleiden door [klaagsters]
streven en dwangmatige behoefte zeggenschap te verkrijgen over mij, de leiding en
de medewerkers van het Flevohuis en voorheen ook al in hospice Kurla. Haar frequente
bezoeken en mensonterende bejegening hebben echter een averechts effect gesorteerd
en herhaaldelijk tot grote spanningen en ruzies in het Flevohuis geleid. Het Flevohuis
heeft zich zelfs ter bescherming van mij incidenteel genoodzaakt gezien haar buiten
de deur te zetten. Van haar strategisch overheersend optreden en laatdunkende uitingen
– eufemistisch uitgedrukt – is niemand gediend. Met deze gebiedende, de dienst uitmakende
persoonlijkheid valt niet samen te werken. U kunt dit alles natrekken bij Kurla, contactpersoon
(…) en het Flevohuis. Mw. is gewogen en helaas ongeschikt bevonden voor deze functie,
een grondige reden des te meer om uw beslissing hieromtrent te verwerpen. Om verdere
escalaties is te voorkomen verzoek ik, u dringend het mentorschap van onderhavige
mevrouw z.s.m. op te heffen en de bewindvoering en het mentorschap en tenuitvoerlegging
teniet te doen, zodat ik deze zaak als afgedaan kan beschouwen en eindelijk rust en
vrede heb.
(…)
Met vriendelijke groet,
Datum 5 januari 2025
I.o. geschreven en ondertekend
[mevrouw G]”
1.4 Op 11 februari 2025 heeft de stichting verweerster verzocht om juridische
bijstand te verlenen in deze procedure. Verweerster heeft diezelfde datum de rechtbank
geïnformeerd over haar betrokkenheid en aanvullende stukken ingediend waaronder hiervoor
weergegeven brief van 5 januari 2025. Verweerster heeft de stukken per e-mail aan
de rechtbank toegezonden.
1.5 Op 12 februari 2025 heeft verweerster een verklaring van de betrokken specialist
ouderengeneeskunde ingediend. Deze verklaring luidt als volgt, voor zover relevant:
“Wilsbekwaamheid en Mentorschap: Mevrouw geeft aan dat zij geen familie heeft en
graag een mentor wil die onafhankelijk haar belangen behartigt. Zij is wilsbekwaam
met betrekking tot haar dagelijkse verzorging en eenvoudige beslissingen. Zij kan
haar wensen met betrekking tot behandelbeperking en euthanasie goed uiten en overziet
de consequenties. Echter gezien haar lichamelijke kwetsbaarheid is het te verwachten
dat er momenten zullen komen waardoor ze door ziek zijn niet in staat is zelf beslissingen
te nemen.
Mevrouw heeft mij toestemming gegeven deze gegevens met de rechtbank te delen.”
1.6 Op 12 februari 2025 heeft klaagster een verweerschrift ingediend inzake het
verzoek tot wijziging van het mentorschap. Aan dit verweerschrift zijn drie bijlagen
gehecht. De derde bijlage betreft een tweetal brieven die verweerster als advocaat
van de stichting ook op 11 februari 2025 had ingediend. Verweerster heeft het verweerschrift
met bijlagen, zoals door klaagster op 12 februari 2025 ingediend, per e-mail van de
rechtbank ontvangen.
1.7 Op 13 februari 2025 heeft een zitting plaatsgevonden en bij beschikking van
17 februari 2025 heeft de rechtbank klaagster als mentor ontslagen en een onafhankelijke
professionele mentor voor mevrouw G benoemd.
1.8 Op 27 maart 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft een vervalst stuk ingebracht in de verzoekschriftprocedure;
b) Verweerster heeft het beginsel van hoor- en wederhoor geschonden;
c) Verweerster heeft ernstig onzorgvuldig en mogelijk misleidend gehandeld in
de verzoekschriftprocedure dat heeft geleid tot ontslag van klaagster als mentor van
mevrouw G.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Overwegingen vooraf
4.1 De voorzitter stelt voorop dat de tuchtrechter slechts oordeelt over de vraag
of de beklaagde advocaat zich heeft gedragen zoals dat een behoorlijk handelend advocaat
betaamt. De tuchtrechter oordeelt niet over de stellingen die zijn ingenomen in de
verzoekschriftprocedure die aan de klacht ten grondslag heeft gelegen. De voorzitter
wijst in het bijzonder op de repliek van klaagster, waarin zij gedetailleerd ingaat
op inhoudelijke aspecten van de onderliggende procedure. Omdat een tuchtklacht niet
de plaats is om het inhoudelijke debat over de onderliggende zaak over te doen, zal
dit alles in de beoordeling van deze tuchtzaak niet worden besproken.
Maatstaf
4.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen.
4.3 Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie
die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen
zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven
advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt
willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
4.4 Klaagster verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij met de brief
van 5 januari 2025 een vervalst stuk heeft ingebracht in de verzoekschriftprocedure.
De brief is niet door maar ‘in opdracht van’ mevrouw G ondertekend. Klaagster heeft
verwezen naar transcripties van twee geluidsbestanden van 27 april 2025, waarin mevrouw
G verklaart dat zij de brief niet kent, niet heeft geschreven of heeft laten schrijven.
Verweerster heeft voorafgaand aan indiening van de brief geen contact gezocht met
mevrouw G om de echtheid van het stuk te controleren. Mevrouw G was wilsbekwaam, maar
verlamd en volledig afhankelijk als bedlegerige patiënt in het Flevohuis. Verweerster
had de plicht om zich ten minste ervan te vergewissen of mevrouw G deze brief daadwerkelijk
had geschreven of ondertekend, maar heeft dat nagelaten. Dat de brief zou zijn geschreven
door een executeur testamentair terwijl mevrouw G nog niet eens was overleden, had
verweerster aan het twijfelen moeten brengen over de echtheid van de brief.
4.5 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster dient de belangen van haar cliënte,
de stichting, te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat de stichting aan
haar heeft verschaft en is slechts in uitzonderingsgevallen gehouden om de juistheid
ervan te verifiëren. Verweerster heeft toegelicht dat de bewuste brief van 5 januari
2025 door de testamentair executeur namens mevrouw G was opgesteld en ingediend. Er
was voor verweerster geen aanleiding om te twijfelen aan de van de stichting verkregen
informatie in het dossier. Bovendien was in het kader van de juridische procedure
ook met toestemming van mevrouw G een verklaring van een specialist ouderengeneeskunde
overgelegd van 12 februari 2025 waarin mevrouw G bevestigt dat zij een onafhankelijke
mentor wil. Daar komt bij dat klaagster tijdens de zitting geen bezwaar heeft gemaakt
tegen de ingebrachte brief. Verweerster meent op grond van deze omstandige dat zij
bij indiening van de brief van 5 januari 2025 mocht uitgaan van de juistheid ervan.
Ook de voorzitter is op grond van het klachtdossier niet gebleken van omstandigheden
op grond waarvan verweerster niet mocht uitgaan van de juistheid van de brief en nader
onderzoek hiernaar had moeten doen. De geluidsbestanden, die klaagster bij de deken
heeft overgelegd, dateren van 27 april 2025 en kunnen niet achteraf tot een ander
oordeel leiden. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.6 Klaagster verwijt verweerster in dit klachtonderdeel het beginsel van hoor-
en wederhoor te hebben geschonden. Hoewel klaagster partij was in de verzoekschriftprocedure,
ontdekte zij pas op de zitting dat de stichting verweerster als advocaat had ingeschakeld.
De brief van 11 februari 2025, waarin verweerster zich stelt namens de stichting en
waarmee zij aanvullende stukken indient en de brief van 12 februari 2025 waarmee verweerster
de verklaring van de betrokken specialist ouderengeneeskunde indient, heeft klaagster
niet voorafgaand aan de zitting van verweerster ontvangen. Daardoor had klaagster
geen mogelijkheid om zich te verweren tegen de inhoud van de brieven. Pas ruim een
maand na de uitspraak, op 18 maart 2025, heeft klaagster, na herhaald verzoek aan
de rechtbank, een afschrift van de brieven ontvangen. Het was verweersters verantwoordelijkheid
om klaagster de brieven te sturen en haar te horen over de inhoud ervan. Het enige
stuk dat klaagster kende voor de zitting was het verzoekschrift van de cliënte van
verweerster, de stichting.
4.7 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft verwezen naar het
Landelijk Procesreglement voor verzoekschriften bij de rechtbank, kanton, inzake curatele,
bewind en mentorschap (het procesreglement). Hierin is in artikel 1.1.10 bepaald dat
de griffie van de rechtbank zo nodig een kopie van alle processtukken, met uitzondering
van de medische stukken, aan alle belanghebbenden stuurt. Verweerster heeft toereikend
aangevoerd dat zij in overeenstemming met dit procesreglement en in overleg met de
rechtbank de stukken per e-mail aan de rechtbank heeft gestuurd. Verweerster mocht
er gelet op de werkwijze van de rechtbank op vertrouwen dat de stukken aan klaagster
zouden worden toegezonden. Verweerster heeft zelf ook via de rechtbank het verweerschrift
van klaagster ontvangen. Bovendien heeft klaagster tijdens de zitting op de stukken
kunnen reageren, zodat klaagster niet in haar belangen is geschaad. Al hetgeen klaagster
in dit kader verder naar voren heeft gebracht leidt de voorzitter niet tot een ander
oordeel.
Klachtonderdeel c)
4.8 Klaagster verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij ernstig onzorgvuldig
en mogelijk misleidend heeft gehandeld in de verzoekschriftprocedure dat heeft geleid
tot ontslag van klaagster als mentor van mevrouw G. Aan het eind van de zitting op
13 februari 2025 deelde verweerster een pleitnota uit als reactie op klaagsters verweerschrift.
Deze pleitnota bevatte nieuwe, ongefundeerde en beschadigende beschuldigingen aan
het adres van klaagster, waartegen klaagster zich niet meer kon verdedigen omdat de
zitting inmiddels was gesloten. Hoewel de rechter aangaf de pleitnota niet in de beoordeling
te betrekken, zijn volgens klaagster in de beschikking formuleringen terug te vinden
uit de pleitnota. Daarnaast heeft verweerster volgens klaagster in haar pleitnota
verdraaid wat mevrouw G zou hebben gezegd en heeft verweerster in haar verweer tegen
de klacht meerdere onjuistheden verkondigd.
4.9 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft gemotiveerd toegelicht
dat klaagster een onjuiste weergave van de feiten tijdens de zitting heeft geschetst.
Verweerster heeft de punten uit de pleitnota naar voren gebracht en vervolgens een
exemplaar van de pleitnota aan de rechter, griffier en klaagster overhandigd. In deze
pleitnota stond, aldus verweerster, geen informatie die niet tijdens het pleidooi
van verweerster aan de orde is gekomen. De zitting was op dat moment bovendien nog
niet gesloten. Daarmee is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake.
4.10 Verder is volgens verweerster met mevrouw G gesproken over haar wensen ten
aanzien van het mentorschap door de betrokken specialist ouderengeneeskunde en dit
is vastgelegd in een verklaring. In deze verklaring is volgens verweerster duidelijk
dat mevrouw G uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij een onafhankelijke mentor wil
en dat hiermee een professioneel door de rechtbank aan te stellen mentor wordt bedoeld.
Het staat verweerster als partijdig belangenbehartiger vrij om dit standpunt namens
de stichting te verkondigen. Dat klaagster het hier niet mee eens is, is inherent
aan het onderliggende geschil tussen partijen en maakt niet dat verweerster door namens
de stichting dit standpunt in te nemen een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.
De vraag of het door verweerster ingenomen standpunt juist is, valt buiten het bestek
van deze tuchtrechtelijke procedure. Klachtonderdeel c) is eveneens kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.11 De voorzitter komt tot de slotsom dat verweerster in haar bijstand aan de
stichting binnen de grenzen van het betamelijke is gebleven. Al hetgeen klaagster
verder heeft gesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden. Op grond van het voorgaande
zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom in
alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 juni 2026