ECLI:NL:TADRAMS:2026:122 Raad van Discipline Amsterdam 26-334/A/A 26-335/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:122 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaten van de wederpartij in een civiele procedure. Van onnodig grievende uitlatingen of het verkondigen van onwaarheden is niet gebleken. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
15 juni 2026
in de zaken 26-334/A/A en 26-335/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerders
gemachtigde verweerders: mr. J. Mencke
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 16 april 2026 met kenmerk 2511962/JHS/AS, door de raad ontvangen op eveneens 16 april 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.Tevens heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klaagster op 11 mei 2026 nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster was getrouwd met cineast wijlen de heer M (hierna: M). M was aandeelhouder
en bestuurder van een besloten vennootschap, die films en documentaires produceerde
die hij maakte in samenwerking met andere makers (hierna: het productiebedrijf). Een
aantal documentaires is vastgelegd als de Holland Heritage serie (hierna: de werken).
Klaagster is de erfgenaam van M.
1.2 De heer S (hierna: S) is directeur van een uitgeverij en distributeur van
films en tv-series (hierna: de distributeur).
1.3 In 2009 is S in contact gekomen met M met het oog op een samenwerking waarbij
S de werken van M zou gaan distribueren. Na een proefperiode hebben de distributeur
en het productiebedrijf op 11 november 2010 twee licentieovereenkomsten gesloten.
1.4 Op enig moment is het productiebedrijf in financiële problemen geraakt en
op 28 augustus 2012 is het failliet verklaard. Na het faillissement liepen de licentieovereenkomsten
nog door.
1.5 De distributeur stelt zich op het standpunt dat zij op 3 december 2012 met
de curator een activa-overeenkomst heeft gesloten (hierna: de activa-overeenkomst)
en dat zij op grond van deze overeenkomst voor een bedrag van € 9.075,- een voorraad
dvd's en (beeld)merk- en auteursrechten van de werken - waaronder alle rechten uit
de tussen de distributeur en het productiebedrijf gesloten licentieovereenkomsten
- heeft overgenomen uit de boedel. Volgens de distributeur zijn de genoemde beeldmerkrechten
van de werken die door het productiebedrijf waren geregistreerd, gewijzigd bij het
Benelux Merkenregister.
1.6 Kort na het uitgesproken faillissement van het productiebedrijf is M overleden.
Klaagster heeft vervolgens als de erfgenaam van M de geldigheid van de activa-overeenkomst
betwist en zich vanaf 2013 op het standpunt gesteld dat zij rechthebbende is van de
werken. Volgens klaagster heeft M de werken nooit overgedragen aan het productiebedrijf,
waardoor de werken nooit in de inboedel van de curator zijn gevallen.
1.7 In verband met het geschil tussen klaagster en de distributeur zijn verweerders
gaan optreden als advocaten van de distributeur. Klaagster heeft vervolgens in 2016,
2017 en 2018 via verschillende advocaten sommaties gestuurd aan de distributeur.
1.8 Op 23 december 2024 heeft klaagster zowel de distributeur als de curator
gedagvaard en gevorderd te verklaren voor recht dat zij de rechthebbende is van de
werken, met verder diverse daarop voortbordurende vorderingen. In het kader van deze
procedure hebben verweerders namens de distributeur op 12 maart 2025 een conclusie
van antwoord ingediend en deze voorzien van een aantal producties, waaronder productie
8 “voorschotten op royalty’s” en productie 9 “leningen van [de geluidsman] aan [M]
ihkv toetreding [productiebedrijf].”
1.9 Op 14 augustus 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerders
ingediend. Nadat de deken klaagster bij e-mail van 15 augustus 2025 had gewezen op
de vervaltermijn, heeft klaagster geantwoord dat een deel van haar klacht juist actueel
is aangezien de mondelinge behandeling van de procedure zou plaatsvinden op 26 augustus
2025. Klaagster heeft de deken laten weten deze mondelinge behandeling te willen afwachten.
1.10 Op 26 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verweerders
hebben zich tijdens de mondelinge behandeling bediend van spreekaantekeningen. Hierin
is onder meer het volgende vermeld:
(i) “Het zag er zonnig uit, maar helaas schoven er al snel wolken voor de zon. Dat
had niets te maken met het feit dat de exploitatie niet goed verliep, die verliep
uitstekend, maar had alles te maken met het feit dat [M] een gat in zijn hand bleek
te hebben. En niet zomaar eentje.”
(ii) “[M] kwam vaak bij [S] bedelen om een voorschot op de royalty's uit de exploitatie,
daaraan gaf [S] in het begin gehoor, maar hij begreep ook dat dit geen houdbare situatie
was.”
1.11 Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een schikking getroffen
die is vastgelegd in een proces-verbaal van 28 augustus 2025.
1.12 Bij brief van 9 september 2025 heeft klaagster de deken bericht uiteindelijk
alleen een klacht in te dienen over het handelen van verweerders bij het indienen
van de conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk
verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerders het volgende:
a) verweerders hebben zich tijdens de mondelinge behandeling van 26 augustus
2025 onnodig grievend jegens klaagster uitgelaten;
b) verweerders hebben in de producties 8 en 9 bij de conclusie van antwoord onwaarheden
verkondigd door in beide producties dezelfde data met bedragen te noemen met verschillende
juridische kwalificaties.
3 VERWEER
3.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaten van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
4.2 Klaagster verwijt verweerders dat zij zich tijdens de mondelinge behandeling
van 26 augustus 2025 onnodig grievend jegens haar hebben uitgelaten. Ter onderbouwing
van haar verwijt heeft klaagster verwezen naar passages uit de spreekaantekeningen
weergegeven onder de feiten bij randnummer 1.10. Volgens klaagster had het verweerders
gepast om M niet te benoemen als haar voormalig echtgenoot, maar als wijlen haar echtgenoot.
In de spreekaantekeningen is M beschreven als iemand die “een gat in zijn hand bleek
te hebben, en niet zomaar eentje” en dat hij “vaak kwam bedelen om een voorschot op
de royalty’s bij de distributeur.” Deze uitlatingen zijn niet alleen denigrerend en
suggestief, maar ook feitelijk onjuist. De man van klaagster heeft zijn producties
volledig uit eigen middelen gefinancierd en slechts één voorschot (op Q1 2011) gevraagd,
dat bovendien direct is verrekend met de royalty’s. De hele gang van zaken heeft klaagster
diep geraakt. Niet alleen vanwege de onwaarheden, maar ook door de toon en het gebrek
aan respect voor haar overleden man (M) die met grote inzet cultureel erfgoed heeft
vastgelegd in de werden. De grievende uitlatingen van verweerders tasten de reputatie
van M aan en ondermijnen het recht van klaagster op een eerlijke behandeling. Verweerders
hebben er alles aan gedaan om M in kwaad daglicht te stellen. Bovendien is het onjuist
is dat M de werken met een akte zou hebben overgedragen aan het productiebedrijf.
4.3 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Hoewel de voorzitter begrijpt dat klaagster
zich onaangenaam getroffen voelde door de stellingen die verweerders namens hun cliënte
in hun spreekaantekeningen over M hebben verkondigd, kwalificeren deze in de context
van het geschil niet als onnodig grievend. Daarvan is pas sprake als de grievende
bewoordingen (bijvoorbeeld) in redelijkheid geen bijdrage kunnen leveren aan het debat
waarbinnen de bewoordingen zijn gebruikt (zie onder meer Hof van Discipline, 19 juni
2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:91) en dat is de voorzitter niet gebleken. Verweerders hebben
gemotiveerd toegelicht dat zij met deze twee stellingen namens hun cliënte (de distributeur)
duidelijk hebben willen maken dat M in de aanloop naar het faillissement veelvuldig
om geld vroeg - in de vorm van voorschotten en/of leningen - en dat dit bij de cliënte
van verweerders de indruk had gewekt dat M zijn financiën niet op orde had. Hierbij
speelde, aldus verweerders, een rol dat M ook bij zijn eigen geluidsman aanzienlijke
schulden had opgebouwd, zodanig dat de geluidsman het faillissement van het productiebedrijf
heeft aangevraagd. In een gesprek met de geluidsman heeft hij aan verweerders verklaard
dat M een gat in zijn hand had en beloftes had gedaan die hij niet nakwam. Binnen
deze context stond het verweerders vrij naar voren te brengen dat M een gat in zijn
hand had en dat hij meermaals bij S en de geluidsman kwam bedelen om een voorschot.
Die uitlatingen, hoewel pijnlijk, zijn naar het oordeel van de voorzitter niet lichtvaardig
gedaan maar op relevante aanwijzingen gebaseerd en daarmee derhalve niet onnodig grievend.
4.4 De vragen die partijen (onder meer) verdeeld houden, namelijk of M eenmaal
of meerdere malen voorschotten op royalty’s heeft ontvangen en of M de werken heeft
overgedragen aan het productiebedrijf, vallen buiten de context van deze tuchtrechtelijke
procedure. Het behoort niet tot de taak van tuchtrechter om een oordeel te geven over
de juistheid van de ingenomen standpunten in het onderliggende geschil. Dat is voorbehouden
aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat verweerders bewust onjuiste informatie
hebben verschaft over deze zaken en daarmee de hiervoor bij randnummer 4.1 genoemde
maatstaf hebben overtreden. Dat is de voorzitter niet gebleken. Klachtonderdeel a)
is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.5 In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerders dat zij in de producties
8 en 9 bij de conclusie van antwoord onwaarheden hebben verkondigd door in beide producties
dezelfde data met bedragen te noemen met verschillende juridische kwalificaties. In
productie 8 hebben verweerders deze bedragen gekwalificeerd als “voorschotten uit
royalty’s” en in productie 9 als “geleende gelden van [de geluidsman]”. Deze dubbele
kwalificatie roept volgens klaagster ernstige vragen op over de transparantie en zorgvuldigheid
van de procesvoering. Het is volgens klaagster klachtwaardig om één en dezelfde betaling
onder verschillende juridische grondslagen te presenteren, zonder nadere toelichting
of onderbouwing. Dit kan de rechter en de wederpartij op het verkeerde been zetten
en leidt tot verwarring over de aard van de vordering. Verweerders hadden zich moeten
onthouden van misleidende stellingen en dienen de feiten en rechtsgronden op integere
wijze te presenteren. Volgens klaagster is door de dubbele kwalificatie van de bedragen
sprake van onzorgvuldige procesvoering en zelfs mogelijke misleiding.
4.6 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerders hebben toereikend toegelicht
dat de twee documenten zijn overgelegd ter onderbouwing van de (onbetwiste) stelling
dat M zowel zakelijk als privé grote schulden had opgebouwd bij de geluidsman. Verweerders
hebben, anders dan klaagster stelt, niet betoogd dat het om dubbele betalingen zou
gaan. Deze stukken onderbouwen slechts de stelling dat M in geldproblemen zat en dringend
geld nodig had. Daarbij zijn de stukken complementair aan elkaar. De als productie
8 overgelegde bankafschriften geven niet het volledige beeld. Productie 9 geeft een
uitgebreider beeld van de grote hoeveelheid leningen die de geluidsman aan M had verstrekt.
Naar het oordeel van de voorzitter mochten verweerders in het belang van hun cliënte
deze stukken in het geding brengen om daarmee het standpunt van hun cliënte dat M
in die periode veel geld moest lenen omdat hij in financieel zwaar weer zat te onderbouwen.
Dat was immers in het belang van hun cliënte en verweerders hebben dit partijbelang
te dienen.
4.7 De voorzitter overweegt verder dat verweerders genoegzaam hebben onderbouwd
dat zij geen aanleiding hadden te twijfelen aan de juistheid van de overgelegde documenten,
temeer ook omdat deze mede aan de basis hadden gelegen van het door de geluidsman
aangevraagde faillissement van productiebedrijf. Ook de voorzitter is niet gebleken
van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerders nader onderzoek hadden
moeten doen naar deze documenten. Het is de voorzitter dan ook niet gebleken dat verweerders
onjuiste feiten hebben geponeerd, laat staan dat zij misleidende stellingen hebben
gepresenteerd. Klachtonderdeel b) is eveneens kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.8 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerders
niet de grenzen hebben overschreden van de vrijheid die zij als advocaat van de wederpartij
hadden, en dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klaagster hebben gehandeld.
Ook al hetgeen klaagster verder heeft gesteld (voor zover al tijdig), rechtvaardigt
niet de conclusie dat klaagster door het handelen van verweerders onnodig of onevenredig
in haar belangen is geschaad.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht over verweerders (26-334/A/A en 26-335/A/A) met toepassing van artikel
46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 juni 2026