ECLI:NL:TADRAMS:2026:121 Raad van Discipline Amsterdam 26-333/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:121 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-333/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij over de aankondiging van incassomaatregelen, waaronder de mogelijkheid van een faillissementsverzoek, kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
15 juni 2026
in de zaak 26-333/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 16 april 2026 met kenmerk 2530331/ER/AP en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft een onderneming.
1.2 Verweerster heeft opgetreden voor een incassobureau. Het incassobureau stelde
een vordering te hebben op de onderneming van klager.
1.3 Verweerster heeft klager bij e-mailbericht van 6 februari 2025 gesommeerd
om binnen drie dagen openstaande facturen van het incassobureau te voldoen, vermeerderd
met rente en incassokosten.
1.4 Klager heeft op 6 februari 2025 gereageerd en geschreven dat hij op de hoogte
is van de “onrechtmatige vordering”. Klager heeft verweerster verzocht om “zsm een
dagvaardingsprocedure te starten”. Klager wil daarin de “oplichtingspraktijken” van
het incassobureau voorleggen aan de rechter. Klager heeft verweerster verzocht om
geen herinneringen meer te sturen en om “zsm juridische procedures te starten”.
1.5 In een e-mailbericht van 24 februari 2025, 11:33 uur, heeft verweerster aan
klager geschreven dat hij, ondanks eerdere sommaties, nog niet (geheel) aan zijn betalingsverplichtingen
had voldaan. Verweerster heeft klager laten weten dat zij haar cliënte had geadviseerd
om het faillissement van de onderneming van klager aan te vragen en dat zij al was
begonnen met het opstellen van een verzoekschrift.
1.6 Klager heeft bij e-mailbericht om 11:35 uur diezelfde dag als volgt gereageerd:
“Je mag zoals ik al heb verzocht de faillissementsprocedure aanvragen. Ik zie jullie
wel bij de rechtbank.”
1.7 Bij e-mailbericht van 25 februari 2025, 11:21 uur, heeft klager het volgende
aan verweerster geschreven:
“Hierbij wil ik jullie verzoeken om direct te stoppen met bluf poker spelen!
Jullie weten heel goed dat het niet mogelijk is om een faillissement aan te vragen
met slechts één schuldeiser. Ook ben ik nooit begonnen met betalen van jullie facturen.
Enkel de incassokosten en juridische procedure tegen mij schuldenaar zijn netjes op
tijd betaald. [Verweerster] heeft als advocaat een zorgplicht en dan moet je op een
eerlijke manier de belangen van je cliënt behartigen. Dit is helaas niet het geval
en is schandalig te noemen. Een minder vergaande procedure is een dagvaarding en dat
zie ik graag tegemoet.
Ik heb [incassobureau] met goed vertrouwen ingeschakeld zonder te weten dat jullie
niet transparant zullen zijn over de kosten. Het is vanzelfsprekend om in ieder geval
een inschatting te maken van de kosten en om dat vooraf te bespreken met jullie klanten.
Ook als daar niet direct om worde gevraagd. Dit is misleidend. Ik kan mij voorstellen
dat door jullie werkwijze honderden hardwerkende ondernemers gedupeerd worden en dat
de juridische procedures zich opstapelen. Blijkbaar halen jullie hier voldoening uit.
Hou op met dit soort praktijken en schaam je diep.
Stuur een dagvaarding en we zien elkaar bij de rechtbank. Anders maken jullie geen
kans.”
1.8 Verweerster heeft op 25 februari 2025 om 12:58 uur als volgt geantwoord:
“Het is spijtig dat u ervoor kiest om bedreigingen te uiten in laats van deze zaak
op een normale en zakelijke manier op te lossen. Ik had open gestaan voor een gesprek,
maar u laat duidelijk zien dat u die mogelijkheid niet wilt benutten.
Laat één ding helder zijn: ik laat mij niet intimideren. Uw dreigementen, waaronder
“je speelt met vuur”, zijn volledig onacceptabel. Ik heb dit inmiddels vastgelegd
en als u zich opnieuw aan dergelijke uitlatingen schuldig maakt, zal ik direct aangifte
doen bij de politie.
Dat verandert niets aan de feiten: de vordering blijft onverminderd verschuldigd.
Als u dit serieus wilt oplossen, dan weet u wat u te doen staat.”
1.9 Hierop heeft klager per e-mail gereageerd, uit het dossier blijkt niet wanneer
precies. Klager heeft in zijn bericht duidelijk gemaakt dat hij de vordering van het
incassobureau niet zal voldoen zonder tussenkomst van de rechter.
1.10 Op 3 april 2025 heeft klager verweerster een e-mailbericht gestuurd waarin
hij heeft aangekondigd dat hij bij de deken een klacht zal indienen over verweerster,
omdat zij hem niet had mogen “bedreigen met een faillissement”, terwijl zij wist dat
klager maar een schuldeiser had.
1.11 Op 10 oktober 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
2.2 Verweerster heeft onzorgvuldig en onprofessioneel gehandeld. Volgens klager
heeft verweerster haar zorgplicht als advocaat geschonden.
2.3 Ter onderbouwing heeft klager, zakelijk weergegeven, gesteld dat verweerster
hem namens het incassobureau heeft aangeschreven om hem tot betaling te sommeren.
Nadat klager liet weten dat hij niet tot betaling zou overgaan heeft verweerster laten
weten dat zij faillissement zou aanvragen. Hoewel klager liet weten dat er geen sprake
was van meerdere schuldeisers, bleef verweerster toch vasthouden aan haar voornemen
om faillissement aan te vragen. Verweerster heeft miskend dat er meer voor de hand
liggende manieren waren om de kwestie op te lossen.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 De klacht richt zich tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Dit
betekent dat de klacht moet worden beoordeeld aan de hand van de door het Hof van
Discipline gehanteerde maatstaf dat de advocaat van de wederpartij een grote mate
van vrijheid toekomt de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem
goeddunkt. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden begrensd indien
de advocaat (1) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, (2) feiten naar
voren brengt waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zij in strijd met de
waarheid zijn, of indien (3) de advocaat (anderszins) bij de behartiging van de belangen
van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder
dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Met betrekking tot de onder (2) genoemde
beperking moet in ogenschouw worden genomen dat de advocaat de belangen van zijn cliënt
dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft
en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts
in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren.
4.2 De voorzitter zal het optreden van verweerster aan de hand van deze maatstaf
beoordelen.
Beoordeling
4.3 Verweerster heeft namens haar cliënt geprobeerd om een door haar cliënt gestelde
vordering op klager te incasseren. Zij heeft klager tot betaling gesommeerd op 6 februari
2025. Op 24 februari 2025 heeft zij klager laten weten dat zij haar cliënt had geadviseerd
om faillissement van klager aan te vragen. Dit alles stond haar vrij. Verweerster
mocht immers uitgaan van de juistheid van de door haar cliënt gestelde vordering op
klager. De stelling van klager dat er ook andere opties waren, wat daar ook van zij,
maakt het advies van verweerster aan haar cliënt om het faillissement van klager aan
te vragen in relatie tot klager niet onbetamelijk. Het was een van de mogelijkheden
die verweerster haar cliënt mocht adviseren. De voorzitter kan begrijpen dat de aankondiging
van een faillissementsverzoek voor klager onprettig of misschien zelf bedreigend was,
maar ook dat maakt deze aankondiging niet onbetamelijk. Het is passend binnen de bijstand
die verweerster aan haar cliënt verleende. De klacht is in zoverre kennelijk ongegrond.
4.4 In haar verweer heeft verweerster naar voren gebracht dat het faillissementsverzoek
niet is ingediend, omdat haar cliënt had geconcludeerd dat klager onvoldoende verhaal
zou bieden.
4.5 Volgens klager had verweerster dit ook voor haar aankondiging van het faillissement
kunnen en moeten weten en toont het aan dat de aankondiging van het faillissement
onnodig en disproportioneel was. Klager concludeert dat verweerster de aankondiging
van het faillissement louter als drukmiddel heeft gebruikt.
4.6 Het is evident dat verweerster de mogelijkheid van een faillissement heeft
gebruikt in haar pogingen om, namens haar cliënt, klager tot betaling te bewegen.
Dat de aankondiging van een faillissementsverzoek als middel is gebruikt om druk uit
te oefenen om klager tot betaling te bewegen valt binnen de vrijheid die verweerster
toekomt om de belangen van haar cliënt te behartigen. Dat de cliënt van verweerder
uiteindelijk heeft afgezien van het indienen van een faillissementsverzoek, omdat
klager mogelijk onvoldoende verhaal biedt, maakt de aankondiging van het verzoek niet
onbetamelijk. De klacht is ook in zoverre kennelijk ongegrond.
4.7 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j van de Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter:
verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 juni 2026