We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRAMS:2026:120 Raad van Discipline Amsterdam 26-311/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:120
Datum uitspraak: 15-06-2026
Datum publicatie: 22-06-2026
Zaaknummer(s): 26-311/A/NH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Confraternele correspondentie/schikkingsonderhandelingen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Verweerster heeft een brief van klager, de advocaat van de wederpartij, in een procedure overgelegd. Geen sprake van schending gedragsregel 26; klager had vertrouwelijkheid niet bedongen. Ook geen sprake van schending van gedragsregel 27, omdat de brief van klager niet kan worden gezien als onderdeel van schikkingsonderhandelingen.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 15 juni 2026 in de zaak 26-311/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:
   
verweerster


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 13 april 2026 met kenmerk re/ss/25-238/2490701 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. De voorzitter heeft verder kennisgenomen van de brief van verweerster van 5 mei 2026, met bijlagen.  


1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    In een geschil na de beëindiging van een relatie staat klager de vrouw bij en verweerster de man. De man en de vrouw hebben samen een minderjarige dochter. Tussen de man en de vrouw bestaan geschillen rondom de omgang met de dochter en over de gezamenlijke woning. 
1.2    Bij brief van 14 februari 2025 heeft klager een voorstel gedaan om te komen tot een omgangsregeling met de dochter. 
1.3    Op 21 februari 2025 heeft klager, namens de vrouw, een verzoekschrift tot vaststelling van een omgangsregeling ingediend. 
1.4    Op 25 februari 2025 heeft klager, namens de vrouw, de man in kort geding gedagvaard.
1.5    Bij brief van 26 februari 2025 heeft verweerster gereageerd op de brief van klager van 14 februari 2025 over, zakelijk weergegeven, de omgang met de dochter. 
1.6    Op 26 februari 2025 heeft verweerster, namens de man, een brief gestuurd aan klager. Hierin heeft zij onder andere het volgende geschreven: 
“Omdat cliënt uw cliënt zo spoedig mogelijk wil uitkopen wordt uw cliënte verzocht binnen één week na heden de namen van 3 makelaars op te geven die wat uw cliënte betreft de woning van partijen bindend mogen taxeren. Cliënt zal vervolgens één hiervan uitzoeken en op verzoek van beide partijen zal dan de taxatie kunnen plaatsvinden. Uiteraard staat het beide partijen vrij om aanwezig te zijn bij deze taxatie. Cliënt zal vervolgens uw cliënte uitkopen tegen het bedrag waarvoor de woning is getaxeerd”.
1.7    Op 10 maart 2025 heeft verweerster haar brief van 26 februari 2025 nog eens onder de aandacht van klager gebracht. 
1.8    Bij brief van 12 maart 2025 heeft klager, namens de vrouw, aan verweerster geschreven dat de vrouw, vanwege gedragingen van de man, de sloten van de woning heeft veranderd en dat de vrouw met de dochter in de woning zal blijven. In de brief staat verder het volgende:   
“(…) Daarnaast heeft te gelden dat uw cliënt cliënte bij het uiteengaan heeft beloofd dat cliënte en Chelsey met uitsluiting van uw cliënt in de woning mochten blijven wonen totdat [dochter] naar de middelbare school gaat. 
Cliënte houdt uw cliënt aan die toezegging. Indien uw cliënt op die uitdrukkelijke toezegging terug wenst te komen dan is cliënte van haar zijde ook niet bereid om überhaupt verder van gedachten te wisselen of en zo ja onder welke voorwaarden, zij bereid zou zijn om mee te werken aan de overname van de woning door uw cliënt mety ontslag van cliënte uit de hoofdelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen.  
Kortom: indien uw cliënt medewerking in der minne wenst te verkrijgen van client zodat hij kan trachten de woning en de hypotheek over te nemen – cliënte betwist overigens bij gebreke van een nadere financiële onderbouwing dat dit voor uw client mogelijk zou zijn – stelt cliënte daaraan als voorwaarde dat zij totdat [dochter] naar de middelbare school gaat, met haar het voortgezette gebruik van de woning zal hebben. Indien uw cliënt met deze voorwaarde om hem moverende reden niet in kan stemmen, dan heeft verder overleg wat cliënte betreft, helaas geen zin. Dat betekent voor nu – volledigheidshalve – dat zij het voorstel van uw cliënt inzake de woning van de hand wijst. (…)”   
1.9    Op 24 maart 2025 heeft verweerster, namens de man, een eis in reconventie ingediend in het kort geding.
1.10    Op 17 april 2025 heeft verweerster een akte wijziging van eis in reconventie ingediend. De akte wijziging van eis in reconventie bevat vorderingen betreffende de gezamenlijke woning. In de akte is onder meer het volgende opgenomen:   
“(…) 3. De man wil terugkeren naar de gezamenlijke woning van partijen. Voorts wenst hij de vrouw uit te kopen, zodat de man in deze woning kan blijven wonen en hij in de vertrouwede omgeving van [dochter] omgang kan hebben met haar.” (…)
8. Bij brief van 12 maart 2025 (productie 7) laat de advocaat van de vrouw weten dat de vrouw niet van zins is om de woning te verlaten omdat zij geen enkele mogelijkheid heeft – ook niet bij haar moeder – om op korte termijn andere (al dan niet tijdelijk woonruime voor haar en [dochter] te vinden. 
9. Voorts stelt de vrouw dat de man zou hebben beloofd – des neen – dat zij en [dochter] bij uitsluiting van de man in de woning mochten blijven wonen totdat [dochter] naar de middelbare school zou gaan. De man heeft dit echter nimmer aan de vrouw toegezegd. (…)
12. In de brief van 12 maart 2025 geeft de vrouw nog eens expliciet aan dat zij niet bereid is om überhaupt van verder van gedachten te wisselen over de vraag of en zo ja en onder welke voorwaarden zij bereid zou zijn om mee te werken aan de overname van de woning door de man. (…)“
1.11    Op 17 april 2025 heeft de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden. 
1.12    Op 30 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. 
2.2    Verweerster heeft de hiervoor onder 1.8 weergegeven brief van 12 maart 2025 gevoegd bij de in 1.10 bedoelde akte. Verweerster heeft aldus zonder toestemming van klager confraternele correspondentie met daarin informatie over schikkingsonderhandelingen aan de rechter overgelegd. 

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De tuchtrechter is daarbij niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.2    Bij de beoordeling van deze klacht zijn gedragsregels 26 en 27 van belang. In gedragsregel 26 is bepaald dat, onverminderd het bepaalde in regel 27, een advocaat die aan een andere advocaat mededelingen wenst te doen die hij vertrouwelijk behandeld wil zien, dit verlangen duidelijk kenbaar dient te maken vóór de verzending van de eerste van deze mededelingen. In gedragsregel 27 is bepaald dat omtrent de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen aan de rechter aan wiens oordeel of instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen, niets mag worden medegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij.
4.3    Vast staat dat verweerster de brief van klager van 12 maart 2025 aan de rechter heeft voorgelegd. Klager stelt zich op het standpunt dat verweerster daarmee in strijd met gedragsregels 26 en 27 heeft gehandeld en dat dat onbetamelijk is. De voorzitter wijst dit standpunt af en licht dit als volgt toe. 
4.4    Gesteld noch gebleken is dat klager voorafgaand aan de verzending van de brief van 12 maart 2026 aan verweerster heeft laten weten dat hij de brief, of delen ervan, als vertrouwelijk behandeld wilde zien. De voorzitter kan aldus niet vaststellen dat verweerster op dit punt heeft gehandeld in strijd met de gedragsregels, laat staan dat sprake is van onbetamelijk handelen. De klacht is in zoverre kennelijk ongegrond. 
4.5    Naar het oordeel van de voorzitter is evenmin sprake van schending van het bepaalde in gedragsregel 27. Van schikkingsonderhandelingen is sprake als partijen proberen hun geschil minnelijk op te lossen. Daarvan is sprake als partijen over en weer voorstellen doen en bereid zijn tot het onderzoeken van de mogelijke oplossingen. De inhoud van de brief van 12 maart 2025 kan naar het oordeel van de voorzitter niet worden gezien als een verkenning om de kwestie rondom de woning minnelijk te schikking. De brief bevat veeleer een opgave van standpunten en voorwaarden. Enige mate van welwillendheid ten aanzien van een minnelijk oplossing schikking blijkt niet uit de brief. Dit betekent dat van schending van het bepaalde in gedragsregel 27 en daarmee van een onbetamelijke gedraging geen sprake is. De klacht is ook in zoverre kennelijk ongegrond. 
4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 15 juni 2026