ECLI:NL:TADRAMS:2026:119 Raad van Discipline Amsterdam 26-432/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:119 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-432/A/NH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij treft geen doel. Voor zover de klacht (ook) is ingediend door de advocaat van klaagster, is de klacht (grotendeels) kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtsreeks eigen belang. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 12 juni 2026 in de zaak 26-432/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster 1
en
klaagster 2
samen ook: klaagsters
gemachtigde: klaagster 2
over:
verweerder
Op 12 november 2024 heeft klaagster 1 bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Gelderland een klacht ingediend over verweerder. De deken van die
orde heeft de voorzitter van het hof bij e-mail van 18 november 2024 verzocht om de
klacht over verweerder te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling,
omdat verweerder lid van de raad van discipline is in het ressort waar hij advocaat
is.
Bij verwijzingsbeslissing van 28 november 2024 is voor onderzoek en afhandeling
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de
deken) aangewezen. De deken heeft na afronding van zijn onderzoek, de klacht bij brief
van 19 mei 2026 met kenmerk re/ss/24-562/2388405 aan de raad van discipline Amsterdam
(hierna: de raad) voorgelegd.
De plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de brief van de deken van 19 mei 2026 en van de op de inventarislijst genoemde
bijlagen 1 tot en met 7 (A-klachtdossier) en 8 (B-Overige correspondentie).
Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de volgende stukken:
- de e-mail van klaagster 2 van 5 juni 2026 met bijlagen;
- de e-mail van klaagster 2 van 8 juni 2026 (13:37 uur);
- de e-mail van verweerder van 8 juni 2026 met bijlage (14:33 uur).
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster 1 was op 14 februari 2021 betrokken bij een aanrijding, waarbij
zij stelt letsel te hebben opgelopen. De veroorzaker van deze aanrijding was de heer
P (hierna: P).
1.2 De risicodrager van het betrokken voertuig dat werd bestuurd door P was ten
tijde van het ongeval ABN AMRO SCHADEVERZEKERING N.V. De schaderegeling voor zaken
waarin personenschade een rol speelde wordt behandeld door de afdeling personenschade
van Nationale-Nederlanden (hierna: NN). Verweerder treedt op als de advocaat van NN.
1.3 NN heeft het dossier van klaagster op 3 juni 2024 aan verweerder gestuurd
met het verzoek om te adviseren over de omvang van de schade en de zaak verder te
behandelen.
1.4 Bij e-mail van 4 juni 2024 heeft verweerder zich bij klaagster 1 gesteld
als de advocaat van NN en haar verzocht zijn e-mail door te sturen aan haar (nieuwe)
advocaat.
1.5 Op 11 juni 2024 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen klaagster
1 en verweerder. Verweerder heeft van dit gesprek een telefoonnotitie overgelegd waaruit
volgt dat klaagster 1 van mening was dat NN (bij monde van de zaakbehandelaar mevrouw
S) zich niet hield aan toezeggingen die waren gedaan en dat die toezeggingen zouden
blijken uit door klaagster 1 opgenomen telefoongesprekken.
1.6 Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerder klaagster 1 bij e-mail van
11 juni 2024 het volgende meegedeeld:
“Vandaag hadden we telefonisch overleg. U gaf aan dat u zich nog niet liet bijstaan
door een advocaat, maar dat u het voornemen had om dat wel te laten doen en dat ik
de berichten van deze advocaat kan afwachten.
Mijn taak in deze kwestie is om op basis van feiten een te adviseren met betrekking
tot de aard en omvang van uw schade. Op basis van de nu ter beschikking staande gegevens
is er geen bewijs van meer of andere schade dan door [NN] is betaald.
Als er toezeggingen door of namens NN zijn gedaan behoort NN zich daaraan in beginsel
te houden. Dergelijke toezeggingen trof ik niet in het dossier aan. U stelt dat deze
blijken uit de gespreksopnames. Die opnames kunt u natuurlijk desgewenst sturen.”
1.7 In reactie daarop heeft klaagster op 13 juni 2024 laten weten dat zij dat
vooralsnog niet zou doen. Bij e-mail van 14 juni 2024 heeft klaagster 2 zich gesteld
als de advocaat van klaagster 1 en het volgende geschreven, voor zover relevant:
“Uit het mailverkeer begrijp ik dat NN zeer recent het dossier aan u overgedragen
heeft, wat enigszins verbaast omdat afgesproken was met [mevrouw S] dat de kwestie
schikkingsrijp is (…) en daarom verder door bureau (…) afgewikkeld zou worden (…).
[Mevrouw S] zou nog € 4200 als voorschot betalen voordat deze overdracht plaatsvond
voor kosten kuuroord en behandeling psycholoog. Er is tot op heden € 500,- aan voorschot
overgemaakt, zodat verzocht wordt te bewerkstelligen dat het restant voorschot zo
spoedig mogelijk wordt nabetaald. De afspraak is daarnaast gemaakt dat in het kader
van het treffen van een schikking een en ander nog medisch op een rijtje werd gezet,
omdat nog niet alle medische stukken door de vorige gemachtigde waren toegezonden
aan NN en om daartoe ook nog een schadestaat te overleggen. De afspraak is dat deze
kosten van deze rapporten vergoed worden door NN. Ik zal u dan ook op korte termijn
het medisch advies en de schadestaat toezenden met de bijbehorende facturen, waarna
partijen tot een schikking kunnen komen.”
1.8 Op 17 juni 2024 heeft verweerder aan klaagster 2 een brief gestuurd waarin
hij het standpunt van NN uiteengezet heeft en verder het volgende naar voren heeft
gebracht:
“In uw e-mailbericht geeft u aan dat door [NN] nog een aanvullende betaling zou
zijn toegezegd. Dat blijkt niet uit mijn dossierstukken. Nu is uw cliënte [klaagster
1] heel stellig op het punt dat dat telefonisch is afgesproken en stelt zij bovendien
dat zij alle telefoongesprekken opneem. Als de visie met betrekking tot de toezegging
gehandhaafd blijft, dan lijkt het zinvol dat de desbetreffende gespreksopnames aan
mij worden verstrekt. Als die niet worden verstrekt ga ik ervan uit dat deze opnames
er toch niet zijn of dat uit de inhoud niet blijkt dat een dergelijke toezegging is
gedaan.
Het is ons beider taak te onderzoeken of sprake is van bewijsbare schade aan de
zijde van uw cliënte, schade die bovendien dan uit moeten stijgen boven het door cliënte
al betaalde bedrag van € 19.917,45 (€ 652,34 autoschade, € 12.500,- algemene titel,
€ 5999,97 buitengerechtelijke kosten). (…).”
1.9 In vervolg op deze brief heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met
klaagster 2. Getracht is om tot een oplossing te komen, maar dat is niet gelukt. Hierna
is nog verder over de kwestie gecorrespondeerd tussen klaagster 2 en verweerder.
1.10 Klaagster 1 heeft zich bij brief van 12 november 2024 gewend tot de CEO
van NN en hierin het volgende verzocht:
“Gezien de omstandigheden verzoek ik u dringend om [verweerder] per direct uit mijn
zaak te verwijderen en een vervangende advocaat cq een bureau in te schakelen die
wel gevolmachtigd is en zoals eerder toegezegd om [naam] in te schakelen met de juiste
bevoegdheden en een integere houding. Ook verzoek ik u om de situatie zorgvuldig en
met spoed te onderzoeken, zodat mijn belangen worden gewaarborgd en de zaak op een
zorgvuldige manier wordt voortgezet.”
1.11 Op eveneens 12 november 2024 heeft klaagster 1 bij de deken een klacht ingediend
over verweerder. Klaagster 2 verleent vanaf repliek bijstand aan klaagster 1.
1.12 Verweerder heeft, mede op verzoek van NN, op 22 november 2024 verzocht om
de verdere correspondentie en contacten uitsluitend via hem te laten verlopen en gesommeerd
om te stoppen met het benaderen van verschillende functionarissen aan de zijde van
NN en hier gevolgen aan verbonden.
1.13 Bij brief van 13 december 2024 heeft klaagster 2, namens klaagster 1, als
volgt gereageerd:
“U verzoekt, danwel sommeert in uw schrijven van 22 november 2024 [klaagster 1]
om geen verdere contacten met enig persoon of instantie aan de zijde van [NN] te leggen
en beweert dat het uitoefenen van haar democratische rechten in deze onrechtmatig
is. U dreigt dat indien [klaagster 1] zich rechtstreeks tot functionarissen [wendt],
[klaagster 1] gestopt zal worden met andere stappen. (…).
Naar mijn mening handelt u in strijd met wat een goed advocaat betaamt. Ik wijs
u erop dat de aansprakelijkheid is erkend en dat art. 6:96 BW bepaalt dat de redelijke
kosten vergoed moeten worden: de medische kosten, de kosten van een medisch rapport,
een schadestaat en de kosten van een 2de belangenbehartiger betreffen redelijke kosten.”
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet in verband met
het navolgende:
Klachtonderdelen klaagster 1
a) verweerder ontkent en negeert eerder met de zaakbehandelaar bij NN, mevrouw
S, gemaakte en schriftelijk vastgelegde afspraken;
b) verweerder handelt niet integer, volgt niet de gedragscodes van de Letselschaderaad
en werkt niet zonder de benodigde volmacht om namens NN tot een regeling te kunnen
komen;
c) verweerder heeft een belangenconflict vanwege zijn functie als plaatsvervangend
lid van het Hof van Discipline;
d) verweerder heeft klaagster 1 door middel van dreigende communicatie onder
druk gezet door haar te sommeren geen contact meer op te nemen met functionarissen
aan de zijde van NN en daarbij te dreigen met “nadere stappen”;
e) verweerder misbruikt zijn positie door de mogelijkheden om een eerlijke oplossing
te bereiken te belemmeren, onder meer door redelijke kosten niet te vergoeden en door
een voorstel tot mediation niet voor te leggen aan zijn opdrachtgever;
f) verweerder escaleert de zaak zonder redelijke gronden door de causaliteitsdiscussie,
die al uitgebreid is gevoerd, opnieuw op te starten;
g) verweerder heeft klaagster gediscrimineerd door haar invalidenparkeerkaart
in twijfel te trekken en fraude te insinueren.
Klacht klaagster 2
2.2. klaagster 2 heeft in repliek (samengevat) gesteld zij vanwege alle verwijtbare
gedragingen van verweerder jegens klaagster 1 ook op persoonlijke titel een klacht
over verweerder indient. De belangen van klaagster 1 worden nodeloos door verweerder
geschaad. Klaagster 2 vindt het (kort gezegd) ontzettend schrijnend wat verweerder
klaagster 1 aandoet. Verweerder heeft in een telefoongesprek met klaagster 2 bovendien
getracht klaagster 2 onder druk te zetten om akkoord te gaan met een aanbod van €
1000,- en liet zich daarbij onnodig grievend over klaagster 1 uit vanwege de zakelijke
en politieke contacten van klaagster 1, in de zin van ‘dat vrouwtje met haar zakelijke
contactjes’.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid klaagster 2
4.1 Klaagster 2 heeft, zoals gezegd, in repliek tevens op persoonlijke titel
een klacht over verweerder ingediend. Nog daargelaten de vraag of het in dat stadium
van het onderzoek van de deken nog mogelijk is zich in de procedure te voegen, geldt
dat op grond van de Advocatenwet alleen de persoon of de rechtspersoon die door het
handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen,
het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang
is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 De klacht van klaagster 2 komt erop neer dat zij van mening is dat verweerder
zich onbetamelijk gedraagt richting haar cliënte (klaagster 1). Als de advocaat van
klaagster 1 levert dit hooguit een afgeleid belang op en dat is onvoldoende om klaagster
2 in haar klacht te ontvangen. Ook voor zover klaagster 2 stelt dat verweerder haar
onder druk heeft gezet om akkoord te gaan met een aanbod en haar belemmert in een
behoorlijke en onafhankelijke uitoefening van haar rechtspraktijk, ontbreekt daarbij
een rechtstreeks eigen belang. Voor zover klaagster 2 hierdoor rechtstreeks in haar
eigen belang zou zijn geraakt, geldt dat de voorzitter deze verwijten niet heeft kunnen
vaststellen, zodat de voorzitter gelet op deze omstandigheden tot de slotsom komt
dat klaagster 2 deels niet kan worden ontvangen in haar klacht en de klacht, voor
zover ingediend door klaagster 2, voor het overige kennelijk ongegrond is.
Nieuwe klachtonderdelen
4.3 Klaagster 2 heeft in haar bij e-mail van 5 juni 2026 meegezonden brief naar
voren gebracht dat na 30 april 2026 nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen. Verweerder
treedt gelijktijdig op voor de partij die wettelijk regres moet nemen (ABN AMRO) én
de partij waartegen regres moet worden genomen (de fysiotherapeut). Dit is volgens
klaagster 2 een flagrante en loepzuivere schending van gedragsregel 15. Verder stelt
klaagster 2 dat verweerder in strijd handelt met gedragsregels 5, 6, 8 en 25, waarbij
(onder meer) gewezen wordt op een brief van verweerder van 11 juni 2026 en verweerders
optreden op een zitting bij de rechtbank Rotterdam op 3 februari 2026.
4.4 Bij e-mail van 8 juni 2026 is klaagster 2 er namens de voorzitter op gewezen
dat er geen nieuwe klachten bij de raad ingediend kunnen worden, maar dat deze eerst
door de deken onderzocht moeten worden (zie artikel 46c lid 1 Advocatenwet). Klaagster
2 heeft in haar reactie van eveneens 8 juni 2026 laten weten dat er volgens haar geen
sprake is van een nieuwe klachtonderdelen, maar dat op een later moment feiten en
gegevens bekend zijn geworden die niet meer aan de deken voorgelegd konden worden.
4.5 De voorzitter volgt klaagster 2 niet in dit betoog. Vaststaat dat de deken
geen kennisgenomen heeft van deze nieuwe informatie, die gaat over feitelijke handelingen
van ver na de oorspronkelijke klacht van 12 november 2024. Bovendien bevatten noch
de klacht, noch de repliek duidelijke en begrijpelijke aanknopingspunten voor de conclusie
dat deze informatie zodanig samenhangt met de reeds ingediende klachtonderdelen dat
zij in deze procedure betrokken kunnen worden. Daarmee betreffen het nieuwe klachtonderdelen
die eerst aan de deken voorgelegd moeten worden voordat zij aan de raad kunnen worden
voorgelegd. De voorzitter laat deze klachtonderdelen dan ook verder buiten beschouwing.
Beoordeling klacht van klaagster 1
4.6 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt(en) hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt(en) nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de
belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij
mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen
advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten
er in beginsel vanuit mogen gaan dat de informatie die zij van hun cliënt(en) hebben
gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid
van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet
af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt(en) willen bereiken, opweegt tegen
het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.7 De voorzitter stelt voorop dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort
om over het onderliggende geschil een oordeel te geven. Een oordeel daarover is voorbehouden
aan de civiele rechter. De tuchtrechter beoordeelt uitsluitend of verweerder zich
in zijn bijstand aan NN ten opzichte van klaagster 1 (of 2) heeft gedragen op een
manier die niet passend is voor een behoorlijk handelende advocaten. Zoals volgt uit
het hiervoor weergegeven toetsingskader (r.o. 4.6) geldt daarbij dat aan verweerder
een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënte te behartigen
op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele)
wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare
wijze worden geschaad.
Klachtonderdeel a) ontkennen van schriftelijk vastgelegde afspraken
4.8 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder eerder tussen klaagster
1 en de zaakbehandelaar bij NN, mevrouw S, gemaakte en schriftelijk vastgelegde afspraken
heeft ontkend of genegeerd. Uit de stukken en het verweer van verweerder volgt dat
verweerder klaagster 1 op 11 juni 2024 (zie r.o. 1.6) heeft bericht dat hij zijn cliënte
zou adviseren om gemaakte afspraken na te komen, maar dat hij op grond van het dossier
van klaagster 1 niet heeft kunnen vaststellen welke afspraken precies zijn gemaakt.
Om die reden heeft verweerder klaagster 1 verzocht om overlegging van de gespreksopnames,
waarover klaagster 1 stelde te beschikken. Anders dan klaagster 1 stelt, volgt hieruit
niet dat verweerder afspraken ontkent, maar dat hij de door klaagster 1 gestelde afspraken
niet heeft kunnen vaststellen. Daarmee handelt verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Verder heeft verweerder terecht aangevoerd dat het feit dat door NN voorschotten zijn
overgemaakt, niet betekent dat daarmee schade wordt erkend en dat het feit dat gevraagd
is om bewijsstukken van bepaalde gestelde schadeposten niet met zich brengt dat die
schadeposten zelf ook erkend zijn. Het is de visie van NN dat er niet meer schade
is bewezen dan al was betaald en het is verweerders taak als partijdig raadsman om
die visie te verwoorden. De vraag of de visie juridisch verdedigbaar is valt buiten
het bestek van dit tuchtrechtelijk geschil. Van klachtwaardig handelen is geen sprake.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) niet integer handelen
4.9 De voorzitter volgt klaagster 1 niet in haar verwijt dat verweerder niet
integer werkt doordat hij geen volmacht heeft om namens NN een eindregeling te treffen.
Verweerder is door NN als advocaat ingeschakeld en hoeft aan zijn wederpartij (klaagster
1) niet aan te tonen dat hij over een volmacht beschikt. Evenmin hoeft verweerder
zich ten opzichte van klaagster 1 te verantwoorden over eventuele afspraken met zijn
cliënte over het schikkingsbedrag. Van klachtwaardig handelen is geen sprake. Klachtonderdeel
b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) belangenconflict wegens functie als plaatsvervangend lid Hof
van Discipline
4.10 Naar het oordeel van de voorzitter brengt de functie van plaatsvervangend
lid van het Hof van Discipline niet mee dat een advocaat geen praktijk kan voeren.
Van een concrete, verstrengeling van verweerders rol als lid van het hof van Discipline
en zijn optreden als advocaat in de onderliggende zaak is de voorzitter niet gebleken.
Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) onder druk zetten van klaagster 1
4.11 Klaagster 1 stelt dat verweerder haar met zijn brief van 22 november 2024
(zie r.o. 1.13) onder druk heeft gezet door haar te sommeren geen contact meer op
te nemen met functionarissen aan de zijde van NN en daarbij te dreigen met nadere
stappen.
4.12 Dit klachtonderdeel treft geen doel. Het stond verweerder vrij om in het
belang van zijn cliënte klaagster 1 namens NN te verzoeken haar rechtstreekse contacten
met medewerkers en functionarissen van NN te staken. Verweerder heeft toegelicht dat
NN de veelvuldige rechtstreekse contacten belastend vond en verweerder heeft hierop
terecht ingegrepen. Dat verweerder in zijn brief heeft aangekondigd dat hij nadere
stappen zou nemen, als klaagster haar wijze van communiceren niet zou staken, betreft
een gebruikelijke consequentie die aan een sommatie wordt verbonden en kan niet als
een ongeoorloofde bedreiging worden aangemerkt. Klachtonderdeel d) is derhalve kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel e) geen eerlijke oplossing
4.13 Volgens klaagster 1 belemmert verweerder haar om tot een eerlijke oplossing
te komen, door redelijke kosten niet te vergoeden, medewerking aan een medisch adviseur
en schadestaat te weigeren en een voorstel tot mediation niet aan NN voor te leggen.
4.14 Ook dit klachtonderdeel faalt. Het staat verweerder vrij om namens zijn
cliënte het standpunt in te nemen dat de gestelde schade niet vaststaat en dat de
gevorderde kosten daarom niet zonder meer voor vergoeding in aanmerking komen. Indien
en voor zover klaagster 1 het hiermee niet eens is, is het aan de civiele rechter
om te oordelen over deze geschilpunten. De procedure bij de raad is hiervoor niet
bedoeld. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) escalatie
4.15 Klaagster 1 verwijt verweerder dat hij de zaak laat escaleren door zonder
redelijke gronden de causaliteitsdiscussie, die viereneenhalf jaar geleden is afgesloten,
opnieuw te starten. De indruk is dat dit willens en wetens gebeurt. Er is niet alleen
een volstrekt heldere medische causaliteit, maar ook onomstotelijk een juridische
causaliteit, aldus klaagster 1.
4.16 Dit klachtonderdeel slaagt evenmin. Verweerder is bij bestudering van de
stukken tot de conclusie gekomen dat de causaliteit niet onomstotelijk vaststaat en
zijn cliënte niet gehouden was om verdere betalingen te doen zonder bewijs van schade.
Dat standpunt mocht hij namens zijn cliënte innemen, nu niet gesteld of gebleken is
dat hierover al bindende afspraken waren gemaakt. Dat verweerder hiermee het geschil
tussen partijen onnodig heeft laten escaleren, is de voorzitter niet gebleken. Klachtonderdeel
f) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g) discriminatie
4.17 Klaagster verwijt verweerder dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan discriminatie,
door de noodzaak van haar invalidenparkeerkaart in twijfel te trekken en fraude te
insinueren.
4.18 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerder heeft onderbouwd dat het
van belang kan zijn om de (medische) indicatie in verband met de verschillende afgegeven
parkeerkaarten aan het dossier toe te voegen. Zo was er een invalidenparkeerkaart
met vervaldatum 2 januari 2022 afgegeven door de gemeente Rotterdam. Er was echter
ook een parkeerkaart met een vervaldatum 5 juli 2024, vermoedelijk afgegeven door
de gemeente Schiedam. Verweerder heeft met zijn vragen getracht om duidelijkheid te
verkrijgen over de afgegeven parkeerkaarten en de reden van afgifte. De voorzitter
acht dit gerechtvaardigd en ziet niet hoe dit verband houdt met discriminatie of fraude.
Klachtonderdeel g) is kennelijk ongegrond.
Slotsom
4.19 De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is
gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat
van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht
van klaagster 1 op grond van het voorgaande in alle onderdelen kennelijk ongegrond
verklaren. Al hetgeen klaagster 1 verder naar voren heeft gebracht, leidt de voorzitter
niet tot een ander oordeel.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, voor zover ingediend namens klaagster 1, met toepassing van artikel
46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- de klacht, voor zover ingediend door klaagster 2, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, deels kennelijk niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 juni 2026