ECLI:NL:TADRAMS:2026:118 Raad van Discipline Amsterdam 26-386/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:118
Datum uitspraak: 08-06-2026
Datum publicatie: 12-06-2026
Zaaknummer(s): 26-386/A/NH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij in een huurgeschil gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond. Klaagster heeft geen rechtstreeks belang bij haar klacht over de communicatie tussen verweerster en haar cliënte. Verder is niet gebleken dat verweerster klaagster onder druk heeft gezet.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 8 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak 26-386/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 4 mei 2026 met kenmerk mr/ss/25-299/2496011, door de raad ontvangen op eveneens 4 mei 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 (A-klachtdossier) en bijlage 8 (B-klachtdossier). 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    H komt uit Japan en was op zoek naar een kamer in Nederland. Tussen klaagster en H is met ingang van 1 april 2025 een huurovereenkomst voor de duur van één jaar gesloten met betrekking tot een kamer in de woning van klaagster. Het betreft een situatie van hospita-verhuur, waarbij klaagster zelf ook haar hoofdverblijf heeft in de woning. 
1.2    H heeft op voorhand een bedrag van € 5.393,- aan klaagster voldaan, bestaande uit een voorschot van twee maanden huur, een waarborgsom, kosten voor adresregistratie en belastingen. Nadat H in Nederland was aangekomen is tussen klaagster en H is een huurgeschil ontstaan, waarna H op 3 april 2025 de kamer heeft verlaten en zich voor juridische bijstand tot verweerster heeft gewend. 
1.3    Bij brief van 16 mei 2025 heeft verweerster namens H aan klaagster meegedeeld dat zij de huurovereenkomst wenste te vernietigen wegens dwaling en is klaagster verzocht het door H betaalde bedrag terug te betalen. De brief luidt voor zover relevant als volgt: 
“Nu cliënte onder een onjuiste voorstelling van zaken de huurovereenkomst met u is aangegaan, heeft zij gedwaald bij het aangaan van de huurovereenkomst. Wist zij van tevoren dat zij zich niet op het adres zou mogen inschrijven en dat de door haar gehuurde kamer niet beschikbaar was, dan was zij de huurovereenkomst niet aangegaan. Om die reden vernietigt cliënte hierbij de huurovereenkomst. Dat leidt ertoe dat u het reeds door haar betaalde bedrag (…) aan haar dient terug te betalen.”  
1.4    Bij e-mail van 25 mei 2025 om 21:34 uur heeft klaagster aan verweerster een brief gestuurd waarin zij heeft geschreven dat zij de kwestie met H wilde regelen, maar dat H dan wel aan een aantal voorwaarden moest voldoen. In de brief werd een reactietermijn van één dag gegeven. Verder staat in de brief het volgende: 
“Ter bescherming van de belangen van alle betrokken partijen behoudt ondergetekende zich het recht voor om de onrechtmatige aanwending van het adres en bijbehorende documenten formeel te melden bij de bevoegde instanties, waaronder de gemeente, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), en de Raad voor Rechtsbijstand. Deze stap zal worden genomen als onderdeel van het definitief afsluiten van het geschil.”
1.5    Bij e-mail van 30 mei 2025 heeft verweerster hierop gereageerd en aangegeven dat zij nog in afwachting was van een inhoudelijke reactie van haar cliënte en dat zij ervan uitging dat klaagster de door haar aangekondigde stappen (zoals het melden van zaken bij verschillende instanties) achterwege zou laten totdat zij een reactie van haar cliënte had ontvangen. De e-mail luidt als volgt: 
“Dank voor uw brief d.d. 25 mei jl., als reactie op mijn brief d.d. 16 mei jl. U hebt mij een uitgebreide brief toegestuurd met een groot aantal voorwaarden waarvan u wenst dat cliënte daaraan voldoet. Ik heb uw voorstel nog niet met cliënte kunnen bespreken. Ik ga ervan uit dat u begrijpt dat de door u gestelde termijnen zeer onredelijk zijn. Uw voorstellen zal ik met cliënte bespreken, waarna ik u van een inhoudelijke reactie zal voorzien. 
Gelet op het voorgaande, ga ik ervan uit dat u geen stappen onderneemt en geen meldingen maakt bij instanties, alvorens u een reactie van cliënte hebt ontvangen.”
1.6    Op 2 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:  
a)    verweerster heeft geen deugdelijke controle of onderzoek verricht naar de gegevens van haar cliënt bij de aanvraag van een verblijfsvergunning en bij de aanvraag van een toevoeging en vervolgens het adres gewijzigd om het recht kunstmatig voort te zetten;
b)    verweerster heeft geprobeerd te voorkomen dat de feiten van haar cliënt gemeld werden aan de relevante instanties;
c)    verweerster heeft onvoldoende contact met haar cliënte waardoor zij geen effectieve controle of communicatie kan uitoefenen.

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader 
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt(en) hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt(en) nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel vanuit mogen gaan dat de informatie die zij van hun cliënt(en) hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt(en) willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2    Op grond van de Advocatenwet heeft alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
Omvang van het geschil 
4.3    De voorzitter stelt voorop dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende geschil een oordeel te geven. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter beoordeelt uitsluitend of verweerster zich in haar bijstand aan H ten opzichte van klaagster heeft gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelende advocaten. Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven toetsingskader (4.1) geldt daarbij dat aan verweerster een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van haar cliënte te behartigen op een wijze die haar passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. 
Klachtonderdeel a) gegevens cliënte ondeugdelijk gecontroleerd 
4.4    Klaagster stelt dat H zonder toestemming gebruik gemaakt heeft van het adres en het paspoort van de eigenaresse van het huis dat klaagster beheert. Met deze gegevens heeft H zich ingeschreven bij de gemeente en daarmee een verblijfsvergunning verkregen en ten onrechte aanspraak gemaakt op een toevoeging die H gebruikt in het geschil tegen haar. Volgens klaagster heeft verweerster haar verantwoordelijkheden verzaakt door geen deugdelijke controle te verrichten naar de gegevens van haar cliënte tijdens het aanvraagproces. 
4.5    Naar het oordeel van de voorzitter heeft klaagster geen rechtstreeks belang bij dit klachtonderdeel (zie toetsingskader 4.2). Zoals verweerster terecht heeft aangevoerd, betreft een toevoegingsaanvraag een aangelegenheid tussen verweerster, haar cliënte en de Raad voor Rechtsbijstand en is dit geen onderwerp waarbij klaagster een eigen, rechtstreeks belang heeft. De omstandigheid dat de toevoeging gebruikt wordt in een procedure tegen haar, levert hooguit een afgeleid belang op en dat is onvoldoende om klaagster in dit klachtonderdeel te ontvangen. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. 
Klachtonderdeel b) het tegenhouden van meldingen
4.6    Nadat klaagster verweerster en haar cliënte op de onrechtmatigheid van deze adresregistratie had gewezen, is het adres aangepast in een poging om bewijsmateriaal te verdoezelen. Volgens klaagster zijn er echter sterke aanwijzingen dat zij het systeem bewust blijven misbruiken. Verweerster probeert klaagster blijkens haar e-mail van 30 mei 2025 (zie 1.5) onder druk te zetten en haar tegen te houden hiervan melding te doen bij de relevante instanties.
4.7    Dit klachtonderdeel faalt. Uit het klachtdossier en het verweer van verweerster volgt dat het niet verweersters bedoeling was om klaagster in het algemeen te weerhouden van het doen van meldingen. Verweerster heft toegelicht dat gelet op de zeer korte termijnen die klaagster had gesteld in haar brief van 25 mei 2025 (zie 1.4), verweerster in haar reactie hierop de betreffende opmerking heeft gemaakt omdat zij meer tijd nodig had om klaagsters brief met haar cliënte te bespreken en ondertussen de onderlinge verhoudingen niet verder wilde laten verharden, maar tot een oplossing wilde te komen. De meldingen die klaagster wilde doen zouden volgens verweerster niet hebben bijgedragen aan een dergelijke oplossing. De voorzitter acht dit aannemelijk en - anders dan klaagster stelt - is het de voorzitter niet gebleken dat verweersters opmerking bedreigend of chanterend is geweest; het betrof slechts een verzoek dat logischerwijs volgde op de correspondentie die daaraan voorafgegaan is. Klachtonderdeel b) is daarmee kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel c) verweersters contact met haar cliënte
4.8    In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerster dat zij onvoldoende contact met haar cliënte zou hebben om een effectieve controle uit te oefenen of communicatie te kunnen voeren.
4.9    Ook dit klachtonderdeel is kennelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een rechtstreeks eigen belang van klaagster. Als er al sprake zou zijn van onvoldoende contact tussen verweerster en haar cliënte, hetgeen de voorzitter niet is gebleken, dan geldt dat hierdoor uitsluitend H in haar belang wordt geraakt en enkel H hierover een klacht zou kunnen indienen. Het feit dat verweerster niet binnen de door klaagster gestelde termijn heeft gereageerd, maakt niet dat klaagster een rechtstreeks belang heeft bij een klacht over het contact tussen verweerster en haar cliënte en levert in dit geval bovendien geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klachtonderdeel c) is dan ook eveneens kennelijk niet-ontvankelijk.
Conclusie  
4.10    De voorzitter komt tot de slotsom dat de klacht geen doel treft. Al hetgeen klaagster verder heeft gesteld, leidt de voorzitter niet tot een ander oordeel. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    klachtonderdelen a) en c), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;

-    klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026. 


Griffier         Voorzitter


Verzonden op: 8 juni 2026