ECLI:NL:TADRAMS:2026:117 Raad van Discipline Amsterdam 26-252/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:117 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-06-2026 |
| Datum publicatie: | 12-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-252/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij kennelijk ongegrond. Verweerder mocht zonder nader onderzoek uitgaan van de juistheid van de van zijn cliënte verkregen informatie. De door verweerder gebruikte term ‘leugenaar’ kwalificeert in de context van het geschil niet als onnodig grievend. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 8 juni 2026
in de zaak 26-252/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 25 maart 2026 met kenmerk 2531238/ER/MV, door de
raad ontvangen op 25 maart 20256, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
00 tot en met 04.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster heeft een geschil met H Beheer B.V. (hierna: H Beheer). De moeder
van klaagster is bestuurder en enig aandeelhouder van H Beheer. Partijen hebben in
de afgelopen jaren in meerdere gerechtelijke procedures tegenover elkaar gestaan.
Verweerder staat in deze procedures H Beheer als advocaat bij.
1.2 In een eerdere procedure tussen partijen heeft op 7 december 2023 een zitting
bij de rechtbank plaatsgevonden. Tijdens deze zitting heeft verweerder zich van spreekaantekeningen
bediend. Hierin staat, voor zover relevant het volgende:
“En hoewel ik dergelijke terminologie doorgaans achterwege laat, zeg ik het hier
toch maar voluit: [klaagster] liegt consequent en doelbewust, om te krijgen wat haar
niet toekomt.”
1.3 De procedure waar het in onderhavige klachtprocedure om gaat, betreft een
geschil over de oplevering van een appartement dat in eigendom toebehoort aan H Beheer
en waarvan klaagster tijdelijk gebruik heeft mogen maken zonder dat zij daarvoor een
vergoeding of tegenprestatie verschuldigd was.
1.4 H Beheer stelt dat klaagster bij vertrek uit het appartement ten onrechte
een aantal zaken heeft meegenomen en het appartement niet naar behoren heeft opgeleverd.
Verder stelt H Beheer dat zij kosten heeft moeten maken voor het laten vervangen van
het cilinderslot van de voordeur van het appartement.
1.5 Op 11 september 2025 heeft in deze procedure bij de rechtbank een zitting
plaatsgevonden. Voorafgaand aan de zitting heeft klaagster de rechtbank om uitstel
van de zitting verzocht. De rechtbank heeft verweerder verzocht om hier namens H Beheer
op te reageren. Bij e-mailbericht van 5 september 2025 heeft verweerder de rechtbank
het volgende meegedeeld, voor zover relevant:
“[Klaagster] heeft eerder haar gesteldheid voorgewend om uitstel te verkrijgen,
waarna daarvan niets is gebleken.”
1.6 De zitting is op 11 september 2025 doorgegaan en verweerder heeft ten aanzien
van het punt over het vervangen van het cilinderslot tijdens de zitting een factuur
van 15 november 2022 overgelegd ter staving van de gevorderde vervangingskosten. In
verweerders spreekaantekeningen staat hierover het volgende:
“Ten aanzien van de sloten op de buitendeur geldt het volgende. Op 4 november 2022
heeft [klaagster] het cilinderslot van de voordeur van het pand zonder recht of titel
vervangen. De als productie 25-4 overgelegde factuur heeft daar betrekking op, is
door [klaagster] betaald en is bij dagvaarding ten onrechte als kosten van [H Beheer]
gevorderd. [H Beheer] heeft vervolgens kosten moeten maken om dat cilinderslot te
laten vervangen door een sleutelspecialist, omdat bij het inleveren van de sleutels
de 3e sleutel van het slot ontbrak evenals de security card waarmee sleutels kunnen
worden bijgemaakt. Die kosten blijken uit de bij deze spreekaantekeningen gevoegde
factuur en bedroegen € 285,81 in plaats van de bij dagvaarding gevorderde € 619,40.”
1.7 Op 29 september 2025 heeft klaagster de rechtbank - met verweerder in de
cc - verzocht om de betreffende factuur buiten beschouwing te laten omdat deze volgens
klaagster betrekking had op werkzaamheden aan een ander pand.
1.8 De rechtbank heeft vervolgens bij e-mailbericht van 30 september 2025 verweerder
verzocht om hierop te reageren.
1.9 Bij e-mailbericht van 12 oktober 2025 heeft klaagster verweerder gesommeerd
om uiterlijk 14 oktober 2025 de rechtbank te berichten dat de productie buiten beschouwing
diende worden gelaten.
1.10 Bij e-mailbericht van 13 oktober 2025 heeft verweerder klaagster geïnformeerd
dat zijn cliënte - H Beheer - hem, voorafgaand aan het inbrengen van de betreffende
productie, had meegedeeld dat de desbetreffende factuur wel degelijk betrekking had
op het juiste adres. Verweerder heeft geen contact meer opgenomen met de rechtbank.
1.11 Op 18 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
1.12 Bij vonnis van 30 oktober 2025 heeft de rechtbank alle vorderingen van H
Beheer afgewezen.
1.13 Bij e-mailbericht van 28 november 2025 heeft de cliënte van verweerder -
H Beheer - aan verweerder de volgende verklaring afgelegd, voor zover relevant:
“Hierbij verklaar ik, (…), dat de door u overgelegde factuur, hoewel deze administratief
is uitgereikt op naam van de zuster-holding, volledig betrekking heeft op de juridische
werkzaamheden betreft het vervangen van het slot zijn verricht op het adres [adresgegevens
appartement in kwestie] op datum 4 november 2022.
De administratieve keuze voor het factuuradres doet geen afbreuk aan de inhoudelijke
juistheid en relevantie van de gefactureerde werkzaamheden.
Daarnaast is het feitelijk onomstotelijk dat het slot in mijn opdracht is vervangen.”
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
2.2 Verweerder heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling van 11 september
2025 namens zijn cliënte een factuur d.d. 15 november 2022 ingebracht. Op 29 september
2025 heeft klaagster de rechtbank met verweerder in de cc geïnformeerd dat die factuur
onjuist was omdat de factuur betrekking had op werkzaamheden aan een ander pand. Verweerder
heeft vervolgens geen actie ondernomen om de rechtbank te informeren of de ingebrachte
productie te corrigeren.
2.3 Volgens klaagster laat verweerder een patroon van nalatigheid en een gebrek
aan integriteit zien. Ter illustratie van zijn gedrag heeft klaagster aangegeven dat
verweerder haar in eerdere procedures voor leugenaar heeft uitgemaakt en heeft gesuggereerd
dat zij haar gesteldheid zou hebben aangewend om uitstel te verkrijgen.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend of grievend uitlaten over de wederpartij (gedragsregel
7). Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen (gedragsregel
8). Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie
die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen
zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven
advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt
willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Bij de beoordeling van over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter
het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet
omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij
van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt
door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.3 Naar het oordeel van de voorzitter slaagt de klacht niet. Allereerst geldt
dat verweerder - zoals volgt uit het toetsingskader bij randnummer 4.1 - zonder nader
onderzoek mocht uitgaan van de juistheid van de van zijn cliënte ontvangen factuur
ter staving van de gevorderde vervangingskosten van het cilinderslot. Uit het e-mailbericht
van verweerder van 13 oktober 2025 volgt dat verweerder voorafgaand aan de indiening
van de factuur desondanks onverplicht de juistheid ervan bij zijn cliënte heeft geverifieerd.
Verweerder heeft onderbouwd aangevoerd dat bij het aanbrengen van de dagvaarding eerder
een onjuiste factuur als productie was ingediend, hetgeen hij op de zitting van 11
september 2025 heeft gecorrigeerd, onder verwijzing naar de ter zitting ingebrachte
juiste factuur en in verband hiermee ter zitting de eis van H Beheer heeft verminderd
(verwezen wordt naar randnummer 1.6). Verweerder heeft verder afdoende toegelicht
dat hij ter zitting onvoldoende heeft gemotiveerd dat de betreffende factuur geen
betrekking had op vervanging van een slot na vertrek van klaagster uit het appartement
medio december 2025, maar op vervanging namens H Beheer van het slot al op 4 november
2025 [de voorzitter begrijpt: 2022], nadat klaagster eerder zelf het voordeurslot
van het familiehuis had vervangen en haar familie daardoor de toegang had ontzegd.
Hierdoor is vergoeding van de door H Beheer in verband hiermee gemaakte kosten door
de rechtbank afgewezen. Dat doet echter niet af aan de juistheid van de factuur. H
Beheer (bij monde van de moeder van klaagster) heeft op 28 november 2025 de juistheid
van de factuur nogmaals bevestigd (verwezen wordt naar randnummer 1.13). De voorzitter
overweegt dat het niet tot de taak van tuchtrechter behoort om een oordeel te geven
over de juistheid van de ingenomen standpunten in het onderliggende geschil. Dat is
voorbehouden aan de behandelend rechter, tenzij duidelijk is dat verweerder de hiervoor
genoemde maatstaf heeft overtreden. Dat is de voorzitter gelet op het voorgaande niet
gebleken.
4.4 Het is de voorzitter ook verder niet gebleken dat verweerder de grenzen van
het betamelijke heeft overschreden. Hoewel de voorzitter begrijpt dat klaagster zich
onaangenaam getroffen voelde door de door verweerder gebruikte term ‘leugenaar’ en
de suggestie dat klaagster haar gesteldheid zou hebben aangewend om uitstel te verkrijgen,
kwalificeren deze uitlatingen in de context van het geschil niet als onnodig grievend.
Daarvan is pas sprake als de grievende bewoordingen (bijvoorbeeld) in redelijkheid
geen bijdrage kunnen leveren aan het debat waarbinnen de bewoordingen zijn gebruikt
(zie onder meer Hof van Discipline, 19 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:91) en dat is
de voorzitter niet gebleken. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat zijn uitlatingen
in het belang van zijn cliënte gerechtvaardigd waren om haar standpunt te verwoorden
dat klaagster steeds wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen aflegde.
Dat stond verweerder als partijdig belangenbehartiger vrij.
4.5 De voorzitter komt tot de slotsom dat verweerder met zijn handelen niet de
grenzen overschreden van de vrijheid die hij als advocaat van de wederpartij heeft.
Evenmin is de voorzitter gebleken dat verweerder de belangen van klaagster onnodig
heeft geschaad of niet integer gehandeld heeft. Nu verweerder tuchtrechtelijk geen
verwijt treft, wordt de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 juni 2026