ECLI:NL:TADRAMS:2026:116 Raad van Discipline Amsterdam 25-756/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:116 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 08-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-756/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 1 juni 2026 in de zaak 25-756/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 15 december 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 4 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2484857/EvR/BF
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 15 december 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op
15 december 2025 verzonden aan partijen.
1.4 Op 8 januari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 8 januari 2026 ontvangen. Omdat het
verzetschrift meer dan het toegestane aantal van 25 pagina’s bevatte, heeft klager
op verzoek van de raad het aantal pagina’s teruggebracht tot het maximaal toegestane
aantal en zijn verzet op 27 januari 2026 opnieuw ingediend.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 13 april 2026. Daarbij
was klager aanwezig met behulp van een videoverbinding. Verweerder was in de zaal
aanwezig.
1.6 Klager heeft ten behoeve van de zitting op 1 april 2026 zijn pleitnota toegezonden.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 Klager is van mening dat de voorzitter onvoldoende aan waarheidsvinding heeft
gedaan en ten onrechte heeft overwogen dat onjuist handelen van mr. H geen onderwerp
is in deze klacht. Het handelen van mr. H is volgens klager juist de kern van de zaak.
Als mr. H als bekwaam advocaat had gehandeld, was deze (vervolg)klacht tegen mr. P
niet ontstaan.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. J. Schulp en C.M. Peeperkorn, leden, bijgestaan door N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 juni 2026