ECLI:NL:TADRAMS:2026:115 Raad van Discipline Amsterdam 26-014/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:115 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 08-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-014/A/A |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; niet gebleken is dat verweerder in zijn hoedanigheid van bemiddelaar het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Klacht ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 1 juni 2026 in de zaak 26-014/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 4 juni 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 8 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2496568/EvR/BF
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 april 2026. Daarbij
was verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van het door verweerder op 30 maart 2026 nagezonden stuk.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klagers en de heer AK zijn middels hun persoonlijke vennootschappen aandeelhouder
en bestuurder van een vennootschap (hierna: de vennootschap). Tussen klagers en de
heer AK is een geschil ontstaan over de wijze van projectontwikkeling van het vastgoed
van de vennootschap in Amsterdam.
2.3 Partijen hebben geprobeerd het geschil op te lossen door middel van enkele
bemiddelingsgesprekken, onder leiding van verweerder als bemiddelaar.
2.4 Op 17 oktober 2024 heeft verweerder aan de vennootschap een opdrachtbevestiging
gestuurd, waarin hij het volgende schrijft:
“Geachte heren [AK], [klagers],
Onder verwijzing naar het telefonisch overleg van 30 september jl. en de e-mailcorrespondentie
van 1 oktober jl. met mijn kantoorgenoot [mr. Van A], bevestig en aanvaard ik hierbij
de opdracht die u namens [de vennootschap] aan [naam kantoor verweerder] hebt verleend.
(…)
Werkzaamheden
U zult in uw hoedanigheid van (indirect) bestuurders van de Vennootschap onder mijn
begeleiding een vrijblijvend bemiddelingstraject doorlopen waarna partijen een akkoord
op hoofdlijnen kunnen bereiken over de beëindiging van hun geschillen. Ik zal in dit
verband t.z.t. nog een concept-bemiddelingsovereenkomst circuleren.
Nu ik optreed namens de Vennootschap en indachtig het vennootschappelijke belang
daarvan, zal ik in het verlengde van mijn werkzaamheden voor de betrokken partijen
bij eventuele geschilpunten in de toekomst over de uitleg van de bemiddelings- of
eventuele vaststellingsovereenkomst niet één van partijen bijstaan. Het staat mij
desalniettemin vrij (binnen de daarvoor geldende juridische kaders) om zowel binnen
als buiten rechte uitleg te geven over de afspraken tussen partijen, zowel de reeds
bestaande afspraken tussen partijen als de mogelijk op te stellen vaststellingsovereenkomst.
Een eventuele op te stellen vaststellingsovereenkomst zal vanzelfsprekend zo neutraal
mogelijk worden geformuleerd en het staat partijen vrij de vaststellingsovereenkomst
eerst voor te leggen aan hun eigen advocaat.”
2.5 Op 12 november 2024 hebben partijen een bemiddelingsovereenkomst getekend.
In de bemiddelingsovereenkomst staat, voor zover van belang:
“1. [klager 2], [klager 1] en [de heer AK] (de “Aandeelhouders”) houden gezamenlijk
(middellijk) alle geplaatste aandelen in de Vennootschap. [K] Investments, [M] Investments
en [B] Investments zijn gezamenlijk bevoegd bestuurders van de Vennootschap (de “Bestuurders”).
2. Tussen de Aandeelhouders, althans Bestuurders, bestaat een geschil over de wijze
van projectontwikkeling van het vastgoed van de Vennootschap, zijnde (…)
3. Partijen beogen dit geschil op te lossen aan de hand van enkele bemiddelingsgesprekken.
4. Partijen hebben [mr. D] bereid gevonden ter zake het geschil in opdracht van
de Vennootschap als bemiddelaar op te treden.
5. Partijen beloven elkaar om zich tijdens het gesprek serieus in te zetten voor
een oplossing van het geschil, met dien verstande dat zij niet tot een oplossing in
der minne gedwongen kunnen worden en over en weer op voorhand afstand doen van eventuele
rechten uit hoofde van afgebroken onderhandelingen voor het geval de bemiddeling niet
zou slagen.
6. De procedure laten Partijen aan de bemiddelaar over onverminderd de overige bepalingen
van deze overeenkomst. Op de dienstverlening van de bemiddelaar is de opdrachtbevestiging
(inclusief algemene voorwaarden) van zijn kantoor van toepassing. Partijen verklaren
kennis te hebben genomen van die opdrachtbevestiging en algemene voorwaarden. Partijen
zijn bekend met, en accepteren het feit dat [verweerder] geen gecertificeerde of beëdigde
mediator betreft en dat het karakter van deze gesprekken wellicht beter gekwalificeerd
kunnen worden als bemiddelingsgesprekken dan als mediationgesprekken. De bemiddelaar
zal in dat kader – gevraagd en ongevraagd – de haalbaarheid van standpunten met ieder
van partijen bespreken, suggesties doen ter zake een minnelijke regeling, en op andere
wijze zich actief inzetten en bemoeien om het geschil op een minnelijke, en kosten
baten efficiënte wijze te beëindigen.
7. Partijen kunnen niet gehouden worden aan door hen in de bemiddeling ingenomen
standpunten en mededelingen (waaronder de beschrijving van het geschil in artikel
2 hiervoor) en verplichten zich voorts jegens elkaar tot geheimhouding in en buiten
rechte en tot afstand van het recht van bewijslevering ten aanzien van al hetgeen
hen uitsluitend door middel van de bemiddelingsprocedure bekend is geworden op straffe
van een boete van € 10.000 per overtreding, onverminderd het recht op volledige vergoeding
van de door de overtreding geleden schade, dit behoudens een nadere, hiervan afwijkende,
schriftelijk verwoorde overeenkomst waaronder een nader te sluiten vaststellingsovereenkomst
tussen Partijen.”
2.6 Op 1 mei 2025 om 14:40 uur heeft de heer AK in een e-mailbericht aan klagers
en verweerder geschreven:
“Het bemiddelingstraject was helaas al nagenoeg ten einde. Ik kan mij totaal niet
vinden in het huidige traject en ben niet akkoord met de verschillende voorstellen.
Hiermee komt de bemiddeling volledig ten einde.”
2.7 Diezelfde dag om 14:51 uur heeft mr. L namens de heer AK een sommatiebrief
aan klagers gestuurd.
2.8 Op 1 mei 2025 om 16:51 uur heeft verweerder in een e-mailbericht aan klagers
en de heer AK geschreven, voor zover relevant:
“Beste allen,
De bemiddeling vindt plaats op vrijwillige basis. Met het bericht van [AK] is de
bemiddeling beëindigd, waardoor mijn betrokkenheid ook is geëindigd.
Het spijt mij dat ik partijen niet heb kunnen begeleiden naar een minnelijke regeling
(…)
Aan de standpunten ingenomen tijdens deze bemiddeling kunnen geen rechten worden
ontleend en deze vallen bovendien onder geheimhouding. (...)”
2.9 Bij e-mail van 30 mei 2025 om 17:06 uur hebben klagers verweerder verzocht
transparantie te verschaffen over een aantal zaken met betrekking tot het inmiddels
afgesloten bemiddelingstraject.
2.10 Bij e-mail van 30 mei 2025 om 17:58 uur heeft verweerder op dit verzoek
gereageerd en in zijn reactie de heer AK in cc gezet:
“Geachte heren, beste [klager 2], [klager 1] en [AK],
Dank voor onderstaande e-mail. Ik ben vanzelfsprekend bereid rekening en verantwoording
af te leggen aangaande de bemiddeling.
Ik kom er volgende week op terug.”
2.11 Op 2 juni 2025 om 8:02 uur hebben klagers in een e-mailbericht aan verweerder
geschreven, voor zover relevant:
“Tot onze ontsteltenis en grote verbazing hebben wij moeten constateren dat u in
uw (eventuele summiere) reactie op ons Schrijven van 30 mei – een schrijven dat, zoals
u bekend, meerdere zeer vertrouwelijke kwesties aan uw oordeel voorlegde die mede
betrekking hebben op de wederpartij, [AK], [AK] willens en wetens in de cc van uw
correspondentie heeft opgenomen. Deze handelwijze beschouwen wij als een nieuwe, separate
en zeer grove schending van de op u als voormalig mediator en als advocaat rustende
geheimhoudings- en zorgvuldigheidsplichten. Het zonder onze expliciete toestemming
delen van (de context van) onze vertrouwelijke communicatie aan u met de wederpartij
is onacceptabel en ondermijnt iedere schijn van neutraliteit en integriteit die van
een professioneel mediator, ook na beëindiging van diens formele rol, mag worden verwacht.”
2.12 Op 2 juni 2025 om 9:41 uur heeft verweerder in een e-mailbericht aan klagers
en de heer AK geschreven, voor zover relevant:
“Voor nu is denk ik goed om erop te wijzen dat ik geen advocaat van een der partijen
ben geweest maar opdrachtnemer van de vennootschap. Dat is ook de reden dat ik jullie
gedrieën aanschrijf, want aan de vennootschap zal ik – op jullie uitdrukkelijk verzoek
– rekening en verantwoording afleggen voor zover ik dat al niet heb gedaan in mijn
declaraties en e-mailcorrespondentie. Jullie zijn gedrieën bestuurder, dus vandaar
dat mijn correspondentie aan jullie gezamenlijk gericht is.”
2.13 Op 4 juni 2025 hebben klagers bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
2.14 Op 12 juni 2025 heeft verweerder klagers en de heer AK een eindnotitie gestuurd
met betrekking tot zijn werkzaamheden (de rekening en verantwoording). Hij schrijft
in dat verband voor zover relevant:
“Bijgaand treffen jullie mijn reactie aan op de e-mails van [klagers] van 30 mei
jl. Ik merk daarbij op dat ik rekening en verantwoording afleg in mijn rol als bemiddelaar
aan de Vennootschap en deze aan jullie als bestuurders richt. Ik zie ook vanuit een
oogpunt van zorgvuldigheid geen beletselen om [de heer AK] in deze correspondentie
te betrekken: er is geen sprake van feiten of omstandigheden die niet plenair zijn
besproken en/of vastgelegd.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerder dat hij een structureel patroon van normvervaging heeft laten zien, waarbij
hij zijn rol als neutrale mediator heeft verward met die van partijadviseur. Daardoor
is niet alleen de vertrouwelijkheid van het mediationproces herhaaldelijk geschonden,
maar is ook de schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling ontstaan. Specifiek
wijzen klagers op het volgende:
a) het schenden van artikel 5 en 7 van de mediationovereenkomst;
b) het betrekken van de wederpartij in vertrouwelijke correspondentie (na beëindiging);
c) het verwarren van de rollen als opdrachtnemer, mediator en (vermeend) adviseur;
d) inconsistent advies en nalatigheid bij regievoering tijdens en na het bemiddelingstraject.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Deze zaak betreft een klacht over verweerder in een andere hoedanigheid dan
die van advocaat, namelijk de hoedanigheid van bemiddelaar. Het tuchtrecht is bedoeld
om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan
ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die
van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging
waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat.
Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter
slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
5.2 De raad overweegt dat er in dit geval geen aanknopingspunten zijn tussen
de verwijten die klagers verweerder maken en de uitoefening van het beroep van advocaat.
De verwijten gaan over de werkzaamheden van verweerder als bemiddelaar tussen klagers
en de heer AK als bestuurders van de vennootschap. De beoordeling van de raad beperkt
zich gelet hierop tot de vraag of verweerder in zijn hoedanigheid van bemiddelaar
het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
5.3 De raad ziet aanleiding voor een gezamenlijke beoordeling van de klachtonderdelen
a), b), c) en d) en oordeelt dat op grond van het klachtdossier en de standpunten
van partijen niet is gebleken dat verweerder in zijn hoedanigheid van bemiddelaar
het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Ter toelichting geldt het volgende.
5.4 Het verwijt in klachtonderdeel a) dat verweerder de artikelen 5 en 7 van
de bemiddelingsovereenkomst zou hebben geschonden, faalt reeds vanwege het feit dat
verweerder zelf geen partij was bij de bemiddelingsovereenkomst. Klachtonderdeel a)
is daarmee ongegrond.
5.5 Klachtonderdeel b) slaagt evenmin. Hierin verwijten klagers verweerder dat
hij na beëindiging van de bemiddeling de heer AK heeft betrokken bij het beantwoorden
van een vertrouwelijke e-mail van klagers van 30 mei 2025 om 17:06 uur, waarin zij
verweerder hebben verzocht om rekening en verantwoording af te leggen. Verweerder
heeft onderbouwd toegelicht dat hij in zijn antwoord aan klagers de heer AK heeft
betrokken omdat hij rekening en verantwoording diende af te leggen aan de vennootschap,
die zijn opdrachtgever was en klagers en de heer AK alle drie -gezamenlijk bevoegde-
(indirect) bestuurders van de vennootschap zijn. Het was volgens verweerder niet correct
geweest om de heer AK buiten de correspondentie te laten. Hoewel feitelijk gezien
de bemiddeling reeds was geëindigd en het wellicht beter was geweest als verweerder
in zijn antwoord de e-mail van klagers van 30 mei 2025 had weggelaten, acht de raad
het gelet op zijn rol van (voormalig) bemiddelaar in opdracht van vennootschap begrijpelijk
dat hij op deze manier heeft gehandeld. Bovendien hebben klagers niet toegelicht wat
er precies vertrouwelijk was aan hun e-mail van 30 mei 2025 en heeft verweerder onweersproken
aangevoerd dat in de e-mail geen feiten of omstandigheden stonden die niet plenair
waren besproken en/of waren vastgelegd. Voor het verwijt van klagers dat het niet
ondenkbaar is dat er voorafgaand aan het inschakelen van mr. L door de heer AK afstemming
is geweest tussen verweerder en de heer AK, biedt het klachtdossier geen feitelijke
grondslag. Klachtonderdeel b) is dan ook eveneens ongegrond.
5.6 Klachtonderdeel c) faalt naar het oordeel van de raad ook. Hierin verwijten
klagers verweerder dat hij zijn rollen als opdrachtnemer, mediator [de raad leest:
bemiddelaar] en adviseur heeft verward. Verweerder heeft onderbouwd aangevoerd dat
hij optrad als bemiddelaar in opdracht van de vennootschap en in het belang van de
vennootschap. Dat blijkt ook uit de opdrachtbevestiging van verweerder van 17 oktober
2024 en verweerders rekening en verantwoording van 12 juni 2025. Klagers hebben naar
het oordeel van de raad onvoldoende toegelicht op welke wijze verweerder zijn rollen
zou hebben verward. Naar het oordeel van de raad is klachtonderdeel c) daarom eveneens
ongegrond.
5.7 In klachtonderdeel d) hebben klagers verweerder verweten het verstrekken
van inconsistent advies en nalatigheid van regievoering tijdens en na het bemiddelingstraject.
Volgens klagers heeft verweerder essentiële stappen in de bemiddeling nagelaten, belangrijke
voorstellen niet geagendeerd en cruciale momenten ongemoeid gelaten. Verweerder heeft
dit verwijt onder verwijzing naar zijn rekening en verantwoording uitdrukkelijk betwist
en aangevoerd dat hij alle handelingen zorgvuldig heeft gedocumenteerd en heeft afgestemd
met de betrokken partijen. Tegenover het verweer van verweerder hebben klagers dit
klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd, terwijl in de overgelegde stukken ook geen
aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klagers verwijten.
Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, is ook dit onderdeel van de klacht ongegrond.
Conclusie
5.8 De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de klacht in
alle onderdelen faalt. Al hetgeen klagers verder naar voren hebben gebracht leidt
de raad niet tot een ander oordeel.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. J. Schulp en C.M. Peeperkorn, leden, bijgestaan door N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 juni 2026