ECLI:NL:TADRAMS:2026:113 Raad van Discipline Amsterdam 25-913/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:113 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 08-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-913/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij (gedeeltelijk) gegrond. Verweerder heeft de grenzen van het betamelijke overschreden door meerdere malen in strijd met het procesreglement te handelen en de waarheids- en substantiëringsplicht te schenden door de rechter onvolledig te informeren. Een waarschuwing is passend en geboden. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 1 juni 2026 in de zaak 25-913/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagsters
gemachtigde: mr. N. Saidi
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 18 april 2025 heeft de gemachtigde van klaagsters bij de deken van de
Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend
over verweerder.
1.2 Op 30 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2488998/EvR/KV
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 april 2026. Daarbij
werden klaagsters vertegenwoordigd door hun bestuurder, de heer H, en bijgestaan door
hun gemachtigde. Daarnaast was verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagsters zijn importeurs van biologische melkvoeding voor zuigelingen in
poedervorm van het merk [productnaam]. Zij zijn verwikkeld in een geschil met F B.V.
die stelt exclusief distributeur voor Nederland en de Nederlandse Antillen te zijn
van de biologische melkvoeding voor zuigelingen in poedervorm van het merk [productnaam].
Verweerder staat F B.V. in dit geschil als advocaat bij.
2.3 Op 13 maart 2025 heeft verweerder namens F B.V. een verzoekschrift ingediend
bij de rechtbank Limburg strekkende tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van
bewijsbeslag en verhaalsbeslag ten laste van klaagsters 1 t/m 7 en de heer H (middellijk
bestuurder van klaagsters 1 t/m 7). Bij beschikking van 14 maart 2025 heeft de rechtbank
het verlof verleend.
2.4 Op 21 maart heeft verweerder namens F B.V. conservatoir verhaal- en bewijsbeslag
gelegd op de voorraad zuigelingenvoeding van het merk [productnaam] in het magazijn
van klaagsters (het eerste beslag).
2.5 Op 2 april heeft verweerder de rechtbank Limburg om een datum verzocht voor
de behandeling van het kort geding. Op 3 april 2025 is verweerder geïnformeerd dat
de datum was vastgesteld op 3 april 2025 om 9:30 uur.
2.6 Op 4 april 2025 heeft de heer H per e-mailbericht aan verweerder geschreven
dat verweerder volgens klaagsters verschillende onjuiste stellingen had geponeerd
in het beslagrekest. De e-mail luidt voor zover relevant:
“De wijze waarop u, namens [F B.V.], mij en mijn ondernemingen hebt bejegend is
onredelijk, onnodig, buiten iedere proportie en schadelijk voor mij en mijn ondernemingen.
Ik houd u, en uw cliënt, daarvoor aansprakelijk.
Als u of [F B.V.] ervoor had gekozen mij eenvoudig per brief of telefonisch te benaderen,
dan had ik u kunnen uitleggen dat:
de [productnaam] producten die wij verkopen geen namaakproducten zijn
wij [productnaam] producten afkomstig van uw cliënte verkopen
wij daarnaast [productnaam] producten afkomstig van een andere legitieme bron verkopen
wij de [productnaam] producten niet bij [productnaam] GmbH inkopen
wij geen relatie met [productnaam] hebben
wij de [productnaam] producten niet ‘op grote schaal’ verkopen
de door u aangemerkte Litigieuze Producten in België bij, onder meer, Colruyt, Carrefour
en Delhaize worden verkocht
wij part noch deel hebben aan die verkoop in de Colruyt, Carrefour en Delhaize
wij niet weten wie aan Colruyt, Carrefour en Delhaize leveren
wij de van uw cliënte en derden afkomstige [productnaam] producten niet aan Nederlandse
klanten verkopen
wij overigens wèl over een SKAL certificaat beschikken
geen van de door u genoemde buitenlandse websites zich op Nederland richt en in
Nederland levert
wij eerst nu begrijpen dat het 088 telefoonnummer een telefoonnummer is van [F B.V.]
wij menen dat [productnaam] de Nederlandse website beheert (…)
als [F] al schade zou leiden, de oorzaak daarvan niet bij ons gelegd kan worden
Ik verzoek u dringend om de beslagen per direct op te heffen. Ik, noch mijn ondernemingen
zijn de partij waarnaar [F B.V.] op zoek is.
Ik ben graag bereid tot overleg. Ik zal overigens de deurwaarder nog separaat berichten
over de door hen gemaakte fouten. Ik vertrouw erop dat de deurwaarder u vervolgens
zal berichten.”
2.7 Bij e-mail van 8 april 2025 heeft verweerder aan de heer H geantwoord, voor
zover relevant:
“Dank voor uw e-mail. Voordat ik inhoudelijk met u over de zaak kan praten, moet
ik weten of u wordt bijgestaan door een advocaat. Is dat het geval, dan zal ik mij
tot diegene moeten wenden.
Wel kan ik nu opmerken dat cliënte open staat voor overleg, maar ook de formele
weg vervolgt. Cliënte heeft inmiddels een datum gekregen voor het opvolgend kort geding
(15 mei, 9:30 uur) en die wil zij graag behouden.”
2.8 Bij e-mail van eveneens 8 april 2025 heeft de heer H hier als volgt op gereageerd,
voor zover relevant:
“Ik ben prima in staat om het gesprek inhoudelijk met [F] en u aan te gaan en u
mag vooralsnog rechtstreeks met mij communiceren.
Ik vind de gang van zaken overigens opmerkelijk, want u heeft de rechtbank om een
datum gevraagd (en gekregen) zonder mij om mijn verhinderdata te vragen. Kunt u mij
per omgaande alle correspondentie tussen u en de rechtbank sturen, inclusief de concept-dagvaarding
en het aanvraagformulier”
2.9 Op 9 april 2025 heeft de heer H per e-mailbericht verder aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“Naar aanleiding van mijn bericht van gisteren heb ik nog niet van u vernomen.
Ik verzoek u nogmaals dringend doch vriendelijk mij uiterlijk vandaag COB alle correspondentie
tussen u en de rechtbank, inclusief de concept-dagvaarding en het aanvraagformulier,
te verstrekken.”
2.10 Verweerder heeft hierop de heer H bij e-mail van (eveneens) 9 april 2025
de conceptdagvaarding toegezonden en daarbij het volgende geantwoord:
“Daar was ik nog niet aan toegekomen.
Ik maak uit de inhoud van uw e-mail en uw opstelling op dat u wel degelijk wordt
bijgestaan door een advocaat. Het verdient dan ook de voorkeur - als dit inderdaad
zo is - dat deze zich stelt en toegang krijgt tot het procesdossier.
Indien beslag wordt gelegd, is het gebruik om af te wachten tot de beslagene zich
meldt, meestal vertegenwoordigd door een advocaat. Bij u is dat anders gegaan.
Hoe dan ook, hierbij ontvangt u de conceptdagvaarding en het formulier, en kopie
van de uitgewisselde berichten omtrent het kort geding, zoals gevraagd.
Ik zal dit bericht ook aan de rechtbank sturen, althans de rechtbank op de hoogte
brengen van het feit dat u zich, ik neem aan namens alle gedaagden, bij mij heeft
gemeld en dat u de door u gevraagde stukken heeft ontvangen.”
2.11 Op 10 april 2025 heeft verweerder namens F B.V. een kortgedingdagvaarding
laten uitbrengen aan klaagsters tegen de zitting van 15 mei 2025 om 9:30 uur.
2.12 Op 11 april 2025 heeft zich namens klaagsters een advocaat bij verweerder
gesteld, die een nadere toelichting gaf op de brief van klaagsters van 4 april 2025
en een aantal bezwaren formuleerde over de gang van zaken.
2.13 Op 15 april 2025 heeft vervolgens een gesprek tussen verweerder en de advocaat
van klaagsters plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft verweerder voorgesteld om
samen een andere datum voor de zitting te laten bepalen en aangekondigd de verweren
van klaagsters in de e-mail van 4 april 2025 alsnog in het geding te zullen brengen.
Daarbij hebben partijen de contouren van een schikking besproken.
2.14 Op 18 april 2025 heeft de advocaat van klaagsters gemeld dat geen gebruik
gemaakt zou worden van het voorstel om een andere datum voor de zitting te laten bepalen,
dat er geen schikking kon worden bereikt en dat er een klacht over verweerder zou
worden ingediend.
2.15 Klaagsters hebben op 18 april 2025 bij de deken een klacht over verweerder
ingediend.
2.16 Bij aanvullend exploot van 28 april 2025 heeft verweerder alsnog de verweren
zoals op 4 april 2025 door de heer H geuit in het geding gebracht.
2.17 Op 15 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden.
Wegens persoonlijke omstandigheden van de rechter is de zitting vervolgens halverwege
aangehouden tot een nader te bepalen datum.
2.18 Op 10 juni 2025 heeft verweerder namens zijn cliënte opnieuw conservatoir
verhaal- en bewijsbeslag gelegd op [productnaam]-producten in het magazijn van klaagsters
(het tweede beslag).
2.19 Op 10 juli 2025 heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling van
het kortgeding plaatsgevonden. Tijdens die mondelinge behandeling heeft verweerder
namens F B.V. naar voren gebracht dat klaagsters goederen hadden onttrokken aan het
eerste beslag. Het ging volgens F B.V. om onttrekking van 78 blikken poedermelk van
het merk [productnaam].
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagsters verwijten
verweerder het volgende:
a) in strijd met gedragsregel 1 (beroepsplichten) en gedragsregel 8 (geen onjuiste
informatie), verschillende voorschriften uit het Landelijk Procesreglement kort gedingen
rechtbanken (hierna: het procesreglement) te negeren door geen verhinderdata van klaagsters
op te vragen voor het kort geding en de rechtbank Limburg hierover onjuist te informeren,
en verder klaagsters niet tijdig te informeren over dag en tijdstip van de mondelinge
behandeling van het kort geding en de stukken toe te zenden;
b) de waarheidsplicht (art. 21 Rv) en de substantiëringsplicht (art. 11 lid 3
Rv) te schenden door feiten niet volledig en naar waarheid aan te voeren in de kortgedingdagvaarding
van 10 april 2025 en tijdens de mondelinge behandeling van 10 juli 2025.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter
is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de
in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake
is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3 Gedragsregel 8 houdt in dat de advocaat zich zowel in als buiten rechte dient
te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans
behoort te weten, dat die onjuist is.
Oordeel
5.4 In geschil is de vraag over verweerder in zijn bijstand aan zijn cliënte
F B.V. ten opzichte van klaagsters de grenzen van het betamelijke heeft overschreden.
De raad ziet aanleiding voor een gezamenlijke beoordeling van de klachtonderdelen
a) en b).
5.5 Klaagsters verwijten verweerder dat hij hen op 21 maart 2025 volledig onverwacht
heeft geconfronteerd met de tenuitvoerlegging van bewijs- en verhaalsbeslagen op basis
van een beslagrekest dat aantoonbare onjuistheden bevat. Bovendien heeft verweerder
zich daarbij niet gehouden aan de regels van het procesreglement. Vervolgens heeft
verweerder de waarheids- en substantiëringsplicht geschonden - daarmee eveneens in
strijd met gedragsregel 8 gehandeld - door dezelfde onjuiste stellingen uit zijn beslagrekest
over te nemen in zijn dagvaarding van 10 april 2025, hoewel klaagsters verweerder
op 4 april 2025 hadden gewezen op deze onjuistheden. Daarbij heeft verweerder bovendien
nagelaten in zijn dagvaarding de verweren die klaagsters van 4 april 2025 hadden geuit
te betrekken, terwijl hij hiertoe op grond van artikel 111 lid 3 Rv uitdrukkelijk
verplicht is, hetgeen eveneens strijd met gedragsregel 8 oplevert. Tijdens de zitting
van 10 juli 2025 heeft verweerder klaagsters ten onrechte beschuldigd door zonder
enig voorbehoud te verkondigen dat klaagsters goederen aan het beslag hadden onttrokken,
waarbij hij benadrukte dat dit een strafbaar feit betrof. Hiermee heeft verweerder
opnieuw de waarheidsplicht en gedragsregel 8 geschonden.
5.6 De raad overweegt het volgende. Niet in geschil is dat verweerder namens
F B.V. in strijd met het procesreglement bij de rechtbank Limburg een datum voor een
kort geding heeft aangevraagd zonder eerst de verhinderdata van klaagsters op te vragen.
Daarnaast heeft verweerder in het aanvraagformulier waarin de verhinderdata van beide
partijen worden gevraagd, verhinderdata opgegeven zonder een kanttekening te maken
dat het alleen zijn eigen verhinderdata betrof en niet mede de verhinderdata van klaagsters.
Nadat verweerder op 3 april 2025 door de rechtbank Limburg was geïnformeerd over de
datum van de mondelinge behandeling heeft verweerder pas vijf dagen later, op 8 april
2025, klaagsters hierover geïnformeerd. Op 9 april 2025, en dus zes dagen later, heeft
verweerder - na herhaald verzoek van klaagsters - de conceptdagvaarding aan klaagsters
verstrekt. Ook op dit punt heeft verweerder in strijd met het procesreglement gehandeld.
Hierin is namelijk bepaald dat zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee dagen na ontvangst
van de dagbepaling de gedaagde partij moet worden geïnformeerd over de datum van de
mondelinge behandeling en dient te worden voorzien van de conceptdagvaarding. Verweerder
heeft deze gedragingen erkend, maar aangevoerd dat schendingen van het procesreglement
(eventueel) in de onderliggende civiele procedure gesanctioneerd kunnen worden en
geen tuchtrechtelijk verwijt opleveren.
5.7 De raad volgt verweerder niet in zijn stelling. Hoewel een schending van
het procesreglement op zichzelf inderdaad geen zelfstandige grond vormt voor een tuchtrechtelijk
verwijt, betekent dit niet dat dergelijk handelen steeds zonder gevolgen blijft. Het
procesreglement heeft immers een duidelijke functie: het waarborgen van een ordelijk
en eerlijk verloop van een procedure. Door zich bij herhaling niet aan deze regels
te houden, acht de raad een tuchtrechtelijke veroordeling in het geval van verweerder
wel degelijk op zijn plaats.
5.8 Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat hij er niet toe gehouden was klaagsters
te informeren over de zittingsdatum en hen een afschrift van de conceptdagvaarding
te sturen, omdat klaagsters zich aanvankelijk hadden opgesteld als niet-gemachtigde
partij, terwijl verweerder vermoedde dat er wel een beslagadvocaat op de achtergrond
aanwezig was (die hij bovendien kende), volgt de raad verweerder niet in dit betoog.
Als verweerder meende dat klaagsters een beslagadvocaat hadden, dan had hij die advocaat
tijdig kunnen informeren. Ook voor zover verweerder heeft aangevoerd dat het niet
opvragen van de verhinderdata van klaagsters gerechtvaardigd was vanwege het risico
op verduistering, deelt de raad dit standpunt niet. Door het leggen van conservatoir
beslag op 21 maart 2025 bestond het risico op verduistering niet meer op het moment
dat verweerder de zittingsdatum aanvroeg. Anders dan verweerder is de raad niet van
oordeel dat verweerder met zijn voorstel om een andere zittingsdatum te vragen het
verwijtbaar handelen in voldoende mate heeft gecompenseerd.
5.9 Ook onderschrijft de raad de stelling van klaagsters dat verweerder de waarheids-
en substantiëringsplicht heeft geschonden en daarmee ook gedragsregel 8, door de verweren
van klaagsters in hun e-mail van 4 april 2025 niet in zijn dagvaarding te adresseren.
Pas nadat klaagsters een tuchtklacht hadden ingediend over verweerder, heeft verweerder
op 28 april 2025 een aanvullend exploot laten uitbrengen en daarin de verweren van
klaagsters alsnog geadresseerd. Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat het hem
niet duidelijk was dat de e-mail de verweren van klaagsters bevatte, acht de raad
dit niet geloofwaardig. De e-mail bevat een duidelijke betwisting van de stellingen
van verweerders cliënte F B.V. Het had het op de weg van verweerder gelegen om de
rechtbank hierover reeds in zijn dagvaarding te informeren en niet pas bij aanvullend
exploot. Door dit na te laten heeft verweerder bewust relevante informatie voor de
rechter achtergehouden en dat valt verweerder tuchtrechtelijk aan te rekenen.
5.10 Voor zover klaagsters stellen dat verweerder ook op de zitting van 10 juli
2025 bewust onwaarheden heeft verkondigd door klaagsters te beschuldigen van onttrekking
aan beslag, volgt de raad klaagsters niet. Verweerder heeft toereikend aangevoerd
dat het niet zonder meer te verklaren was waarom de hoeveelheid producten in het tweede
beslag afweek van de hoeveelheid in het eerste beslag. Het stond verweerder vrij om
dit verschil namens zijn cliënte op de zitting aan de orde te stellen en daarbij is
niet gebleken dat verweerder zijn waarheidsplicht of gedragsregel 8 heeft geschonden.
Het bewust verstrekken van onjuiste informatie heeft de raad in zoverre niet kunnen
vaststellen.
Conclusie
5.11 De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat klachtonderdeel
a) volledig en klachtonderdeel b) gedeeltelijk gegrond is en voor het overige ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft de grenzen van het betamelijke overschreden door meerdere
malen in strijd met het procesreglement te handelen en de waarheids- en substantiëringsplicht
te schenden door de rechter onvolledig te informeren. Hiermee heeft verweerder niet
gehandeld zoals van een advocaat in het kader van een behoorlijke procesvoering mag
worden verwacht. De raad acht in deze omstandigheden het opleggen van een waarschuwing
passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagsters geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun
rekeningnummer schriftelijk aan verweerders door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van de bestuurder van klaagsters
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagsters. Klaagsters geven
binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline” en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) en b) (gedeeltelijk) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) (overigens) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan de bestuurder
van klaagsters, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4;
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. J. Schulp en C.M. Peeperkorn, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 juni 2026