ECLI:NL:TADRAMS:2026:112 Raad van Discipline Amsterdam 25-865/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:112
Datum uitspraak: 01-06-2026
Datum publicatie: 08-06-2026
Zaaknummer(s): 25-865/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Onderliggende procedure betreft een conflict in een VvE. De raad is van oordeel dat verweerder met een geldige opdracht de VvE heeft bijgestaan in de verzoekschriftprocedure die klagers tegen de VvE waren gestart. Klacht in zoverre ongegrond. Klagers hebben geen rechtstreeks belang bij hun klacht over de cliëntrelatie tussen verweerder en zijn cliënten (de VvE en individuele leden van de VvE). Klacht in zoverre niet-ontvankelijk.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 1 juni 2026 in de zaak 25-865/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klagers

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 2 april 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 16 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2484399/ER/FS van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 april 2026. Daarbij was klager, ook namens klaagster, en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen van de op 30 maart 2026 door klagers en verweerder nagezonden stukken.  

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klagers zijn sinds 2020 eigenaar van een appartement (met huisnummer 6E) in een appartementencomplex in Den Haag. Zij zijn lid van de Vereniging van Eigenaars (VvE). De heer C is de voorzitter van de VvE en tevens medewerker van Totaal VVE Beheer Den Haag en Omstreken B.V. (hierna VVE Beheer), die enig bestuurder is van de VvE. De heer S van VVE Beheer is de tekenbevoegde persoon. 
2.3    In het splitsingsakte van de VvE is het volgende bepaald: 
“57.5. Het bestuur behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen of verzoekschriftprocedures, het aangaan van vaststellingsovereenkomsten, en voor het verrichten van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen die een belang van een nader door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaan. Zolang de vergadering het bedoelde bedrag nog niet heeft vastgesteld, bedraagt dit bedrag vijfduizend euro (€ 5.000,-). Het bestuur behoeft geen machtiging om in een geding verweer te voeren, voor het nemen van conservatoire maatregelen en voor het voeren van incassoprocedures. Deze regeling heeft externe werking en geldt dus ook tegenover (rechts)personen die rechtshandelingen aangaan met de vereniging.
57.6. Voor zover het nemen van spoedeisende maatregelen noodzakelijk is, is het bestuur hiertoe zonder opdracht van de vergadering bevoegd. Daarbij geldt dat het voor het aangaan van verbintenissen die een belang van vijfduizend euro (€ 5.000,-) of een nader door de vergadering vast te stellen ander bedrag te boven gaan de machtiging nodig heeft van de voorzitter.”
2.1    Op 11 juli 2024 heeft een Algemene ledenvergadering (Alv) van de VvE plaatsgevonden. Klagers, althans klager, waren hierbij aanwezig, vergezeld door een juridisch adviseur (de heer K). Omdat enkele andere leden van de VvE zich ook juridisch wilden laten bijstaan, is het vervolg van de Alv uitgesteld. Deze (in totaal negen) leden hebben verweerder benaderd voor juridische bijstand. Zodoende is tussen verweerder en de negen individuele leden van de VvE in juli 2024 een opdrachtovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst heeft verweerder de Alv op 5 augustus 2024 bijgewoond en met betrekking tot de aldaar besproken discussiepunten juridische bijstand verleend. Met deze rechtsbijstandverlening aan de negen VvE-leden is de opdracht beëindigd. 
2.2    Op 30 augustus 2024 heeft klager een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter in Den Haag om een aantal van de op 5 augustus 2024 tijdens de Alv genomen besluiten te laten vernietigen. Op 11 december 2024 heeft de voorzitter van de VvE - heer C - verweerder namens de VvE verzocht om de VvE in de verzoekschriftprocedure bij te staan. In dat verband heeft verweerder in december 2024 een opdrachtovereenkomst gesloten met de VvE. 
2.3    Op 7 januari 2025 heeft verweerder namens de VvE een verweerschrift ingediend en op 14 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarbij verweerder namens de VvE aanwezig was. 
2.4    Op 2 april 2025 hebben klagers bij de deken een klacht over verweerder ingediend.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder dat hij de VvE zonder geldig mandaat van de Alv heeft vertegenwoordigd in de verzoekschriftprocedure, waaronder de mondelinge behandeling van 14 januari 2025. Dit is in strijd met de splitsingsakte van de VvE. Verweerder heeft geprobeerd op ongeoorloofde wijze deze onregelmatigheid retroactief te legaliseren. Verweerder bleek bovendien al sinds (of zelfs al voor) de Alv van 5 augustus 2024 de VvE te vertegenwoordigen, terwijl hij eerder enkele individuele leden van de VvE heeft bijgestaan. Dat levert een belangenconflict op. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader 
5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2    Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, maar slechts aan degene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar belang is of kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken, die de bevoegdheid heeft tegen een advocaat gerezen bezwaren ter kennis van de raad te brengen.
Ontvankelijkheid klacht
5.3    Verweerder heeft primair verzocht klagers niet-ontvankelijk te verklaren in hun klacht omdat zij verweerder niet de gelegenheid hebben geboden om deze klachtprocedure te voorkomen. Volgens verweerder hadden klagers hem eerst moeten benaderen of een klacht bij zijn kantoor moeten indienen. De raad volgt verweerder niet in dit standpunt. Hoewel het wellicht beter was geweest als klagers eerst een klacht bij het kantoor van verweerder hadden ingediend, is dat geen vereiste voor de ontvankelijkheid van de klacht. 
Belangenconflict
5.4    Voor zover klagers zich op het standpunt stellen dat verweerder in een belangenconflict terechtgekomen is door eerst bijstand te verlenen aan negen individuele leden van de VvE en daarna (dan wel voorafgaand en/of gelijktijdig) aan de VvE is de klacht niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang bij klagers (zie toetsingskader 5.2). Ter toelichting geldt het volgende. 
5.5    Dit verwijt heeft betrekking op de advocaat-cliëntrelatie tussen verweerder en zijn cliënten (de individuele leden van de VvE en de VvE). Als één van de cliënten van verweerder van mening is dat er tussen hen een onderling tegenstrijdig belang bestaat, dan kunnen zij daarover desgewenst een klacht over verweerder indienen. Klagers, die geen cliënt van verweerder zijn of in het verleden zijn geweest, staan hier buiten. Voor zover klagers van mening zijn dat hen als leden van de VvE een recht toekomt om te klagen, is dat standpunt onjuist. Klagers hebben in die hoedanigheid slechts een afgeleid belang en kunnen dus niet via het tuchtrecht klagen. Als zij menen dat de VvE verweerder niet als advocaat had mogen inschakelen dan kunnen zij de VvE daarop aanspreken (zie ook beslissing van de (voorzitter van de) raad van 19 januari 2026, ECLI:NL:TADRAMS:2026:15). De klacht is in zoverre niet-ontvankelijk.
Mandaat 
5.6    Klagers verwijten verweerder verder dat hij de VvE zonder geldig mandaat van de Alv heeft vertegenwoordigd in de verzoekschriftprocedure, waaronder de mondelinge behandeling van 14 januari 2025. Dit is volgens klagers in strijd met de splitsingsakte van de VvE. Verweerder heeft geprobeerd op ongeoorloofde wijze deze onregelmatigheid achteraf te legaliseren.
5.7    Dit verwijt slaagt niet. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht, en dit volgt ook uit het klachtdossier, dat de opdracht tot het voeren van verweer verstrekt is door de heer S die bevoegd was het bestuur van de VvE te vertegenwoordigen. Dat verweerder hieraan had moeten twijfelen, is de raad niet gebleken. Op grond van artikel 57.5 van de splitsingsakte (zie feiten onder 2.3) geldt dat het bestuur van de VvE, anders dan klagers stellen, voor het voeren van verweer geen machtiging van de Alv nodig heeft. Anders dan klager op zitting heeft gesteld, beperkt deze regel zich niet tot een spoedeisende situatie. De raad komt gelet hierop tot de slotsom dat verweerder met een geldige opdracht de VvE heeft bijgestaan in de verzoekschriftprocedure die klager tegen de VvE gestart was. De klacht is in zoverre ongegrond. 
5.8    Voor zover klagers tot slot hebben gesteld dat verweerder heeft geprobeerd om op de Alv van 15 april 2025 met terugwerkende kracht een besluit over zijn betrokkenheid te laten nemen en daarmee zijn bijstand te legaliseren, heeft verweerder dit verwijt uitdrukkelijk betwist. Het was hem ook niet bekend dat zijn betrokkenheid een onderwerp was op de Alv van 15 april 2025. Ook de raad heeft op geen enkele wijze kunnen vaststellen dat verweerder op welke manier dan ook betrokken is geweest bij dergelijke besluitvorming. Ook in zoverre is de klacht daarmee ongegrond.
5.9    De raad komt tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen faalt. Al hetgeen klagers verder naar voren hebben gebracht, brengt de raad niet tot een ander oordeel.    

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. J. Schulp en C.M. Peeperkorn, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.

Griffier     Voorzitter

Verzonden op: 1 juni 2026