ECLI:NL:TADRAMS:2026:111 Raad van Discipline Amsterdam 25-823/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:111
Datum uitspraak: 01-06-2026
Datum publicatie: 08-06-2026
Zaaknummer(s): 25-823/A/NH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; gegronde klacht over de kwaliteit van dienstverlening. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door bij de behandeling van klaagsters zaak onvoldoende voortvarendheid te betrachten en door klaagster onvoldoende te informeren over de kans van slagen van de zaak. Bovendien heeft verweerster niet voorzien in passende waarneming in de periode dat zij vanwege gezondheidsproblemen trager werkte dan gebruikelijk en klaagster hierover ook niet geïnformeerd. Hierdoor heeft verweerster klaagster de mogelijkheid ontnomen om een andere advocaat in de arm te nemen. De raad acht het opleggen van een berisping in deze omstandigheden passend en geboden.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 1 juni 2026 in de zaak 25-823/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerster 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 7 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 24 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2440081 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is, na een eerdere aanhouding, behandeld op de zitting van de raad van 10 april 2026. Daarbij waren klaagster met haar gemachtigde en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 15. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster heeft fillers in haar bovenbenen en billen laten inspuiten, die zijn gaan ontsteken. Vanwege de ontstekingen en de pijn die klaagster daarvan ondervindt, heeft zij haar zorgverzekeraar op 28 januari 2021 verzocht de kosten voor een hersteloperatie en het verwijderen van de fillers te vergoeden. De zorgverzekering heeft dit verzoek afgewezen.
2.3    Op 30 juni 2021 heeft klaagster zich gewend tot verweerster om haar bij te staan in een klachtenprocedure bij het SKGZ (Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekering) en eventueel in een rechtszaak tegen de zorgverzekeraar.  
2.4    Bij brief van 2 juli 2021 heeft verweerster aan klaagster haar opdracht bevestigd en daarin onder meer het volgende geschreven:
“Hiermee bevestig ik u hetgeen (…) ter gelegenheid van onze bespreking op 30-06-2021 jl. ter sprake is gekomen, namelijk dat ik voor u zal optreden in de zaak tegen [de zorgverzekeraar]. (…) 
U heeft meerdere malen verzocht aan [de zorgverzekeraar] om de kosten van het verwijderen van de fillers te vergoeden maar [de zorgverzekeraar] heeft die aanvraag afgewezen. We zullen nu nadat [de zorgverzekeraar] weer tot een afwijzing is gekomen het SKGZ om advies vragen. 
Van alle correspondentie ontvangt u afschriften en belangrijke stukken aan de wederpartij zal ik eerst in concept toezenden voordat ik die verzend.”
2.5    Bij e-mail van 23 september 2022 heeft de voormalige belangenbehartiger van klaagster (mevrouw R) stukken aan verweerster gestuurd. Het gaat om een brief en rappelbrief die zij in juni en september 2022 aan de zorgverzekeraar had gestuurd. In haar e-mail schrijft mevrouw R dat zij - als er weer geen reactie volgt vanuit de zorgverzekeraar - de zaak aan verweerster overdraagt. Verweerster heeft daarop gereageerd dat zij de reactie afwacht. 
2.6    Bij e-mail van 17 oktober 2022 heeft mevrouw R aan verweerster geschreven dat klaagster opnieuw een afwijzing heeft ontvangen van de zorgverzekeraar en dat zij voorstelt dat verweerster nu contact legt met het de zorgverzekeraar. 
2.7    Bij e-mail van 15 januari 2023 heeft de huidige belangenbehartiger van klaagster (mevrouw K) stukken aan verweerster gestuurd en aangegeven dat het fijn zou zijn wanneer er nu eindelijk wat stappen konden worden gezet. Zij schrijft in dat verband: 
“De eerste stap is de geschillencommissie. De zorgverzekering verwijst daar ook naar in zijn reactie op een bezwaar. Die willen natuurlijk ook graag dat nu eens de volgende stap wordt gezet.”
2.8    Bij e-mail van 19 januari 2023 heeft mevrouw K gevraagd of verweerster voldoende informatie had om naar de geschillencommissie (SKGZ) te gaan.
2.9    Op 18 december 2023 heeft verweerster mevrouw K verzocht om nadere gegevens met betrekking tot de ziektekostenpolis van klaagster. Op 22 april 2024 heeft verweerster ten behoeve van klaagster stukken aan mevrouw K doorgezonden. 
2.10    Verweerster heeft op 21 mei 2024, met rappel op 5 juni 2024, een e-mail gestuurd aan de organisatie ARQ Centrum’45. Verweerster heeft hierin gevraagd om een verklaring over de PTSS-klachten van klaagster. Bij e-mail van 18 juni 2024 heeft verweerster mevrouw K en klaagster laten weten dat zij nog geen reactie had ontvangen van ARQ Centrum’45 en telefonisch contact met hen zou opnemen.  
2.11    Op 4 november 2024 heeft verweerster een conceptbrief aan de zorgverzekeraar gedeeld met mevrouw K. Zij heeft hier een aantal opmerkingen over gemaakt, waarna verweerster op 7 november 2024 heeft laten weten dat zij de conceptbrief ging aanpassen.   
2.12    Op 24 januari 2025 heeft verweerster een brief gestuurd aan de zorgverzekeraar met een rappel omdat op een eerdere brief niet zou zijn gereageerd. De bedoelde eerdere brief is bijgevoegd en daarin is een uitgebreide beschrijving van de klachten van klaagster gegeven met het dringende verzoek aan de zorgverzekeraar alsnog tot vergoeding van de kosten van het verwijderen van de fillers van klaagster over te gaan. Deze brief is ongedateerd. 
2.13    Bij e-mail van 27 januari 2025 heeft mevrouw K aan verweerster het volgende geschreven: 
“De verzekering van [klaagster] heeft gebeld. Ze probeerden contact met u te krijgen, maar omdat dat ondanks herhaald bellen niet lukte, hebben ze ons gebeld. 
De boodschap:
‘wij kunnen uw advocaat niet bereiken, daarom bellen we u. 
Uw advocaat heeft een brief geschreven, die inhoudelijk niet verschilt van de brief die zij drie jaar geleden heeft geschreven.
Wij hebben destijds het verzoek afgewezen, omdat het zou gaan om liposuctie. 
De advocaat weerlegt dit niet in de nieuwe brief, er staat ook geen nieuwe informatie in de brief. 
Het medisch rapport dat is bijgevoegd, is hetzelfde als drie jaar geleden. 
Ergo ook geen nieuwe informatie. 
Als u wilt dat wij uw verzoek opnieuw in behandeling nemen, dan is het nodig dat wij nieuwe informatie krijgen. En een nieuw medisch rapport van de specialist, waaruit blijkt dat het niet gaat om liposuctie.’ 
Enfin, ik begrijp uit dit telefoontje: 
-    Dat de verzekering heeft gereageerd op uw brief van drie jaar geleden. Ondanks meerdere verzoeken aan u of er al is gereageerd (en zo ja, wat) heeft u dit nooit teruggekoppeld. Ik wil graag weten wat de verzekering destijds heeft gezegd. 
-    Ik begrijp dat u een nieuwe brief heeft gestuurd. 
U had mij in november een conceptbrief gestuurd, waarop ik heb gereageerd. Ik heb nooit een nieuwe brief ontvangen. Uit de reactie van de verzekering begrijp ik dat er wel een brief is verstuurd. Een bijgestelde brief? Ik wil graag een kopie van de brief zoals deze is verstuurd naar de verzekering. (…)” 
2.14    Op 6 februari 2025 heeft verweerster laten weten dat zij drie jaar geleden géén brief aan de zorgverzekeraar heeft geschreven, omdat mevrouw R (de voormalige belangenbehartiger van klaagster) toen nog bij de zaak was betrokken. Verweerster heeft de zaak zoals afgesproken voorgelegd aan het SKGZ en in overleg als ultimum poging om de kosten van klaagster vergoed te krijgen een nieuwe aanvraag bij de zorgverzekeraar gedaan.  

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, door niet of nauwelijks actie te ondernemen in het dossier van klaagster.  
3.2    Klaagster stelt dat verweerster haar zaak in 2021 heeft geaccepteerd, maar dat er sindsdien eigenlijk niets meer is gebeurd, ook niet nadat verweerster herhaaldelijk is verzocht actie te ondernemen. Nadat in januari 2023 was afgesproken dat er vaart gemaakt zou worden met de zaak, is daar niets van terechtgekomen. Pas een klein jaar later heeft verweerster nadere stukken bij klaagster opgevraagd. Klaagster betwist dat er geregeld telefoongesprekken zijn gevoerd en op het kantoor van verweerster zijn klaagster en mevrouw K slechts één keer geweest. Om toezending van (concept) brieven heeft klaagster altijd moeten verzoeken en een terugkoppeling heeft klaagster nooit ontvangen. Telefonisch heeft verweerster wel bevestigd dat zij een brief aan SGKZ heeft gestuurd, maar daarvan heeft klaagster geen bewijs ontvangen. Verweerster zou een hartoperatie hebben ondergaan waardoor zij niet kon functioneren. Dat is telefonisch aan klaagster medegedeeld, maar toen klaagster zei dat daarover dan beter gecommuniceerd had moeten worden, gaf verweerster ineens aan dat ze wel een brief aan de zorgverzekeraar had verzonden. Een concept heeft klaagster echter niet ontvangen, evenmin een afschrift van de daadwerkelijk verzonden brief. 
3.3    Klaagster heeft op 27 januari 2025 een e-mail aan verweerster gezonden naar aanleiding van een telefoongesprek met de zorgverzekeraar. Uit dat gesprek bleek dat verweerster wel een brief had verzonden, maar niet wat erin stond en ook die brief was niet inhoudelijk afgestemd met klaagster of met mevrouw K (de belangenbehartiger van klaagster). De zorgverzekeraar liet weten dat verweerster slecht bereikbaar was en dat zij een brief had gestuurd die qua inhoud ongeveer gelijkluidend was aan een eerdere brief, waarop al een afwijzing was gegeven. Die nieuwe brief werd, zo liet de zorgverzekeraar aan klaagster weten,  om die reden niet in behandeling genomen. Klaagster heeft tot slot gesteld dat verweerster ook niet adequaat is ingegaan op de klacht die op grond van de kantoorklachtenregeling is ingediend bij haar kantoor. 
3.4    De raad zal hierna op de klacht ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerster voert aan dat haar handelen steeds in overleg en na afstemming met klaagster en/of haar belangenbehartiger heeft plaatsgevonden. Over de inhoud van de brieven die verweerster heeft gezonden is contact geweest en door klaagster voorgestelde wijzigingen zijn door verweerster in de brieven verwerkt. Inhoudelijk is verweerster van mening dat haar geen verwijt treft. Ten aanzien van de klacht over de duur van de afhandeling erkent verweerster dat zij sneller had moeten handelen. Zij voert aan dat er sprake was van werkdruk en gezondheidsproblemen aan haar zijde. Verweerster benadrukt dat dit echter niet voor rekening van klaagster had mogen komen en biedt daarvoor haar verontschuldigingen aan.

5    BEOORDELING
Maatstaf 
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij of zij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Het optreden van verweerster zal aan de hand van deze maatstaf worden beoordeeld. 
Oordeel 
5.2    Naar het oordeel van de raad is verweerster ernstig tekortgeschoten in de behartiging van de belangen van klaagster. Klaagster heeft verweerster op 30 juni 2021 al gevraagd om haar bij te staan in een klachtenprocedure bij het SKGZ en eventueel in een rechtszaak tegen de zorgverzekeraar. Weliswaar blijkt uit de stukken dat aanvankelijk was afgesproken dat klaagster nog een reactie van de zorgverzekeraar op haar laatste aanvraag om vergoeding van de hersteloperatie zou afwachten, maar in september 2022 heeft mevrouw R verweerster verzocht om de zaak ter hand te nemen. Afgesproken was dat verweerster de zaak aan het SKGZ zou voorleggen. Mevrouw K heeft verweerster in januari 2023 nog ontbrekende stukken toegezonden, haar gevraagd of zij zo voldoende informatie had om de klacht in te dienen en haar verzocht om de zaak nu met de nodige voortvarendheid op te pakken. Vervolgens is er bijna een jaar niets gebeurd en heeft verweerster klaagster pas op 18 december 2023 om aanvullende stukken verzocht. Daarna verstreken er weer maanden voordat verweerster op 21 mei 2024 de organisatie ARQ Centrum’45 verzocht om een verklaring over de PTSS-klachten van klaagster te geven. Zo’n vijf maanden later op 4 november 2024 heeft verweerster een conceptbrief aan de zorgverzekeraar met mevrouw K gedeeld. Of die brief ook daadwerkelijk is verzonden, is klaagster niet duidelijk en ook bij verweerster bestaat onduidelijkheid over de vraag of deze brief wel of niet is verzonden. Op verzoeken van de zijde van klaagster om contact op te nemen, is onbetwist gesteld dat verweerster hier nauwelijks op reageerde en uit de e-mail van mevrouw K van 27 januari 2025 volgt dat ook de zorgverzekeraar verweerster niet kon bereiken. 
5.3    Voor zover verweerster heeft aangevoerd dat de kans van slagen van klaagsters zaak beperkt was, had het op de weg van verweerster gelegen om dit duidelijk en schriftelijk aan klaagster uit te leggen danwel de zaak niet aan te nemen. Het klachtdossier bevat geen communicatie in de vorm van een plan van aanpak of e-mail waarin klaagster wordt gewezen op de gemaakte keuzes, kansen en risico’s van de zaak. Evenmin is er een verklaring waarom verweerster met zulke lange tussenpozen reageerde. Het is de raad ook niet gebleken dat de klacht die klaagster bij het kantoor van verweerster had ingediend adequaat is afgehandeld. 
5.4    Voor zover verweerster verder heeft aangevoerd dat zij door werkdruk en gezondheidsproblemen trager werkte dan gebruikelijk, geldt dat het op verweersters weg had gelegen om bij ziekte een zaakwaarnemer in te schakelen. Door hiervan af te zien heeft verweerster klaagster onnodig lang aan het lijntje gehouden in een zaak die vanwege de pijnlijke situatie waarin klaagster verkeert, juist extra een voortvarende aanpak vereiste.   
5.5    De raad komt tot de slotsom dat verweerster niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht en dat haar handelwijze in strijd is met de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet. Hiermee heeft verweerster niet alleen de belangen van klaagster, maar ook het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. De raad zal de klacht gelet hierop gegrond verklaren. 

6    MAATREGEL
6.1    Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door bij de behandeling van klaagsters zaak onvoldoende voortvarendheid te betrachten en door klaagster onvoldoende te informeren over de kans van slagen van de zaak. Bovendien heeft verweerster niet voorzien in passende waarneming in de periode dat zij vanwege gezondheidsproblemen naar haar zeggen trager werkte dan gebruikelijk en klaagster hier ook niet over heeft geïnformeerd. Hierdoor heeft verweerster klaagster de mogelijkheid ontnomen om een andere advocaat in de arm te nemen. De raad acht het opleggen van de maatregel van berisping in deze omstandigheden passend en geboden. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 
7.3    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht gegrond;
-    legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M. Bootsma en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2026.

Griffier     Voorzitter

Verzonden op: 1 juni 2026