ECLI:NL:TADRAMS:2026:11 Raad van Discipline Amsterdam 25-608/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:11 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 23-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-608/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is in alle klachtonderdelen ongegrond. Verweerder en mr. H hebben (uitvoerig) met elkaar gecorrespondeerd over de uitvoering van het vonnis en de hieruit voortvloeiende verdeling van de nalatenschap. Blijkens de mailwisseling hebben zij met elkaar geprobeerd om de verdeling van de roerende zaken en de nog aan elkaar te betalen saldi in goede banen te leiden. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt omdat klaagster en de cliënte van verweerder geen overeenstemming konden vinden, kan verweerder niet worden verweten. Blijkens de overgelegde e-mailcorrespondentie is van het door verweerder actief belemmeren van de uitvoering van een vonnis in ieder geval geen sprake. Op grond van de inhoud van het klachtdossier kan evenmin worden vastgesteld dat verweerder niet of onvoldoende in staat is geweest om het vonnis op een duidelijke manier aan zijn cliënte uit te leggen. Dat de cliënte van verweerder en verweerder zich niet konden vinden in de wijze waarop klaagster en haar advocaat het vonnis lazen, kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. Het stond de cliënte van verweerder -en daarmee verweerder- op grond van het voorgaande vrij om het vonnis te laten executeren. Verweerder en zijn cliënte waren van mening dat klaagster niet voldeed aan het vonnis en zij hebben dit meermaals aan klaagster en haar advocaat laten weten. Van misbruik van recht door verweerder is daarom geen sprake. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 19 januari 2026
in de zaak 25-608/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 8 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2459381/BF
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij
waren klaagster en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster was met haar zus verwikkeld in een geschil over de verdeling van
de nalatenschap van hun overleden vader (hierna: de vader).
2.3 De zus van klaagster (hierna: de zus) werd in het geschil bijgestaan door
verweerder.
2.4 Tussen partijen is een civiele procedure gevoerd bij de rechtbank Den Haag
(hierna: de rechtbank).
2.5 Op 27 november 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen. In het vonnis heeft
de rechtbank bepaald, voor zover relevant:
“De rechtbank
5.1. gelast de wijze van de verdeling van de nalatenschap van [de vader], overleden
op 15 november 2023, als volgt:
a. [de zus] betaalt aan [klaagster] € 517,86, op voorwaarde dat [klaagster] de facturen
van Vattenfall aan haar overlegt:
b. [Klaagster] betaalt aan [de zus] een bedrag van € 2.762,87, vermeerderd met de
wettelijke rente over dat bedrag, vanaf 23 februari 2024 tot aan de dag van volledige
voldoening;
c. de resterende saldi op de bankrekeningen van [de vader] worden toebedeeld aan
[de zus];
d. aan [de zus] en [klaagster] wordt ieder de helft van de postzegelverzameling
toebedeeld. waarbij eerst [de zus] en vervolgens [klaagster] ieder om beurten één
album uitkiezen;
e. [De zus] en [klaagster] maken binnen vier weken na de vonnisdatum een afspraak
over de datum wanneer en de plaats waar de fotoalbums, losse foto’s, getuigschriften
en diploma’s van [de vader] door [klaagster] worden uitgewisseld tegen het fotoalbum
van hun moeder door [de zus], waarna partijen deze stukken vier weken onder zich houden
voordat deze over en weer aan elkaar worden teruggegeven; (…)”
2.6 Op 2 december 2024 heeft verweerder de (toenmalig) advocaat van klaagster
(hierna: mr. H) in een e-mailbericht geschreven, voor zover relevant:
“U zult inmiddels ook kennis hebben genomen van het vonnis in onze zaak van 27 november
jl.
Op basis van dit vonnis verzoek ik uw cliënte het bedrag van € 2.762,87, vermeerderd
met de wettelijke rente (tot op heden € 150,07), voor 9 december a.s. te betalen op
de rekening van cliënte met IBAN (…)t.n.v. [de zus]. Tevens verzoek ik uw cliënte
op grond van het vonnis, tevens binnen één week, de resterende saldi van de bankrekeningen
van erflater aan haar over te maken op voornoemde bankrekening, althans haar medewerking
daaraan te verlenen. Cliënte zal daartoe betaalverzoeken klaarzetten.
Verder verzoek ik uw cliënte een afschrift te sturen van het saldo van de Saxo bankrekening
en het bedrag dat zij te veel heeft onttrokken aan cliënte te betalen uiterlijk op
25 december a.s.
Bij gebreke van betalingen binnen de gestelde termijn, zal cliënte het vonnis laten
betekenen en tevens de verdere kosten en rente vorderen. Kunt u mij bevestigen als
de betalingen hebben plaatsgevonden?
Met betrekking tot de postzegelcollectie wil cliënte laten weten dat zij veel moeite
heeft met het opsplitsen van de verzameling. Zij wil daarom voorstellen dat uw cliënte
alle postzegelalbums komt ophalen en onder zich mag houden, waarbij wij dan afspreken
dat de verdeling zoals is bepaald door de rechter tot op een later moment wordt uitgesteld.
Als uw cliënte dit geen oplossing vindt, dan kunnen de postzegelalbums worden verdeeld
conform het vonnis.
Als uw cliënte de postzegels komt ophalen, kunnen gelijk de fotoalbums, inclusief
het kleine witte trouwalbum van de ouders van onze cliënten en het fotoalbum met de
foto's van hun eerste vakanties samen, welke in het bezit zijn van uw cliënte, worden
uitgewisseld. Cliënte stelt voor om dit op 7 december a.s. te doen om 10:00 uur. Schikt
dat? Op 4 januari a.s. kunnen de albums dan weer terug worden gegeven.”
2.7 Hierop heeft mr. H dezelfde dag gereageerd met:
“Ik beschik nog niet over het vonnis. Tussen het Paleis van Justitie in Den Haag
en mijn kantoor duurt het vaak een week tot 10 dagen voordat de post is ontvangen.”
2.8 Op 10 december 2024 heeft verweerder aan mr. H in een e-mailbericht geschreven,
voor zover relevant:
“De gestelde termijn van 7 dagen is inmiddels verlopen en ik heb van cliënte begrepen
dat betalingen nog niet zijn goedgekeurd door uw cliënte. Ook heb ik geen antwoord
ontvangen op het voorstel van cliënte om de spullen uit te wisselen. Mag ik van u
vernemen?”
2.9 Dezelfde dag heeft mr. H in een e-mailbericht aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“Excuus dat u nog niet vernomen heeft. Het water loopt over m'n schoenen. Het wordt
waarschijnlijk vanavond of anders morgenochtend.”
2.10 Op 12 december 2024 heeft mr. H in een e-mailbericht aan verweerder geschreven:
“U hoort morgen van mij, incl stukken. Betekening van het vonnis kan achterwege
blijven.”
2.11 Op 16 december 2024 om 10:42 uur heeft mr. H verweerder per e-mail geschreven,
voor zover relevant:
“Zie de 2 bijlagen (Saxo en Vattenfall).
Cliënte is bereid de complete postzegelverzameling in bewaring te nemen tot later
tijdstip. Zij is niet in de gelegenheid de albums op te halen. Uw cliënte kan de postzegelverzameling
en het album van moeder bij mij op kantoor in Rijswijk achterlaten, waar op vrijdag
20 december -tussen 12:00 en 17:00- geruild kan worden met de fotoalbums.
Op 17 januari 2025 -tussen 10:00 en 14:00- kan er weer worden gewisseld op dezelfde
manier. Vervolgens zal cliënte het verschuldigde bedrag aan uw cliënte overmaken.
Het lijkt het meest praktisch om de te verrekenen bedragen hierin gelijk mee te nemen,
zodat cliënte het formulier Bankzaken ING kan verzenden.
Excuus dat mijn reactie iets langer op zich heeft laten wachten.”
2.12 Dezelfde dag om 19:12 uur heeft verweerder mr. H per e-mail als volgt bericht:
“Uw voorstel is niet akkoord. Het is niet in lijn met het vonnis. Cliënte verzoekt
c.q. sommeert uw cliënte:
-binnen twee dagen na heden, dus uiterlijk vóór 19 december a.s., akkoord te geven
op het betaalverzoek dat openstaat bij de ABN-AMRO;
binnen twee dagen na heden, dus uiterlijk vóór 19 december a.s., de door uw cliënte
ondertekende formulieren voor opheffing van de ervenrekeningen (ABN en ING) naar cliënte
op te sturen, inclusief kopie geldig legitimatiebewijs. Op het toegezonden formulier
staat ook vermeld dat het saldo aan cliënte toekomt (conform het vonnis). Uw cliënte
heeft geen enkele reden hier niet aan mee te werken, nu de rechter heeft beslist dat
de saldi aan cliënte toekomen. De door u doorgestuurde Vattenfall-rekeningen zijn
al verrekend (zie bijlage);
Uiterlijk 24 december a.s. aan cliënte te betalen een bedrag van € 3.067,74 (Saxo-bank)
conform het vonnis+ de rente over dit bedrag;
Uiterlijk 24 december a.s. aan cliënte te betalen een bedrag van € 2.762,87 conform
het vonnis+ de rente over dit bedrag.
Als uw cliënte vóór 19 december a.s. de getekende formulieren niet toezendt en de
betaalopdracht niet accordeert, heb ik opdracht gekregen om het vonnis te laten betekenen.
Uw cliënte kan verder een datum voorstellen waarbij zij de postzegelverzameling
komt ophalen bij cliënte thuis. Dit dient te geschieden voor 24 december 2024. Cliënte
is ook bereid om de postzegels en het fotoalbum van haar moeder af te geven op het
kantoor van u in Zoetermeer (op de begane grond), als zij daar gelijktijdig de fotoalbums
e.d. (waaronder het trouwalbum en het eerste album van de vakanties van haat ouders
samen, en de diploma's etc. van haar vader) in ontvangst kan nemen. Dit kan bijvoorbeeld
plaatshebben op dinsdagmiddag 24 december a.s.”
2.13 Op 17 december 2024 heeft mr. H verweerder per e-mail geschreven, voor zover
relevant:
“Cliënte heeft bij mij op kantoor afgegeven de in haar bezit zijnde fotoalbums en
diploma's / getuigschriften. Zij heeft niet in bezit het door u genoemde trouwalbum.
Uw cliënte kan deze goederen op mijn kantoor komen ophalen op de volgende momenten:
(…)
Na vrijdag is er dit jaar geen gelegenheid meer.
Ter gelegenheid van het ophalen zal uw cliënte de postzegelverzameling en het fotoalbum
van moeder afgeven.
Ik verneem graag ten spoedigste wanneer uw cliënte de wisseling wil plegen. Mijn
secretaresse of ik zal de wisseling doen.”
2.14 Op 19 december 2024 om 12:14 uur heeft mr. H verweerder per e-mail als volgt
bericht:
“Wanneer mag ik uw cliënte verwachten?
In verband met een zitting ben ik vrijdag pas om 14:00 op kantoor.”
2.15 Op 19 december 2024 om 17:19 uur heeft verweerder mr. H per e-mail als volgt
bericht:
“De voorgestelde data komen cliënte niet uit.”
2.16 Op 19 december 2024 om 17:27 uur heeft mr. H verweerder per e-mail als volgt
bericht:
“Erg spijtig dat uw cliënte niet ergens een moment heeft kunnen of willen vinden
om de albums om te wisselen.
Het zal dan in de week van 13 januari 2025 kunnen geschieden.
Cliënte heeft aan al haar verplichtingen uit het vonnis voldaan:
de formulieren opheffen rekeningen zijn doorgestuurd aan uw cliënte incl. kopie
paspoort
het hele saldo ING is aan uw cliënte betaald
het hele saldo ABN is aan uw cliënte betaald
de fotoalbums zijn voor uw cliënte klaargelegd bij mij op kantoor
De 24e doet cliënte de laatste kleine betaling met verrekening van de bijschrijvingen
na 16 juni op ING.”
2.17 Op 8 januari 2025 om 15:32 uur heeft verweerder mr. H per e-mail als volgt
bericht:
“Uw cliënte heeft niet voldaan aan de veroordeling het vonnis. Hieronder vind je
de bedragen die uw cliënte had moeten betalen en de bedragen die uiteindelijk betaald
zijn. Zoals ik u telefonisch al aangaf waren de nagekomen bedragen op de ING-rekening
reeds verrekend bij de bedragen die de rechter heeft opgenomen.
(…)
Nog te betalen: 1.381,24
Ik heb opdracht gekregen van cliënte om het vonnis te laten betekenen. Ik zal de
deurwaarder morgen na 12:00 uur opdracht geven tot betekening tenzij uw cliënte morgen
voor 12:00 uur een bedrag van € 1.381,24 heeft betaald op het haar bekende rekeningnummer
van cliënte en mij daarvan een afschrift stuurt.”
2.18 Op 8 januari 2025 heeft mr. H verweerder per e-mail als volgt bericht:
“Het vonnis vermeldt in artikel 4.11 dat in de periode na overlijden tot en met
16 juni 2024 € 2480,61 is bijgeschreven. Een simpele som van de bankafschriften (zie
bijlage) bevestigt dit bedrag en toont aan dat geen verrekening heeft plaatsgevonden
van af- en bijschrijvingen na die datum. De nagekomen bedragen zijn daarom gelijkelijk
verdeeld en verrekend.
Vide bijgesloten bankafschrift.
Voorts wijs ik op het bepaalde in r.o. 4.11. van het vonnis.
Cliënte heeft dus aan het vonnis voldaan. Uw cliënte heeft niets meer te vorderen.
Wat betreft het wisselen van de albums:
Uw cliënte kan volgende week op maandag de 13de tussen 11:00 uur en 17:00 uur de
albums bij mij op kantoor komen wisselen; dat kan ook op dinsdag de 14de tussen 13:00
en 17:00 en op woensdag de 15de tussen 12:00 en 17:00 .
Gaarne verneem ik wanneer de wisseling kan plaatsvinden.”
2.19 Op 16 januari 2025 heeft mr. H per e-mail het volgende aan klaagster bericht:
“De albums staan nog bij mij. Heb niets meer gehoord.
Je kan ze vanavond om 19:30 / 20:00 bij mij op kantoor ophalen. Lukt dat?”
2.20 Op 30 januari 2025 heeft verweerder mr. H per e-mail als volgt bericht:
“Het is cliënte onduidelijk welk bedrag u precies verrekend met welk bedrag. Dat
heeft u eerder ook niet uitgelegd en is uit deze e-mail ook niet duidelijk.
Omdat uw cliënte blijft weigeren om het vonnis na te komen, heb ik de deurwaarder
opdracht gegeven om het vonnis te betekenen.”
2.21 Op 6 februari 2025 is het vonnis in opdracht van de zus (de cliënte van
verweerder) door de deurwaarder aan klaagster betekend.
2.22 Op 12 februari 2025 heeft klaagster een klacht tegen verweerder ingediend
bij de deken.
2.23 Op 16 februari 2025 heeft klaagster bij de deurwaarder bezwaar gemaakt tegen
de betekening van het vonnis.
2.24 Op 18 februari 2025 is door de deurwaarder een herstelexploot aan klaagster
uitgereikt. Dezelfde week is nogmaals een herstelexploot aan klaagster uitgereikt.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder:
a) niet te reageren op e-mails en voorstellen met betrekking tot (een correcte
uitvoering van) het vonnis of het vonnis überhaupt uit te voeren;
b) onjuiste informatie te verstrekken en niet in staat te zijn het vonnis op
een begrijpelijke wijze aan de cliënte uit te leggen;
c) een deurwaarder onterecht te hebben ingeschakeld, zonder rechtsgrond voor
de vordering. Er was geen sprake van verzuim; aan het vonnis was volledig voldaan.
Het inschakelen van een deurwaarder leverde misbruik van recht op en was niet doelmatig.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
5.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij herhaaldelijk geen reactie heeft gegeven
op e-mails die gericht waren op de uitvoering van het vonnis. Het uitblijven van een
reactie heeft ertoe geleid dat de uitvoering van het vonnis niet kon plaatsvinden.
5.3 De raad stelt gelet op hetgeen bij de feiten is weergegeven dat verweerder
en mr. H (uitvoerig) met elkaar hebben gecorrespondeerd over de uitvoering van het
vonnis en de hieruit voortvloeiende verdeling van de nalatenschap. Blijkens de mailwisseling
hebben zij met elkaar geprobeerd om de verdeling van de roerende zaken en de nog aan
elkaar te betalen saldi in goede banen te leiden. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt
omdat klaagster en de cliënte van verweerder geen overeenstemming konden vinden (over
onder meer de locatie van de uitruil van de postzegelalbums) kan verweerder niet worden
verweten. Blijkens de overgelegde e-mailcorrespondentie is van het door verweerder
actief belemmeren van de uitvoering van een vonnis in ieder geval geen sprake.
5.4 Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.5 Op 8 januari 2025 heeft de advocaat van klaagster verweerder een e-mail gestuurd
waarin de berekening volgens het vonnis is uitgelegd. Verweerder stelt in zijn e-mail
van 30 januari 2025 dat zijn cliënte de berekening niet begrijpt. Verweerder is kennelijk
niet in staat om het vonnis op een duidelijke manier uit te leggen aan zijn cliënte,
aldus klaagster.
5.6 Naar het oordeel van de raad kan op grond van de inhoud van het klachtdossier
niet worden vastgesteld dat verweerder niet of onvoldoende in staat is geweest om
het vonnis op een duidelijke manier aan zijn cliënte uit te leggen. Door verweerder
is betwist dat hij onjuiste informatie aan zijn cliënte zou hebben verstrekt en dit
is de raad evenmin gebleken. Er bestond tussen partijen een verschil van mening over
de wijze waarop het vonnis moest worden uitgelegd en hoe er moest worden verrekend.
In het e-mailbericht van 30 januari 2025 heeft verweerder hierover aan mr. H geschreven
dat het onduidelijk was welk bedrag waarmee werd verrekend en dat mr. H dit ook niet
goed had toegelicht. Dat de cliënte van verweerder en verweerder zich niet konden
vinden in de wijze waarop klaagster en haar advocaat het vonnis lazen, kan verweerder
niet tuchtrechtelijk worden verweten.
5.7 Verweerder heeft gehandeld binnen de aan hem als advocaat van zijn cliënte
toekomende vrijheid. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Klachtonderdeel
b) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.8 In klachtonderdeel c) verwijt klager verweerder dat hij ten onrechte tot
betekening van het vonnis is overgegaan. Daarnaast heeft verweerder het deurwaardersexploot
niet gecontroleerd. Er werden onjuiste bedragen in het exploot genoemd en de naam
van de cliënte van verweerder stond niet goed vermeld. Er is sprake van misbruik van
procesrecht, aldus klaagster.
5.9 De raad stelt vast dat verweerder en mr. H, nadat er vonnis was gewezen op
29 november 2024, met elkaar hebben gecorrespondeerd over de wijze van verrekening.
Verweerder heeft mr. H op 2, 10 en 16 december 2024, en ook op 8 januari 2025 aangeschreven
en gevraagd of er door zijn cliënte tot betaling kon worden overgegaan. Daarbij heeft
verweerder uitgelegd waarom klaagster op basis van het vonnis van 27 november 2024
aan zijn cliënte moest betalen. Verweerder heeft in zijn mailbericht van 16 december
2024 en 8 januari 2025 aan mr. H aangekondigd dat hij tot betekening van het vonnis
zou overgaan, als klaagster niet zou betalen. Het stond de cliënte van verweerder
-en daarmee verweerder- op grond van het voorgaande vrij om het vonnis te laten executeren.
Verweerder en zijn cliënte waren van mening dat klaagster niet voldeed aan het vonnis
en zij hebben dit meermaals aan klaagster en haar advocaat laten weten. Van misbruik
van recht door verweerder is daarom geen sprake. Verweerder heeft erkend dat er in
de door de deurwaarder uitgebrachte exploten foutjes zijn geslopen. Verweerder heeft
daarbij onbetwist aangevoerd dat het om een verschil van een paar cent ging en een
verschrijving in de naam van de cliënte van verweerder. De fouten zijn direct door
de deurwaarder hersteld. Dat de deurwaarder kleine fouten maakt in zijn exploot, kan
verweerder niet verweten worden.
5.10 Klachtonderdeel c) is gelet op het voorgaande eveneens ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en L.C. Dufour, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026.