ECLI:NL:TADRAMS:2026:109 Raad van Discipline Amsterdam 25-564/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:109 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 08-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-564/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 1 juni 2026 in de zaak 25-564/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 29 september 2025 op de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 november 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 20 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2390069/JS/FS
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 29 september 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze
beslissing is op 29 september 2025 verzonden aan partijen. Op 2 oktober 2025 heeft
de griffie van de raad stukken van klaagster ontvangen. Deze zijn aan klaagster geretourneerd,
omdat deze te laat waren ingediend en er inmiddels een beslissing was genomen.
1.4 Op 10 oktober 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 16 oktober 2025 ontvangen.
1.5 Het verzet is in eerste instantie behandeld op de zitting van de raad van
12 januari 2026. De bedoeling was dat klaagster via een videoverbinding bij de zitting
aanwezig zou zijn. Door technische problemen is het niet gelukt om de videoverbinding
te leggen. De raad heeft vervolgens telefonisch contact gehad met klaagster. Klaagster
heeft toen laten weten dat haar voorkeur uitging naar een verbinding via video, zodat
zij de aanwezigen kon zien. De raad heeft vervolgens beslist tot aanhouding van de
behandeling.
1.6 De zaak is behandeld op een nieuwe zitting op 10 april 2026. Klaagster is
met transport naar de zitting vervoerd. Verweerster was eveneens op de zitting aanwezig.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
1.8 De raad heeft daarnaast kennisgenomen van:
- de niet gedateerde brief van klaagster, ontvangen 20 oktober 2025, met bijlagen;
- de brief van klaagster van 29 oktober 2025, ontvangen 31 oktober 2025, zonder
bijlagen;
- de e-mail van verweerster van 5 november 2025, met bijlagen;
2 VERZET
2.1 Klaagster heeft in verzet – samengevat – naar voren gebracht dat de voorzitter
heeft miskend dat verweerster is tekortgeschoten in haar bijstand aan klaagster.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde gronden van verzet
niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en
heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
De raad overweegt dat klaagster in verzet veel zaken naar voren heeft gebracht die
betrekking hebben op andere (eerdere) procedures waarin verweerster klaagster (ook)
heeft bijgestaan. Onderhavige klacht heeft echter uitsluitend betrekking op de bijstand
van verweerster in de hoger beroepsprocedure over het ouderlijk gezag na aanwijzing
door de deken op grond van artikel 13 Advocatenwet. Naar het oordeel van de raad heeft
de voorzitter op goede gronden overwogen dat het werk van verweerster in deze procedure
voldeed aan hetgeen van een behoorlijk advocaat mocht worden verwacht, zodat in redelijkheid
niet hoeft te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M. Bootsma en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 juni 2026