ECLI:NL:TADRAMS:2026:108 Raad van Discipline Amsterdam 25-720/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:108 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 08-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-720/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 1 juni 2026 in de zaak 25-720/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 1 december 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. E.A.M. Mannheims
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 9 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 21 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2486345/EvR/KV
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 1 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht niet-ontvankelijk verklaard op grond
van artikel 46g lid 1, aanhef en onder a, Advocatenwet. Deze beslissing is op 1 december
2025 verzonden aan partijen. Bij beslissing van 2 december 2025 is een kennelijke
fout in de beslissing hersteld.
1.4 Op 27 december 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 10 april 2026. Daarbij
waren klager en de gemachtigde van verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 Klager heeft in verzet – samengevat – naar voren gebracht dat de voorzitter
zijn klacht ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege een termijnoverschrijding.
De klachttermijn is volgens klager niet in 2013 gaan lopen, maar pas eind 2024 toen
hem na overleg met een andere advocaat en na bestudering van de beschikking duidelijk
was geworden dat verweerder mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld. De
klacht is daarna binnen bekwame tijd ingediend. Ook heeft de voorzitter ten onrechte
geoordeeld dat klager geen beroep toekomt op artikel 46g lid 2 Advocatenwet. De gevolgen
van het handelen of nalaten van verweerder waren klager namelijk pas eind 2024 duidelijk
geworden. Verder heeft de voorzitter volgens klager ten onrechte geoordeeld dat verweerder
de stellingen van klager voldoende heeft betwist, ondanks het feit dat verweerder
naar zijn zeggen geen dossierkennis en geen dossierstukken meer had, niet kon aantonen
dat de beschikking aan klager was verzonden en niet kon aantonen dat de rechtsmiddelen
waren besproken. Daarnaast heeft de voorzitter nagelaten het verwijt dat verweerder
niet had gesignaleerd dat de beschikking van 12 juli 2013 gebrekkig gemotiveerd was,
inhoudelijk dan wel ontvankelijkheidtechnisch te beoordelen. Tot slot was de beslissing
onvoldoende gemotiveerd en heeft de voorzitter ten onrechte toepassing gegeven aan
zijn bevoegdheid zijn klacht bij voorzittersbeslissing af te doen.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M. Bootsma en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 juni 2026